Выбрать главу

‘Wil je dat een van ons leidt,’ vroeg Moiraine aarzelend, ‘zodat je hem veilig kunt gebruiken?’

Ik zit niet in over mijn eigen veiligheid,’ antwoordde Rhand. ‘Een cirkel, alsjeblieft.’

De iwee vrouwen wisselden een blik. Zolang hij de cirkel leidde, kon iemand anders proberen de macht over hem te grijpen. Het was duidelijk dat ze geen van beiden ingenomen waren met zijn verzoek. Hij wist niet zeker of hij blij moest zijn dat die twee elkaar aardig begonnen te vinden. Misschien moest hij zich in plaats daarvan zorgen maken dat ze zich samen tegen hem zouden verzetten.

Maar dat leek hem een gedachte voor een andere dag. Een ontspannen dag. Hij glimlachte droogjes, maar hij wist dat die glimlach zijn ogen niet bereikte.

Moiraine en Nynaeve gaven hem hun kracht, en hij aanvaardde die. Thom kuste Moiraine, en toen draaiden ze zich alle drie om naar de ingang die voor hen lag. De gang leidde omlaag naar de voet van de berg en de vuurkrocht, die op deze wereld het dichtst in de buurt kwam van de verblijfplaats van de Duistere.

Schaduwen van een teruggekeerde zon maakten de grotopening om Rhand heen donkerder. De wind trok aan hem, zijn voet voelde warm van zijn eigen bloed. Ik kom die krocht niet meer levend uit, dacht hij.

Hij maalde er niet langer om. Overleven was niet zijn doel. Dat was het al een tijdje niet meer.

Hij wilde dit goed doen. Hij móést dit goed doen. Was dit de juiste tijd? Had hij dit goed genoeg voorbereid?

HET IS TIJD. BRENG DE TAAK TEN UITVOER.

De stem sprak met de onvermijdelijkheid van een aardbeving, en de woorden trilden door zijn hele lijf. Meer dan geluid in de lucht, veel meer, spraken die woorden van de ene ziel tot de andere. Moiraine slaakte een kreet en zette grote ogen op.

Rhand was niet verbaasd. Hij had die stem één keer eerder gehoord en besefte dat hij hem had verwacht. Erop had gehoopt, althans.

‘Dank je,’ fluisterde Rhand. Toen hij het rijk van de Duistere binnenstapte, liet hij voetsporen van bloed achter.

24

De voortekenen negeren

Fortuona, Keizerin van het Seanchaanse rijk, bekeek haar echtgenoot onderzoekend terwijl hij bevelen gaf aan hun legers. Ze stonden opgesteld bij het paleis in Ebo Dar, en zijzelf zat op een druk versierde troon, die aan de onderzijde was voorzien van palen zodat hij kon worden gedragen door een dozijn soldaten.

Ze zag er indrukwekkend uit op die troon, maar wekte ook de schijn van onbeweeglijkheid. Een huurmoordenaar zou denken dat ze belemmerd werd door haar lange zijden gewaad, dat aan de voorkant in vele lagen geplooid was. Hij zou behoorlijk op zijn neus kijken als hij ontdekte dat de Keizerin zich met één polsbeweging van die bovenkleding kon ontdoen.

‘Hij is veranderd, Grootste,’ zei Beslan tegen haar. ‘En toch ook weer niet. Ik weet niet meer wat ik van hem moet denken.’

‘Hij is wat het Rad ons heeft gestuurd,’ antwoordde Fortuona. ‘Heb je al overwogen wat je gaat doen?’

Beslan hield zijn blik naar voren gericht. Hij was onstuimig en liet zich vaak leiden door zijn gevoel, maar niet meer dan de andere Altaranen. Het was een hartstochtelijk volk, en ze vormden een goede toevoeging aan het Rijk nu ze fatsoenlijk waren getemd.

‘Ik zal doen wat is voorgesteld,’ antwoordde Beslan met een blos op zijn wangen.

Verstandig,’ zei Fortuona.

Moge de troon eeuwig standhouden,’ zei Beslan. ‘En moge u even lang leven, Grootste.’ Hij maakte een buiging en trok zich terug om te gaan doen wat hij moest doen. Fortuona kon wel ten strijde trekken, maar deze landen stonden onder Beslans beheer. Hij wilde heel graag deel uitmaken van de strijd, maar nu begreep hij dat hij hier nodig was.

Selucia keek hem na en knikte goedkeurend. Dat wordt een sterk hulpmiddel als hij de gepaste zelfbeheersing leert, gebaarde ze.

Fortuona zei niets. Selucia’s gebaren droegen nog een andere betekenis, die Fortuona zou zijn ontgaan als ze elkaar niet al zo lang hadden gekend. Beslan leerde inderdaad snel. Maar andere mannen...

