Eerst het leger voor hen verslaan, en dan omkeren en het opnemen tegen het leger achter hen. Het was hun enige mogelijkheid. De Kinsvrouwen waren uitgeput doordat Elayne veel Poorten nodig had gehad om haar manschappen te verplaatsen. Hun vermoeidheid betekende dat Elayne bij dit gevecht geen geleiders zou hebben. De vrouwen zouden al moeite genoeg hebben om kleine Poorten naar Mayene te maken, zodat de gewonden konden worden overgebracht voor Heling.
Elaynes leger was iets groter dan dat van het Schaduwgebroed, maar haar mannen waren doodop. Te midden van de spanning van de komende strijd hingen sommigen onderuitgezakt in hun gelederen, met hun paalwapens slap in de hand. Degenen die nog met rechte rug stonden, hadden rode ogen. Maar ze hadden Aludra’s draken nog. Dat zou genoeg moeten zijn.
Elayne had de afgelopen nacht niet geslapen. Ze had die tijd besteed aan zoeken naar woorden om de mannen moed te geven, naar iets betekenisvols wat ze vandaag kon zeggen. Wat kon je nog zeggen wanneer alles ten einde kwam?
Ze hield Maanschaduw in voor aan de rij Andoraanse soldaten. Haar woorden zouden middels wevingen worden doorgegeven aan de rest van het leger. Elayne was verbaasd te zien dat enkele Aiel dichterbij kwamen om te luisteren. Ze had niet gedacht dat zij iets om de woorden van een natlanderkoningin zouden geven.
Toen ze haar mond opende om te spreken, verdween de zon.
Elayne verstijfde en keek geschrokken omhoog. De wolken boven hen waren uiteengedreven – dat gebeurde vaak als zij ergens was, het was een van de uitingen van haar binding met Rhand – en dus had ze een heldere hemel en daglicht verwacht voor deze strijd.
De zon scheen nog steeds, maar hij werd verhuld. Er rolde iets massiefs en donkers voor.
Overal in het leger keken mannen omhoog, wezen naar de lucht terwijl ze werden opgeslokt in duisternis. Licht! Elayne spande al haar spieren om niet te gaan beven.
Ze hoorde geroep van het leger opstijgen. Gejammer, zorgen, kreten van wanhoop. Elayne schraapte haar moed bijeen en dreef haar paard naar voren.
‘Dit is de plek,’ begon ze, en ze versterkte haar stem met de Ene Kracht zodat die over het veld werd gedragen, ‘waar ik jullie beloof dat we zullen winnen. Dit is de plek waar ik jullie vertel dat de wereld zal doorgaan, dat het land zich zal herstellen. Dit is de tijd dat ik jullie beloof dat het licht zal terugkeren, dat de hoop zal overleven, dat wij zullen overleven.’
Ze zweeg even. Achter het leger stonden mensen op de stadsmuren van Cairhien: vrouwen, kinderen en oude mensen. Ze waren gewapend met keukenmessen en pannen, allerlei dingen waarmee ze zouden gooien als de Trolloks het leger versloegen en op de stad af kwamen. Er was nauwelijks tijd geweest om contact met hen te zoeken, e n slechts een heel klein groepje soldaten bewaakte de stad. De figuurtjes daar krompen ineen terwijl de duisternis de hemel opvrat.
Die muren boden een schijnveiligheid. Ze zouden weinig uithalen als de vijand Gruwheren bij zich had. Elayne moest het Trollok-leger snel verslaan, zorgen dat ze zich niet zouden ingraven om te wachten op versterking van het grotere leger dat vanuit het zuiden naderde.
‘Ik moet jullie eigenlijk geruststellen,’ riep Elayne de mannen toe. ‘Maar dat kan ik niet! Ik zal jullie niét vertellen dat het land het zal overleven, dat het Licht zal standhouden. Dan zou ik onze verantwoordelijkheid van de hand wijzen.
Dit is onze plicht! Ons bloed zal vandaag worden vergoten. We zijn hier gekomen om te strijden. Als we dat niet doen, dan zal het land sterven! Het Licht zal ten prooi vallen aan de Schaduw. Dit is geen dag voor loze beloften. Ons bloed! Ons bloed is het vuur binnen in ons. Vandaag moet ons bloed ons opzwepen om de Schaduw te verslaan.’
Ze wendde haar paard. De mannen hadden hun blik afgewend van de duisternis boven hen en keken weer naar haar. Ze weefde een licht hoog in de lucht boven haar.
