Выбрать главу

Ze fronste en keek omhoog. Wat was dat voor een schaduw?

Hoog boven haar scheen de zon in een turbulente hemel. Een paar stormwolken, sommige pikzwart, andere helwit, dreven over. Maar er was niet plotseling een wolk voor de zon gegleden. Er was iets massiefs en zwarts boven hen verschenen.

Aviendha voelde een huivering en begon te beven toen het licht verdween. Het werd donker, echt donker.

Soldaten overal op het slagveld keken vol ontzag en angst omhoog. Het licht ging uit. Het einde van de wereld was gekomen.

Plotseling werd er geleid aan de andere kant van de brede vallei. Aviendha draaide zich met een ruk om en schudde haar ontzag van zich af. De grond om haar heen lag bezaaid met gescheurde kledingstukken, gevallen wapens en lijken. Alle gevechten vonden plaats bij de ingang van de vallei, ver bij haar vandaan, waar de Aiel probeerden het Schaduwgebroed in de pas terug te dringen.

Hoewel Aviendha niet veel kon zien in de duisternis, zag ze wel dat soldaten naar de hemel stonden te staren. Zelfs de Trolloks leken met stomheid geslagen. Maar toen begon de massieve duisternis op te schuiven en werd eerst een randje van de zon en vervolgens de hele zon onthuld. Licht! Dit was nog niet het einde.

De strijd bij de ingang van de vallei werd hervat, maar de mensen daar hadden het overduidelijk moeilijk. Zorgen dat de Trolloks zich terugtrokken door zo’n nauwe doorgang was net alsof je een paard achterwaarts door een smalle spleet in een muur probeerde te krijgen. Het was haast onmogelijk.

‘Daar!’ riep Aviendha, wijzend naar de zijkant van de vallei, achter de Aiel. ‘Ik voel een vrouw geleiden.’

‘I.icht, ze is sterk,’ zei Beldeine ademloos.

‘Cirkel!’ beval Aviendha. ‘Nu!’

De anderen koppelden zich en gaven Aviendha de leiding over de cirkel. Ze werd vervuld van kracht, onvoorstelbare kracht. Het leek wel een ademteug waarmee ze gewoon kon doorgaan, om nog meer lucht naar binnen te halen, zichzelf ermee te vullen, te vergroten, vol te zuigen. Ze was een onweersstorm, een gigantische zee van de Ene Kracht.

Ze duwde haar handen naar voren en schoot een ruwe weving af, lechts half gevormd. Ze had bijna te veel kracht om vorm te geven. Lucht en Vuur spoten uit haar handen, een zuil zo breed als een man met uitgestoken armen. Het vuur brandde fel, dicht en heet, bijna als een straal vloeistof. Het was geen lotsvuur – zo dom was ze niet- maar toch gevaarlijk. De Luchtweving omhulde het vuur en balde het samen tot een geconcentreerde, vernietigende massa.

De zuil schoot over het slagveld, smolt de rotsige ondergrond en zette lijken in brand. Een reusachtige wolk mist verdween met een luid gesis. De grond beefde toen de zuil zich in de wand van de vallei boorde waar de vijandelijke geleider – Aviendha kon alleen maar aannemen dat het een Verzaker was, afgaande op haar kracht – de achterhoede van de Aiel had aangevallen.

Aviendha liet de weving los en voelde een laagje zweet op haar huid. Een smeulende pilaar van zwarte rook rees op van de helling. Gesmolten steen druppelde omlaag. Ze bleef heel stil staan, wachtend, waakzaam. De Ene Kracht binnen in haar begon te kronkelen, alsof hij aan haar probeerde te ontkomen. Kwam dat doordat een deel van de kracht die ze gebruikte van mannen afkomstig was? Nooit eerder had ze het gevoel gekregen dat de Ene Kracht haar wilde vernietigen.

Ze kreeg slechts een korte waarschuwing: iemand geleidde koortsachtig aan de andere kant van de vallei, en daarna volgde er een verschrikkelijke windvlaag.

Aviendha hakte de wind doormidden met een onzichtbare weving zo groot als een hoge boom. Ze volgde met nog een uitbarsting van Vuur, maar deze keer beheerster. Nee, ze durfde geen lotsvuur te gebruiken. Rhand had haar gewaarschuwd. Lotsvuur kon de Bres wijder maken, de structuur van de werkelijkheid doorbreken op een plek waar het membraam al dun was.