Mart, die een eindje verderop in gesprek was met de Seanchaanse bevelvoerders, begon ineens ontzettend te vloeken. Ze had niet helemaal meegekregen waar hij kwaad om was. Wat had ze zich in haar hoofd gehaald toen ze zich aan hem verbond?

Ik heb de voortekenen gevolgd, dacht ze.

Ze zag hem kort naar haar kijken voordat hij verderging met tieren. Hij zou zelfbeheersing moeten leren, maar dat onderwijs... het zou lastig worden. Veel lastiger dan het bij Beslan was geweest.

Selucia sprak haar veroordelingen in ieder geval niet hardop uit. Die vrouw was nu Fortuona’s Waarheidsspreker, hoewel Fortuona aanvoelde dat Selucia daar ongelukkig over was. Ze was liever alleen Fortuona’s Stem gebleven. Misschien zouden de voortekenen iemand anders aanwijzen die geschikt was als Fortuona’s Waarheidsspreker.

Gaan we echt doen wat hij zegt? gebaarde Selucia.

De wereld is een chaos, gebaarde Fortuona terug. Geen rechtstreeks antwoord. Ze wilde op het ogenblik geen rechtstreekse antwoorden geven. Selucia zou wel uitknobbelen wat ze bedoelde.

De Seanchanen zeiden altijd ‘moge zij eeuwig leven’ als ze over de Keizerin spraken. Voor sommigen was het een gemeenplaats of eenvoudigweg een uiting van trouw. Fortuona had er altijd veel meer in gezien. Die frase vatte de kracht van het rijk samen. Een keizerin moest sluw, sterk en vaardig zijn als ze wilde overleven. Alleen de sterksten verdienden het om op de Kristallen Troon te zitten. Als een van haar broers of zussen, of een lid van het Hoge Bloed zoals Galgan, het voor elkaar kreeg om haar te vermoorden, dan diende ook haar dood het Rijk, want dan was ze overduidelijk te zwak geweest om het te besturen.

Moge ze eeuwig leven. Moge ze sterk genoeg zijn om eeuwig te leven. Moge ze sterk genoeg zijn om ons naar de overwinning te leiden. Ze zóu orde scheppen in deze wereld. Dat was haar doel.

Martrim beende over het verzamelterrein van het leger, tien passen voor Fortuona’s troon langs. Hij droeg het uniform van een keizerlijke hoge generaal, maar hij was niet op zijn gemak. Hij bleef maar overal achter hangen met die schouderstukken. De uitdossing van een hoge generaal was bedoeld om de drager gezag te verlenen, zijn soepelheid te benadrukken als de stof mee waaierde met zijn weloverwogen bewegingen. Bij Martrim was het net alsof er een renpaard in zijde was gewikkeld en daarmee moest galopperen. Hij had wel iets soepels, maar niet de sierlijkheid van het hof.

Lagere bevelvoerders liepen achter hem aan. Het Bloed begreep niets van Martrim. Dat was goed, want het hield hen uit hun evenwicht. Maar hij vertegenwoordigde ook de wanorde, met zijn grillige gewoonten en doorlopende verzet tegen gezag. Fortuona vertegenwoordigde de orde, en ze was met de chaos zélf getrouwd. Wat had ze zich toch in haar hoofd gehaald?

‘Maar hoe zit het met het Zeevolk, Hoogheid?’ vroeg generaal Yulan, die naast Martrim voor Fortuona bleef staan.

‘Maak je toch niet steeds zo druk om dat stomme Zeevolk,’ snauwde Martrim. ‘Als ik je nog één keer “Zeevolk” hoor zeggen, hang ik je aan je teennagels op aan die raken waar jullie op vliegen en stuur je naar Shara.’

Yulan leek onthutst. ‘Hoogheid, ik...’

Hij liet zijn stem wegsterven toen Mart riep: ‘Savara, we zetten in met paalwapens, niet met ruiters, stomme geitenmelker! Het kan me niet schélen of de cavalerie denkt dat zij het beter kunnen. Dat denkt de cavalerie altijd! Ben je soms een verrekte Tyreense Hoogvrouwe? Nou, ik benoem je tot ere-Hoogvrouwe als je zo doorgaat!’

Martrim draafde naar Savara toe, die met over elkaar geslagen armen en een uitdrukking van ongenoegen op haar donkere gezicht te paard zat.

Yulan, die was achtergebleven, leek met stomheid geslagen. ‘Hoe hang je iemand op aan zijn teennagels?’ vroeg Yulan, zo zachtjes dat Fortuona het amper hoorde. ‘Volgens mij is dat niet mogelijk. Dan zouden je nagels afbreken.’ Hij draafde hoofdschuddend weg.