Jonge Stier, zei een wolvin. Ze heette Boogbuiger en was een oude roedelleidster. Maanjager loopt weer door de dromen. Ze zoekt je.
Dank je, antwoordde hij. Ik weet het. Ik zal haar ontwijken.
De maan ontwijken? vroeg Boogbuiger. Dat is lastig, Jonge Stier. Lastig.
Daar had ze gelijk in.
Ik heb Hartszoeker net gezien, meldde Draver, een jonge wolf met een zwarte vacht. Ze draagt een nieuwe geur, maar zij is het.
Andere wolven stuurden instemming. Hartszoeker was in de wolfsdroom. Sommige wolven hadden haar in het oosten gezien, maar andere zeiden dat ze in het zuiden was opgedoken.
Maar hoe zat het met Slachter? Waar was die man, als hij niet op wolven joeg? Perijn merkte dat hij weer gromde.
Hartszoeker. Dat moest een Verzaker zijn, hoewel hij de beelden van haar die de wolven hem stuurden niet herkende. Ze was stokoud, en dat gold ook voor de herinneringen van wolven, maar vaak waren de dingen die zij zich herinnerden flarden van flarden die hun voorouders hadden gezien.
‘Is er nieuws?’ vroeg Gaul.
‘Er is hier nog een Verzaker,’ antwoordde Perijn grommend. ‘Ze doet iets in het oosten.’
‘Heeft dat met ons te maken?’
‘De Verzakers hebben altijd met ons te maken,’ zei Perijn, en hij stond op. Hij legde zijn hand op Gauls schouder en verplaatste hen in de richting die Draver had aangegeven. De plaatsbepaling was niet exact, maar zodra Perijn er aankwam, trof hij er enkele wolven aan die Hartszoeker de vorige dag op weg naar de Grenslanden hadden gezien. Ze stuurden Perijn gretige begroetingen en vroegen of hij hen kwam leiden.
Hij ontweek hun vragen en bepaalde nader waar Hartszoeker was gezien. Het was Merrilor.
Perijn verplaatste hen daarheen. Er hing hier een vreemde mist over het landschap. De hoge bomen die Rhand had laten groeien, waren hier ook te zien, en de toppen ervan staken boven de mist uit.
Er stonden overal tenten in het landschap, als de hoedjes van paddenstoelen. De meeste waren Aieltenten, en ertussen gloeiden kookvuren op in de mist. Dit kamp was hier al lang genoeg om zich te manifesteren in de wolfsdroom, hoewel tentflappen van plaats veranderden en dekenrollen willekeurig verschenen en weer verdwenen, zoals hier wel vaker gebeurde.
Perijn leidde Gaul tussen de nette rijen tenten en lege piketlijnen door. Ze verstijfden allebei toen ze iets hoorden. Een mompelende stem. Perijn deed de truc na die hij Lanfir had zien gebruiken en creëerde een bel van... iets om hen heen. Iets onzichtbaars wat geluid tegenhield. Hij begreep het zelf niet goed, maar hij deed het door een barrière zonder lucht erin te maken. Waarom zou dat geluid tegenhouden?
Gaul en hij slopen naar een tentwand. Aan de banier te zien was het de tent van de man genaamd Rodel Ituralde, een van de grote kapiteins. Binnen zocht een vrouw gekleed in een broek tussen documenten op een tafel. Ze bleven maar verdwijnen onder haar handen.
Perijn herkende haar niet, maar ze was verschrikkelijk lelijk. Zoiets zou hij nooit hebben verwacht bij een Verzaker. Niet dat hoge voorhoofd, die bolle neus, die scheve ogen, dat dunne haar. Hij verstond haar gevloek niet, maar maakte haar bedoeling op uit haar toon.
Gaul keek hem aan en Perijn reikte naar zijn hamer, maar toen aarzelde hij. Slachter aanvallen was één ding, maar een Verzaker? Hij vertrouwde wel op zijn vermogen om wevingen te weerstaan hier in de wolfsdroom, maar toch...
De vrouw vloekte opnieuw toen het papier dat ze stond te lezen verdween. Toen keek ze op.
Perijn reageerde onmiddellijk. Hij zette een papierdunne wand voor zich neer. Op haar kant schilderde hij een exacte weergave van het landschap achter hem, terwijl zijn kant doorschijnend bleef. Ze keek recht naar hem, maar kon hem niet zien en wendde zich weer af.
Naast hem slaakte Gaul een heel zachte zucht van verlichting. Hoe deed ik dat? dacht Perijn. Het was niet iets waarmee hij had geoefend. Het had gewoon de juiste oplossing geleken.