‘Ons bloed is onze hartstocht,’ riep ze. ‘Ik hoor mijn soldaten te veel over verdedigen praten. We kunnen ons niet alleen maar verdedigen! We moeten ze laten zien hoe woedend we zijn, hoe razend, om wat ze hebben gedaan. Alleen verdedigen is niet genoeg. Vandaag moeten we verniétigen.
Ons bloed is ons land. Deze plek is van ons, en wij eisen hem op! Voor onze vaders en moeders, voor onze kinderen.
Ons bloed is ons leven. We zijn hier gekomen om het te geven. Overal ter wereld worden andere legers achteruitgedreven. Wij zullen ons niet terugtrekken. Onze taak is om ons bloed te geven, te sterven, en op te rukken. We blijven niet stilstaan, nee!
Als we het Licht terug willen, moeten we het ons toe-eigenen! We moeten het opeisen en de Schaduw verjagen! Hij probeert jullie te laten wanhopen, want dan wint hij deze strijd al voordat hij begonnen is. Die voldoening gunnen we hem niet! We vernietigen dat leger dat voor ons staat, en dan het leger achter ons. En daarna brengen we ons bloed – ons leven, ons vuur, onze hartstocht – naar de anderen die strijden. Van daaruit verspreidt het zich naar de overwinning en het Licht!’
Ze wist echt niet wat voor reactie ze kon verwachten van een toespraak op een slagveld. Ze had alle grote toespraken gelezen, vooral die van koninginnen van Andor. In haar jeugd had ze verwacht dat de soldaten zouden klappen en juichen; de reactie die een speelman kreeg in een ruige taveerne.
In plaats daarvan hieven de mannen de wapens naar haar. Ze trokken zwaarden, hieven pieken en bonkten daarmee op de grond. De Aiel juichten hier en daar, maar de Andoranen keken met ernstige ogen naar haar. Haar redevoering had hen niet geïnspireerd tot opwinding, maar tot vastberadenheid. Dat leek haar een eerlijker gevoel. Ze negeerden de duisternis in de lucht en richtten hun blik op hun doel.
Birgitte kwam naast haar paard staan. ‘Dat was best goed, Elayne. Wanneer heb je het veranderd?’
Elayne bloosde, denkend aan de zorgvuldig voorbereide toespraak die ze gisteravond uit haar hoofd had geleerd en zeker zes keer aan Birgitte had voorgedragen om te oefenen. Het was een schitterende redevoering geweest, met verwijzingen naar gezegden van koninginnen door de eeuwen heen.
Ze was er elk woord van vergeten zodra die duisternis was verschenen. En in plaats daarvan was dit over haar lippen gekomen.
‘Kom mee,’ zei Elayne, kijkend over haar schouder. Het Trollok-leger kwam tegenover dat van haar aan. ‘Ik moet naar mijn plaats.’
‘Naar je plaats?’ vroeg Birgitte. ‘Je bedoelt dat je terug moet naar de bevelstent.’
‘Daar ga ik niet heen,’ zei Elayne, die Maanschaduw wendde.
‘Bloed en bloedas! Niét? Ik...’
‘Birgitte,’ snauwde Elayne. ‘Ik heb het bevel, en jij bent mijn soldaat. Gehóórzaam.’
Birgitte kromp ineen alsof ze een klap had gekregen.
‘Bashere heeft de bevelstent,’ vervolgde Elayne. ‘Ik ben een van de weinige geleiders met enige kracht die dit leger nog heeft, en ik mag hangen als ik ga zitten afwachten tot het gevecht afgelopen is. Ik ben met gemak duizend soldaten waard op dit slagveld.’
‘De kindertjes...’
‘Zelfs als Min dat visioen niet had gehad, zou ik nóg willen meevechten. Denk je dat de kinderen van die soldaten geen gevaar lopen? Wie ervan staan op de muren van die stad! Als wij hier falen, worden zij afgeslacht. Nee, ik breng mezelf niet buiten gevaar, en ik ga niet zitten wachten. Als je denkt dat het je plicht als mijn zwaardhand is om me tegen te houden, dan verbreek ik die verrekte binding hier en nu en stuur je naar iemand anders! Ik ga niet tijdens de Laatste Slag ergens op een stoel zitten en geitenmelk drinken!’
Birgitte zweeg, en Elayne voelde haar schrik door de binding. ‘Licht,’ zei de vrouw uiteindelijk. ‘Ik zal je niet tegenhouden. Maar wil je dan op z’n minst een stukje achteruitgaan voor de eerste salvo’s pijlen? Je kunt de gelederen beter helpen nadat ze de vijand verzwakt hebben.