‘Je hebt me gered,’ fluisterde Egwene. ‘Je hebt me geréd.’
‘Ik vat mijn geloften heel ernstig op,’ zei Leilwin. Toen, zo zacht dat Egwene het nauwelijks kon verstaan, voegde ze eraan toe: ‘Misschien wel té. Zoveel verschrikkelijke voortekenen vannacht...’
Ze liepen een tijdje snel door het kamp, totdat Egwene Gawein voelde naderen. Ze kon hem niet zien in het donker. Uiteindelijk fluisterde ze zachtjes: ‘Gawein?’
En ineens stond hij pal naast haar. ‘Egwene? Wie heb je gevonden?’
Leilwin verstijfde en siste toen zachtjes tussen haar tanden. Iets leek haar erg van streek te hebben gemaakt. Misschien was ze boos omdat ze was beslopen. Als dat het geval was, deelde Egwene dat gevoel. Ze was zo trots geweest op haar vaardigheden, maar toen was ze verrast door een geleider, en nu ook nog door Gawein! Hoe kon een jongen die in een stad was opgegroeid zich zo geruisloos bewegen, zonder dat zij hem had gezien?
‘Ik heb niemand gevonden,’ fluisterde Egwene. ‘Leilwin heeft mij gevonden... en me uit het vuur getrokken.’
‘Leilwin?’ vroeg Gawein, turend in de duisternis. Egwene voelde zijn verbazing, en zijn argwaan.
‘We moeten doorlopen,’ zei Leilwin.
‘Daar kan ik niets tegen inbrengen,’ antwoordde Gawein. ‘We zijn er bijna uit. We moeten alleen nog wel een stukje naar het noorden. Ik heb rechts van hier een paar lichamen achtergelaten.’
‘Lichamen?’ vroeg Leilwin.
‘Ik werd besprongen door een stuk of zes Sharanen.’
Een stuk of zés, dacht Egwene. Hij deed het klinken alsof het niets voorstelde.
Maar dit was niet de plek om dat te bespreken. Ze liep met de andere twee het kamp uit, achter Leilwin aan. Bij elk geluidje of kreet in het kamp kromp Egwene ineen, bang dat een van de lichamen was gevonden. Toen sprak er iemand in het donker.
‘Ben jij dat?’
‘Wij zijn het, Baile,’ zei Leilwin zachtjes.
‘Mijn oude grootmoeder!’ fluisterde Baile Doman, en hij kwam naar hen toe. ‘Heb je haar gevonden? Vrouw, je verbaast me alweer.’ Hij aarzelde. ‘Ik wou alleen dat je me mee had laten komen.’
‘Mijn echtgenoot,’ fluisterde Leilwin, ‘je bent zo dapper en vastberaden als een vrouw maar van haar bemanning zou kunnen verlangen. Maar je beweegt je net zo geruisloos als een beer die door een rivier dendert.’
Hij gromde, maar liep met hen mee toen ze stilletjes en behoedzaam bij de rand van het kamp wegslopen. Ongeveer tien minuten later durfde Egwene eindelijk de Bron te omhelzen. Genietend van het gevoel maakte ze een Poort naar de Witte Toren.
Aviendha rende met de rest van de Aiel door Poorten. Ze stroomden als een rivier de vallei van Thakan’dar in. Twee golven, omlaag komend langs beide zijden van de vallei.
Aviendha had geen speer bij zich. Ze was geen Speervrouwe meer. In plaats daarvan was ze een speer.
Ze was in het gezelschap van twee mannen in zwarte jassen, vijf Wijzen, de vrouw Alivia en tien van Rhands gezworen Aes Sedai met hun zwaardhanden. Geen van hen, behalve Alivia, was er blij mee geweest dat Aviendha boven hen was geplaatst. De Asha’man vonden het niet prettig om verantwoording te moeten afleggen aan een vrouw, de Wijzen vonden het helemaal niet leuk dat Rhand hun bevelen gaf, en de Aes Sedai zagen de Aiel-geleiders nog altijd als minderwaardig. Toch gehoorzaamden ze allemaal aan zijn bevel.
Rhand had Aviendha in een rustig ogenblik toegefluisterd dat ze haar ogen open moest houden voor Duistervrienden. Het was geen angst waardoor hem die woorden waren ingegeven, maar zijn gevoel van waarheidszin. Schaduwen konden overal rondsluipen.
Er waren Trolloks en een paar Myrddraal hier in de vallei, maar die hadden deze aanval niet voorzien. De Aiel maakten gebruik van de wanorde en begonnen een slachting. Aviendha leidde haar groep geleiders naar de smidsoven, het reusachtige gebouw met het grijze dak. De Schaduwsmeden onderbraken hun onophoudelijke werk en leken enigszins verward.
Aviendha weefde Vuur, wierp het op een van hen af en hakte zijn hoofd van zijn schouders. Zijn lichaam veranderde in steen en begon te verbrokkelen.