Hartszoeker – want dat moest zij zijn – wiebelde met haar vingers, en de tent spleet boven haar doormidden, waardoor de canvas wanden omlaag vielen. Ze zweefde omhoog, naar de zwarte storm boven hen.
‘Wacht hier en hou een oogje in het zeil,’ fluisterde Perijn tegen Gaul.
Gaul knikte. Perijn volgde Hartszoeker behoedzaam, door zichzelf met een gedachte de lucht in te tillen. Hij probeerde nog een wand te vormen tussen zichzelf en haar, maar het was te moeilijk om het juiste beeld te blijven weergeven terwijl hij opsteeg. In plaats daarvan hield hij afstand en zette een vlekkerige bruingroene wand tussen zichzelf en de Verzaker, in de hoop dat als ze toevallig omlaag keek, haar die kleine eigenaardigheid niet zou opvallen.
Ze begon sneller te bewegen en Perijn dwong zichzelf om haar bij te houden. Toen hij omlaag keek, werd hij beloond met een duizelingwekkend uitzicht op het landschap van Merrilor dat beneden hem kleiner werd. Toen werd het donker en vervolgens zwart om hem heen.
Ze gingen niet door de wolken. Terwijl de grond vervaagde, deden de wolken dat ook, en ze kwamen uit op een zwarte plek. Kleine stippeltjes licht verschenen overal rondom Perijn. De vrouw boven hem stopte en bleef even in de lucht hangen voordat ze als een speer naar rechts schoot.
Perijn volgde weer en kleurde zichzelf zwart – zijn huid, zijn kleding, alles – om zich te verstoppen. De vrouw naderde een van de lichtstipjes, totdat die uitdijde en de lucht voor haar geheel vulde.
Hartszoeker stak haar handen naar voren en duwde tegen het licht. Ze mompelde in zichzelf. Omdat hij het gevoel had dat hij moest horen wat ze zei, waagde Perijn zich dichterbij, hoewel zijn hart zo luid bonsde dat hij bang was dat het hem zou verraden.
‘... van me afnemen?’ vroeg ze. ‘Denk je dat mij dat wat kan schelen? Geef me een gezicht als een gebarsten steen, wat maakt het uit? Dat ben ik niet. Ik zal je plaats innemen, Moridin. Dat zal mijn plaats worden. Met dit gezicht zullen ze me alleen maar onderschatten. Je mag branden.’
Perijn fronste. Hij begreep niet veel van wat ze zei.
‘Ga je gang en smijt je legers op hen af, stelletje dwazen,’ vervolgde ze mompelend. ‘Ik zal de grotere overwinning behalen. Een insect kan wel duizend poten hebben, maar slechts één kop. Vernietig de kop, en je hebt de eindoverwinning. Het enige wat jij doet is de poten afhakken, stommeling. Stomme, hooghartige, onuitstaanbare dwaas. Ik zal krijgen wat me toekomt, ik zal...’ Ze aarzelde en keek om.
Perijn schrok en stuurde zichzelf meteen terug naar de grond. Dat lukte, gelukkig. Hij was niet zo zeker van zijn zaak geweest daarboven, te midden van die lichtjes. Gaul schrok toen hij verscheen, en Perijn haalde diep adem. ‘Kom, we...’
Een verzengend hete vuurbol dreunde naast hem tegen de grond. Perijn vloekte, rolde om, koelde zichzelf af met een windvlaag en riep zijn hamer naar zijn hand.
Hartszoeker zakte rustig naar de grond, met rimpelingen van kracht om haar heen. ‘Wie ben jij?’ vroeg ze. ‘Waar ben je? Ik...’
Haar blik vond Perijn nu het zwart van zijn kleding was vervaagd.
‘Jij!’ krijste ze. ‘Dit is jóuw schuld!’
Ze hief haar handen. Haar ogen leken bijna te gloeien van haat. Perijn rook haar gevoel, ondanks de gierende wind. Ze stuurde een withete lichtstraal op hem af, maar Perijn boog die om zichzelf heen.
De vrouw schrok. Dat deden ze altijd. Beseften ze niet dat niets hier echt was, behalve wat jij dacht dat echt was? Perijn verdween, dook achter haar op en hief zijn hamer. Toen aarzelde hij. Een vrouw aanvallen?
Ze draaide zich met een schreeuw om en scheurde de aarde onder hem open.
Hij sprong omhoog. De lucht om hem heen probeerde hem te grijpen, maar hij deed wat hij al eerder had gedaan en maakte een muur van niets. Er was geen lucht die hem kon grijpen. Met ingehouden adem verdween hij en verscheen weer op de grond, waar hij aarden wallen voor zich opriep om de vuurbollen af te weren die zijn kant op werden geschoten.