Galgan was verderop tot stilstand gekomen om een boodschapper aan te horen, ongetwijfeld met een gelijksoortig verslag. De generaal keek naar haar.
‘We moeten ernaartoe om Egwenes aftocht te ondersteunen,’ zei Knotai. ‘Ik weet niet wat een Stafhouder is, maar door hoe iedereen ineens doet krijg ik de indruk dat ik de leiding heb over de legers.’ ‘Nee,’ antwoordde Fortuona. ‘Jij bent derde. Na mij. Na Galgan.’
‘Dan kun jij nu meteen het bevel geven om te vertrekken,’ zei Knotai. ‘We moeten gaan! Egwene wordt in de pan gehakt.’
‘Hoeveel marath’damane zijn daar?’ vroeg Fortuona.
‘We hebben dat leger in de gaten gehouden,’ antwoordde Yulan. ‘Het zijn er honderden. De gehele Witte Toren, of wat ervan rest. Ze zijn uitgeput en worden opgejaagd door een onbekend leger.’ ‘Tuon...’ waarschuwde Mart.
Grote veranderingen. Dus dit was de betekenis van het voorteken van de Draak. Fortuona kon hier gebruik van maken, en dan zouden al die damane van haar zijn. Honderden en nog eens honderden damane. Met zo’n leger zou ze het verzet tegen haar bewind in Seanchan de kop in kunnen drukken.
Dit was de Laatste Slag. Er hing zoveel af van haar beslissingen. Was het echt het beste om die marath’damane te ondersteunen bij hun wanhopige strijd hier, of kon ze zich beter terugtrekken naar Seanchan om haar bewind daar veilig te stellen, en dan de Trolloks en de Schaduw verslaan met de macht van het Keizerrijk?
‘Je hebt je woord gegeven,’ zei Knotai zacht.
‘Ik heb een verdrag getekend,’ zei ze. ‘Elk verdrag kan worden verbroken, vooral door de Keizerin.’
‘Sommige keizerinnen zouden dat misschien kunnen,’ zei Knotai. Maar jij niet, toch? Licht, Tuon. Je hebt hem je wóórd gegeven.’
Orde aan de ene kant – iets bekends, iets wat ze kon meten – en chaos aan de andere kant. Chaos in de vorm van een eenogige man die het gezicht van Artur Haviksvleugel kende.
Had ze niet net nog tegen Selucia gezegd dat ze op hem zou wedden?
‘De Keizerin kan niet aan woorden op papier worden gebonden,’ zei Fortuona. ‘Maar... in dit geval blijft de reden dat ik dat verdrag heb ondertekend overeind. We zullen deze wereld beschermen in zijn duisterste dagen, en we zullen de Schaduw met wortel en al uitrukken. Generaal Galgan, verplaats uw troepen om die marath’damane te beschermen. We zullen hun hulp nodig hebben in de strijd tegen de Schaduw.’
Knotai ontspande zich. ‘Mooi. Yulan, Galgan, kom, we moeten voorbereidingen treffen! En laat die vrouw komen, Tylee. Volgens mij is zij hier de enige generaal met een hoofd op haar schouders. En...’
Hij praatte door terwijl hij wegreed en gaf bevelen die hij eigenlijk aan Galgan had moeten overlaten.
Galgan bekeek haar vanaf de rug van zijn paard met een onpeilbare blik. Hij zou dit vast opvatten als een ernstige fout, maar zij... zij had de voortekenen aan haar kant staan.
Die verschrikkelijke zwarte wolken begeleidden Lan al veel te lang. Hij was het echt beu om ze elke dag te zien. Ze strekten zich in alle richtingen eindeloos uit, rommelend met een gedonder als het gegrom van de maag van een hongerig beest.
‘De wolken lijken vandaag lager te hangen,’ zei Andère, die naast Lan meereed. ‘De bliksems raken de grond. Dat gebeurt niet iedere dag.’
Lan knikte. Andère had gelijk. Het zag er slecht uit. Maar dat veranderde niets. Agelmar had deze plek uitgekozen voor hun strijd, bij de rivier die kolkend langs hun westelijke flank stroomde, zodat ze aan die kant beschermd zouden zijn. Nabijgelegen heuvels verschaften plaats aan boogschutters, en op een van die heuvels stonden Lan en Andère nu te wachten.
Voor hen verzamelden de Trolloks zich voor een aanval. Ze zouden snel komen. Agelmar had zware cavalerie in de valleien opgesteld om de flanken te bestoken zodra de Trolloks aanvielen. Lichte cavalerie stond achter de heuvels klaar om de zware cavalerie te helpen bij hun aftocht als de tijd daar was. Agelmar bleef maar mopperen dat hij geen piekeniers had, hoewel het gebrek aan voetsoldaten juist hun geslaagde aftocht mogelijk had gemaakt.
