Выбрать главу

Egwene ging toch maar in een wijde boog om de mannen heen en liep door de duisternis van haar vroegere kamp. Ze kwam langs ingestorte tenten waar de geur van smeulende vuren nog in de lucht hing en stak een pad over dat ze bijna iedere avond had bewandeld om verslagen van de troepen op te halen. Het was verontrustend, hoe snel je van een positie van macht kon terugvallen. Nu sloop ze als een rat door het kamp. Dat ze ineens niet meer kon geleiden, veranderde alles.

Mijn gezag komt niet voort uit mijn vermogen om te geleiden, hield ze zichzelf voor. Mijn kracht ligt in beheersing, begrip en zorgzaamheid. Ik zal aan dit kamp ontkomen, en ik zal de strijd voortzetten.

Ze herhaalde die woorden om een toenemend gevoel van machteloosheid af te weren, de wanhoop over zoveel doden, een gekriebel tussen haar schouderbladen alsof er iemand vanuit de duisternis naar haar keek. Licht, die arme Leane.

Iets raakte de kale aarde vlak voor haar. Een tel later ploften er nog twee kiezels op de grond. Gawein vertrouwde kennelijk niet op slechts één steentje. Ze liep snel naar de resten van een halfverbrande tent, waar nog stukken canvas van de palen omlaag hingen.

Ze hurkte neer. Toen pas zag ze dat er een half verkoold lichaam op de grond lag, slechts een paar duim bij haar vandaan. Hij was een Shienaraan, zag ze toen er een bliksemflits door de rommelende wolken boven haar knetterde, hoewel hij het symbool van de Witte Toren op zijn hemd droeg. Hij staarde met één oog roerloos naar de hemel, terwijl de andere kant van zijn hoofd tot op de schedel was verbrand.

Er verscheen een lichtje in de richting waar ze naar op weg was geweest. Ze wachtte gespannen toen er twee Sharaanse wachters met een lantaarn naderden. De mannen spraken niet. Toen ze in een bocht doorliepen, zag Egwene dat hun pantsers tekens op de rug droegen in dezelfde patronen als de tatoeages die ze eerder bij enkele mannen had gezien. Die tekenen waren behoorlijk groot, en dus – vermoedde ze – hadden deze mannen eigenlijk een lage rang.

Dat systeem begreep ze niet goed. Je kon altijd iets toevoegen aan een tatoeage, maar ze zou niet weten hoe je er een kon verwijderen. Als de tatoeages ingewikkelder werden naarmate je lager op de maatschappelijke ladder stond, dan wees dat ergens op. Mensen konden dus wel uit de gratie vallen, maar nooit meer hogerop komen als ze eenmaal naar een lage positie waren gevallen of daarin waren geboren.

Ze voelde de geleider achter haar slechts enkele ogenblikken voor dat er een schild tussen haar en de Bron werd gezet.

Egwene reageerde meteen. Ze gunde zichzelf geen tijd om de angst vat op haar te laten krijgen, maar greep haar riemmes en draaide zich om naar de vrouw die ze achter zich voelde aankomen. Egwene sprong naar voren, maar een weving van Lucht greep haar arm en hield die stevig vast. Een andere vulde haar mond en belette haar het spreken.

Ze kronkelde, maar andere wevingen grepen haar vast en sleepten haar de lucht in. Het mes viel uit haar verkrampte vingers.

Er verscheen een lichtbol met een zachte blauwe gloed, veel zachter dan van een lantaarn. Hij was gemaakt door een vrouw met een donkere huid, verfijnde gelaatstrekken en een slank lichaam. Ze stond op uit haar ineengedoken houding en Egwene zag dat ze behoorlijk lang was, bijna zo lang als een man.

‘Jij bent een gevaarlijk konijntje,’ zei de vrouw, hoewel haar vette, loonloze tongval haar moeilijk verstaanbaar maakte. Ze benadrukte woorden op de verkeerde plekken en sprak veel klanken net niet helemaal goed uit. Ze had tatoeages op haar gezicht, als fijne takken die vanuit haar nek over haar wangen naar voren reikten. Ze droeg ook zo’n zwart gewaad in de vorm van een koeienbei, met witte linten een handbreedte onder de hals.

De vrouw raakte haar arm aan, waar Egwenes mes haar bijna had geraakt. ‘Ja,’ zei de vrouw, ‘heel gevaarlijk. Maar weinig Ayyad zouden zo snel naar een dolk grijpen in plaats van naar de Bron. Je bent goed onderwezen.’

Egwene verzette zich tegen haar boeien. Het had geen zin. Ze zaten strak. Haar hart ging tekeer, maar dat mocht ze niet toestaan. Paniek kon haar niet redden. Ze dwong zichzelf kalm te blijven.