Dat leek door de andere geleiders als een teken te worden opgevat, en Schaduwsmeden overal in de vallei begonnen te ontploffen. Men zei dat het verschrikkelijke strijders waren als ze werden uitgelokt, met een huid waarop zwaarden afketsten. Maar dat kon ook een gerucht zijn, want weinig Aiel hadden ooit de speren gedanst met een Schaduwsmid.
Aviendha had niet veel behoefte om de waarheid te ontdekken. Ze liet haar groep het eerste stel Schaduwsmeden uitschakelen en probeerde er niet bij stil te staan hoeveel dood en verderf die wezens in hun onnatuurlijke levens al hadden gezaaid.
Het Schaduwgebroed probeerde een verdediging op touw te zetten, en enkele Myrddraal schreeuwden en zweepten hun Trolloks op om de aanval van de Aiel te breken, die over een breed front naderden. Maar je zou nog eerder een rivier tegenhouden met een handvol twijgjes. De Aiel vertraagden niet, en het Schaduwgebroed dat verzet probeerde te bieden werd ter plekke gedood, vaak door meerdere speren ol pijlen.
De meeste Trolloks braken op en vluchtten weg voor het geschreeuw van de Aiel. Aviendha en haar geleiders bereikten de ovens en de kooien met vuile gevangenen, die met matte ogen op hun dood hadden gewacht.
‘Snel!’ zei Aviendha tegen de zwaardhanden die haar vergezelden. De mannen braken kooien open, terwijl Aviendha en de anderen de laatste Schaduwsmeden aanvielen. Als ze stierven – tot steen en stof vergingen – lieten ze halfvoltooide Thakan’dar-klingen op de rotsen vallen.
Aviendha keek rechts van haar omhoog. Een lang, kronkelend pad leidde naar de muil van een grot in de helling van de berg die boven hen uittorende. Dat gat daar was dónker. Het leek wel een valstrik, die het licht verleidde om binnen te komen en het dan nooit meer liet gaan.
Aviendha weefde Vuur en Geest en stuurde de weving de lucht in. Even later opende er een Poort aan het begin van het pad omhoog naar Shayol Ghul. Vier mensen stapten erdoorheen. Een vrouw in het blauw, klein van gestalte maar niet van wil. Een oudere man, witharig en gehuld in een veelkleurige mantel. Een vrouw in het geel, haar donkere haar kortgeknipt en versierd met een aantal edelstenen gevat in goud.
En een lange man met haar dat de kleur had van gloeiende kolen. Hij droeg zijn rood met gouden jas, maar daaronder een eenvoudig Tweewaters hemd. Wat hij was geworden en wat hij was geweest, samengebundeld tot één geheel. Hij droeg twee zwaarden, als een Shienaraan. Het ene zag eruit alsof het van glas was, en dat droeg hij op zijn rug. Het andere was het zwaard van de Boomdoder, koning Laman, dat hij aan zijn middel droeg. Dat had hij bij zich vanwege haar. Dwaze man.
Aviendha hief haar hand naar hem op, en hij hief zijn hand naar haar. Dat zou hun enige afscheid zijn als hij faalde in zijn taak of als zij sneuvelde tijdens de hare. Na nog een laatste blik wendde ze zich van hem af en richtte zich weer op haar plicht.
Twee van haar Aes Sedai hadden zich gekoppeld en een Poort gemaakt waardoor de zwaardhanden de gevangenen in veiligheid konden brengen. Velen van hen kwamen niet zelf in beweging maar lieten zich struikelend meevoeren, met ogen die bijna net zo doods waren als die van de Schaduwsmeden.
‘Kijk ook binnen,’ zei Aviendha, gebarend naar een paar zwaardhanden. Ze stormden de smederij in, gevolgd door Aes Sedai. Wevingen van de Ene Kracht deden het gebouw beven toen ze nog meer Schaduwsmeden aantroffen, en de twee Asha’man gingen ook snel naar binnen.
Aviendha tuurde door de vallei. De strijd was grimmiger geworden. Er was nu meer Schaduwgebroed bij de doorgang die de vallei uit leidde. Ze hadden meer tijd gehad om zich voor te bereiden en op te stellen. Ituralde leidde zijn groep Tyreners achter de Aiel aan naar binnen om de delen van de vallei veilig te stellen die al waren ingenomen.
Geduld, dacht Aviendha. Haar taak was niet om zich aan te sluiten bij de strijd verderop, maar om Rhand rugdekking te bieden als hij de berg beklom en de Doemkrocht in ging.
Ze had één zorg: konden de Verzakers niet gewoon rechtstreeks de grot in Reizen? Rhand scheen zich daar geen zorgen om te maken, maar hij werd dan ook erg in beslag genomen door wat hij moest doen. Misschien moest ze naar hem toe gaan en...