Voor zover we er wat aan hebben, dacht Lan somber terwijl hij de bijna eindeloze zee van Trolloks overzag. Zijn mannen hadden hun veldslagen zorgvuldig gekozen, hadden tienduizenden vijanden gedood en zelf slechts een paar duizend man verspeeld. Shienar was platgebrand en zou de Trolloks niet steunen bij hun opmars, het leek wel alsof het allemaal niet had uitgemaakt.
Ze verloren deze strijd. Ja, ze hadden de Trolloks opgehouden, maar niet goed genoeg en niet lang genoeg. Straks zouden ze in de val zitten zonder hulp van Elaynes leger, dat net zo zwaar onder druk stond.
De hemel betrok. Lan keek met een ruk omhoog. Die wolken waren er nog steeds, maar ze werden onheilspellender. Het land was in diepe schaduwen gehuld.
‘Verdomme,’ zei Andère, die ook omhoogkeek. ‘Heeft de Duistere de zon soms opgeslokt? We zullen lantaarns mee het gevecht in moeten dragen, ook al is het midden op de dag.’
Lan legde zijn hand op zijn borstplaat. Onder het pantser rustte Nynaeves brief op zijn hart. Licht! Ik hoop dat haar strijd beter verloopt dan de mijne. Eerder vandaag waren Rhand en zij de Doemkrocht binnengegaan.
Overal op het slagveld stuurden vermoeide geleiders, die hun blik losmaakten van de angstaanjagend donkere hemel, lichten de lucht in. Het hielp niet veel, maar het zou moeten voldoen. Maar toen trok de duisternis zich terug en werd het weer licht, hoewel het zoals gewoonlijk bewolkt bleef.
‘Verzamel de Hoge Wacht van Malkier,’ zei Lan. Zo noemden zijn beschermers zichzelf. Het was een oude Malkierse term voor de slag-veldwachters van de koning. Lan wist niet goed wat hij ervan moest denken dat prins Kaisel, een Kandori, zichzelf als lid daarvan beschouwde.
Veel van Lans Malkieri hadden maar heel weinig echt Malkiers Moed. Ze waren voornamelijk naar hem toe gekomen om hem eer te bewijzen. De prins was een andere zaak. Lan had hem en zijn metgezellen gevraagd of ze wel trouw moesten zweren aan een buitenlandse koning, hoe vriendschappelijk die ook was.
Het enige antwoord dat hij had gekregen was: ‘Malkier vertegenwoordigt de Grenslanden in deze oorlog, Dai Shan.’
Er schoot een bliksemflits omlaag, en de luchtdruk raakte Lan als iets lichamelijks. Mandarb verroerde geen spier. Het dier begon gewend te raken aan dergelijke inslagen. De Hoge Wacht verzamelde zich en Andère pakte Lans banier, die hij in de houder aan zijn zadel zette, zodat hij hem mee kon dragen en tegelijkertijd zijn handen vrij had voor zijn zwaard.
Hun bevelen kwamen van Agelmar. Lan en zijn mannen zouden midden m het gewoel zitten. Als de Trolloks eenmaal aanvielen, zou de zware cavalerie de flanken bestoken om hun stootkracht te onderbreken. Lan en zijn mannen zouden de schepsels dan frontaal aanvallen.
Zoals Lan het het liefst had. Agelmar wist wel beter dan pogingen te doen om hem te ontzien. Lan en zijn troepen zouden het middenterrein voor de heuvels verdedigen en de Trolloks dwingen zodanig te vechten dat de boogschutters het ene na het andere salvo op hun achterhoede af konden sturen. Andere soldaten zouden voornamelijk achter de hand worden gehouden om te voorkomen dat de vijand om hun rechterflank heen kwam. De rivier bevond zich links van hen, en die vormde een natuurlijk afweermiddel tegen de Trolloks. Een goede strategie, als een strategie tegen zo’n overstelpende overmacht nog goed genoemd kon worden. Toch maakte Agelmar voor zover Lan kon zien geen fouten. Hij klaagde de laatste tijd wel over nachtmerries, maar gezien de omstandigheden zou Lan zich meer zorgen hebben gemaakt als de man niét over oorlog en geweld droomde.
De Trolloks kwamen in beweging.
‘Voorwaarts!’ riep Lan toen de trompetten door de lucht schalden, vergezeld door donderslagen boven hen.
Een stukje bij de muren van Cairhien vandaan reed Elayne op Maanschaduw langs het front. Het leger had zich opgesteld volgens Basheres strategieën, maar ze was ongerust.
Het was hen gelukt. Een snelle tocht stroomopwaarts over de weg om vóór het Trollok-leger bij Cairhien te zijn. Elayne had haar troepen aan de uiterste noordkant van Cairhien gezet om het Trollok-leger op te vangen dat uit die richting aankwam. Ze had ook een paar draken en een groep boogschutters stroomafwaarts achtergelaten om Trolloks te ontmoedigen die daar probeerden de rivier over te steken. Haar mensen zouden zich snel naar het noorden terugtrekken als het onmogelijk werd om de vijand het oversteken te beletten.