Nee, dacht ze. Nee, paniek zal me niet redden... maar misschien waarschuwt het Gawein. Ze voelde dat hij ongerust was, ergens daarbuiten in het donker. Met moeite liet ze haar angst toe. Ze liet al haar zorgvuldig aangeleerde Aes Sedai-kalmte varen. Het was niet zo eenvoudig als ze had verwacht.

‘Je beweegt je stilletjes, konijntje,’ vervolgde de Sharaanse vrouw, die Egwene schattend opnam. ‘Ik had je nooit kunnen volgen als ik niet al had geweten dat je deze kant op ging.’ Ze liep met een nieuwsgierige blik om Egwene heen. ‘Je hebt het voorstellinkje van de Wyld helemaal bekeken, hè? Dapper. Of stom.’

Egwene sloot haar ogen en richtte zich op haar angst. Haar paniek. Ze moest Gawein naar zich toe halen. Ze reikte binnen in zich en peuterde het strakke klontje gevoel open dat ze daar had weggestopt: haar angst om weer te worden gevangen door de Seanchanen.

Ze voelde het. De a’dam om haar nek. De naam. Tuli. Een naam voor een huisdier.

Egwene was toen jonger geweest, maar niet machtelozer dan nu. Het zou opnieuw gebeuren. Ze zou niets meer zijn. Haar hele persoonlijkheid zou haar worden afgepakt. Ze was nog liever dood. O, Licht! Waarom had ze niet kunnen sterven?

Ze had gezworen dat ze nooit meer op deze wijze gevangen zou worden. Ze begon sneller te ademen, niet langer in staat haar angst te beheersen.

‘Nou, nou,’ zei de Sharaanse. Ze leek vermaakt, hoewel haar toon zo vlak klonk dat Egwene er niet zeker van kon zijn. ‘Zo erg zal het toch niet zijn? Ik moet besluiten. Wat levert me meer op? Moet ik je aan hém overhandigen of zelf houden? Hmmm...’

Er werd ineens krachtig geleid aan de andere kant van het kamp, waar Demandred naartoe was gegaan. De Sharaanse keek die kant op, maar ze leek niet geschrokken.

Egwene voelde Gawein dichterbij komen. Hij was heel erg ongerust. Haar boodschap was overgekomen, maar hij naderde niet snel genoeg en was verder weg dan ze had verwacht. Wat was er mis? Nu ze haar angst uit dat verborgen plekje had bevrijd, werd ze er bijna door overstelpt.

‘Je man...’ zei de Sharaanse. ‘Je hebt er een. Hoe noemen ze die ook alweer? Vreemd, dat je vertrouwt op de bescherming van een man. Ik heb gehoord dat jullie je potentieel nooit bereiken in dit land. Hij wordt opgehaald. Ik heb al iemand gestuurd.’

Zoals Egwene al had gevreesd. Licht! Zij had Gawein hierheen geleid. Zij had het leger naar de rampspoed geleid. Egwene kneep haar ogen dicht. Ze had de Witte Toren naar de vernietiging geleid.

Haar ouders zouden worden afgeslacht. Tweewater zou branden.

Ze had sterker moeten zijn.

Ze had slimmer moeten zijn.

Nee.

Ze was niet gebroken door de Seanchanen. Ze zou zich hierdoor ook niet laten breken. Egwene opende haar ogen en keek de Sharaanse aan in het zachte blauwe licht. Ze onderdrukte al haar gevoel en hulde zich weer in de Aes Sedai-kalmte.

‘Jij... bent een merkwaardige,’ fluisterde de Sharaanse, die Egwene nog steeds in de ogen keek. De vrouw was zo gebiologeerd dat ze het niet merkte toen er een schaduw achter haar opdook. Een schaduw die Gawein niet kon zijn, want hij was nog te ver weg.

Iets raakte het achterhoofd van de vrouw hard. Ze zakte door haar knieën en viel op de grond. De lichtbol ging meteen uit, en Egwene was vrij. Ze hurkte neer en zocht haar mes op.

Een gestalte kwam naar haar toe. Egwene hief haar mes en bereidde zich voor om de Bron te omhelzen. Dan zou ze de aandacht op zich vestigen, maar wat moest, dat moest. Ze zou zich niét opnieuw laten vangen.

Maar wie was dit?

‘Stil,’ zei de gedaante.

Egwene herkende die stem. ‘Leilwin?’

‘De anderen hebben ook gemerkt dat die vrouw geleidde,’ zei Leilwin. ‘Ze kunnen ieder ogenblik hierheen komen om te kijken waarom. We moeten opschieten!’