Haar vijand had die beperking niet. De volgende aanval van de vrouw kwam aan als een withete straal die op een vingerbreedte van Aviendha’s hoofd door de lucht boorde en de muur van de oven achter haar raakte. Het lotsvuur hakte een groot stuk metselwerk uit de muur en het gebouw stortte met donderend geraas in.

Opgeruimd staat netjes, dacht Aviendha, die op de grond dook. ‘Verspreiden!’ beval ze de anderen. ‘Geef haar geen makkelijke doelwitten!’ Ze geleidde en liet de lucht wervelen om hen in een storm van stof en gruis te hullen. Toen gebruikte ze een weving om te verhullen dat ze de Ene Kracht vasthield en om zich te verbergen voor de vijand. Ze schuifelde ineengedoken naar de dekking van een berg metaalslakken en stukken ijzer die lag te wachten om te worden omgesmolten.

Er sloeg weer lotsvuur in, deze keer op de rotsige grond waar ze net nog had gestaan. Het doorboorde het steen met hetzelfde gemak als waarmee een speer door een meloen ging. Aviendha’s metgezellen hadden allemaal dekking gezocht en bleven haar voeden met hun kracht. Het was zovéél. Het leidde haar bijna af.

Ze probeerde te beoordelen waar de aanvallen vandaan kwamen. ‘Hou je klaar om te volgen,’ zei ze tegen de anderen, en toen maakte ze een Poort naar het punt waar de weving was begonnen. ‘Kom achter me aan, maar zoek meteen dekking!’

Aviendha sprong met ruisende rokken door de Poort, de Ene Kracht beheerst als een ingehouden donderslag. Ze landde op een helling die uitkeek over het slagveld. Beneden vochten Speervrouwen en mannen tegen Trolloks, en het leek wel alsof de Aiel een reusachtige zwarte vloedgolf tegenhielden.

Aviendha nam niet de tijd voor meer dan een snelle blik. Ze groef in de grond met een basisweving van Aarde en scheurde er een stuk steen zo groot als een paard uit, dat ze de lucht in tilde. De straal die een tel later op haar af kwam, raakte dat rotsblok.

Lotsvuur was een gevaarlijke speer. Soms was het als een mes, maar als het een specifiek iets raakte – een persoon, bijvoorbeeld – verdween dat geheel, in een flits. Het lotsvuur brandde Aviendha’s stuk steen in een oogwenk weg, en er bleven alleen gloeiende stofdeeltjes achter die ook snel verdwenen. Achter haar sprongen de mannen en vrouwen van haar cirkel door de Poort en zochten dekking.

Aviendha had amper tijd om te zien dat er verderop barsten in de rotsen waren verschenen. Barsten die leken uit te komen op niets dan duisternis. Toen de lichtstraal voor Aviendha’s ogen vervaagde, schoot ze zelf een brandende zuil van vuur af. Deze keer raakte ze vlees en verbrandde een slanke vrouw met een koperkleurige huid, gekleed in een rood gewaad. Twee andere vrouwen verderop vloekten en gingen ervandoor. Aviendha viel de anderen ook aan.

Een van de twee – de sterkste – maakte met zoveel vaardigheid en lichtheid een weving dat Aviendha het met haar blik nauwelijks kon volgen. De weving kwam omhoog voor haar zuil van vuur, wat leidde tot een ontploffing van verzengend hete stoom. Aviendha’s vuur werd gedoofd en ze zoog haar adem naar binnen toen ze er tijdelijk door verblind werd.

Het strijdinstinct nam het over. Verborgen door de stoomwolk liet ze zich op haar knieën vallen en rolde opzij, terwijl ze onderweg een handvol stenen pakte en die van zich af smeet om de vijand te misleiden.

Het werkte. Terwijl ze tranen uit haar ogen wegknipperde schoot er een withete lichtstraal naar het geluid van de vallende stenen toe.Die donkere barsten breidden zich uit.

Aviendha blies de stoom weg met een weving van Lucht terwijl ze nog altijd tranen wegknipperde. Ze kon goed genoeg zien om twee zwarte gedaanten te ontwaren die verderop ineengedoken op de rotsen zaten. Een van hen draaide zich naar haar toe, slaakte een kreet toen ze de aanvalswevingen zag die Aviendha maakte en verdwéén.

Er was geen Poort gemaakt. Die vrouw leek zich gewoon in zichzelf op te vouwen, en Aviendha voelde niemand geleiden. Ze voelde wel iets anders, een vaag... iéts. Een trilling in de lucht die niet helemaal fysiek was.

‘Nee!’ riep de tweede vrouw, die Aviendha door haar betraande ogen wazig zag. ‘Niet...’