Elayne liet zich door Birgitte en haar wachters naar een heuvel vlak bij Aludra’s draken leiden. Talmanes, Aludra en de drakenbedieners wachtten daar met meer spanning en gretigheid dan de gewone soldaten. Zij waren ook moe, maar ze hadden weinig kunnen doen tijdens de gevechten in de bossen en de aftocht. Vandaag hadden zij de gelegenheid om te stralen.
Basheres strategie was ingewikkelder dan waar Elayne ooit eerder aan had meegewerkt. Het grootste deel van het leger stelde zich bijna een roede ten noorden van de stad op, achter de resten van de Voorpoort buiten de stadsmuren. De gelederen strekten zich oostwaarts uit vanaf de Alguenya, over een heuvel omlaag naar een toegangsweg naar de Jangaipoorten op de vlakte. Ze stonden helemaal tot aan de ruïnes van het hoofdkwartier van de Vuurwerkers.
Rijen voetsoldaten – voornamelijk Andoranen en Cairhienin, maar ook een aantal Geldaners en Witmantels – stonden in een halvemaan naast de voorhoede van Elaynes troepen opgesteld. Zes eskaders draken rolden achter de voetsoldaten aan naar de top van de heuvel.
De Trolloks zouden de stad niet bereiken zonder eerst dit leger te verslaan. Estean had de cavalerie van de Bond aan de ene flank gezet, terwijl de Mayeense Vleugelgarde de andere flank dekte. De rest van de ruiters werd nog achtergehouden.
Elayne wachtte geduldig en keek naar de voorbereidingen van het Trollok-leger. Haar grootste zorg was dat ze daar gewoon zouden blijven wachten tot de Trolloks uit het zuiden ook aankwamen en dan gelijktijdig zouden aanvallen. Gelukkig gebeurde dat niet. Ze hadden kennelijk het bevel gekregen om zo snel mogelijk de stad in te nemen.
Verslagen van Basheres verkenners wezen erop dat het tweede leger nog ongeveer op een dagtocht afstand was. Als ze opschoten, konden ze morgen aan het eind van de ochtend hier zijn. Elayne had dus tot die tijd om dit noordelijke leger te verslaan.
Kom op, dacht Elayne. Opschieten.
De Trolloks kwamen eindelijk naar voren. Bashere en Elayne rekenden erop dat ze hun gebruikelijke tactiek zouden toepassen: overstelpende aantallen en grof geweld. En inderdaad, de Trolloks kwamen massaal naar voren, ongetwijfeld met het doel de verdedigers onder de voet te lopen en hun gelederen uiteen te slaan.
Haar soldaten bleven standvastig en wisten wat er zou komen. De draken begonnen te brullen als honderd smidshamers die tegelijkertijd op een aambeeld sloegen. Elayne stond er zeker honderd passen bij vandaan, en toch had ze nog de neiging om haar handen over haar oren te slaan. Rollende wolken witte rook vulden de hemel boven de draken.
De eerste paar schoten kwamen niet ver genoeg, maar Aludra en haar mannen gebruikten die schoten om de hoek van de draken bij te stellen. Daarna kwamen de eieren tussen Trolloks terecht, scheurden gaten in hun gelederen en smeten ze de lucht in. Duizenden lichaamsdelen vielen op de met rood besmeurde grond. Voor het eerst werd Elayne bang van die wapens.
Licht, Birgitte had al die tijd gelijk, dacht Elayne, die zich voorstelde hoe het zou zijn om een versterkte positie te bestormen die was uitgerust met draken. Doorgaans kon een man in een veldslag op minstens één ding rekenen: dat zijn vaardigheid zou worden afgemeten tegen die van zijn vijand. Zwaard tegen zwaard. Trolloks waren al erg genoeg. Hoe zou het zijn als mannen het tegen dit soort geweld moesten opnemen?
We zullen zorgen dat dat niet gebeurt, hield ze zich voor. Het Licht zegene Rhand dat hij hun die vrede had opgedwongen.
De drakenbedieners hadden veel geoefend en konden de wapens nu indrukwekkend snel herladen. Iedere draak had al drie maal geschoten voordat de Trolloks hun voorhoede bereikten. Elayne had niet naar de uitwisseling van pijlen gekeken – ze was te zeer gericht geweest op de draken – maar ze zag wel dat enkele van haar soldaten waren doorboord met pijlen met zwarte veren en dat er mannen bloedend op de grond lagen.
De Trolloks dreunden boven op haar voorste rijen kruisboogschutters en piekeniers, die al achteruitgingen om plaats te maken voor hellebaardiers. Niemand gebruikte zwaarden en vlegels tegen Trolloks, althans niet op de grond, als het even kon.
‘Kom mee,’ zei Elayne, die Maanschaduw aanspoorde.
Birgitte volgde, en Elayne voelde haar schoorvoetende gelatenheid, Ze gingen langs enkele reservetroepen de heuvel af en sloten zich bij de strijd aan.
Rodel Ituralde was bijna vergeten hoe het voelde om de beschikking te hebben over toereikende middelen.
Voor het eerst in jaren had hij soldatenlegioenen en volledige eskaders boogschutters. Voor één keer waren zijn mannen niet half uitgehongerd en stonden er Helers, pijlenmakers en goede smeden klaar om elke nacht zijn soldaten en zijn wapens op te lappen. Wat een wonder was het om om iets te kunnen vragen – hoe ongebruikelijk ook- en dan daadwerkelijk aangeleverd te krijgen, vaak zelfs al binnen een uur!
Toch zou hij verliezen. Hij stond tegenover een eindeloos leger van vijanden, tientallen Gruwheren en zelfs een aantal Verzakers. Hij had zijn leger deze doodlopende vallei in geleid om de parel van de landen van de Duistere te grijpen: zijn eigen zetel, de zwarte berg zelf. En nu was de zon uitgegaan, hoewel de Aes Sedai zeiden dat het tijdelijk zou zijn.
Ituralde pufte aan zijn pijp terwijl hij te paard over de richel reed die de noordelijke rand van de vallei vormde. Ja, hij zou verliezen. Maar met deze middelen zou hij wel in stijl verliezen.
Hij reed verder over de richel en bereikte een punt boven de pas naar Thakan’dar. De vallei, diep in het hart van de Verwoeste Landen, liep van oost naar west, met Shayol Ghul aan de westkant en de pas aan de oostkant. Je kon deze plek alleen bereiken na uren van zwaar klimmen of één snelle stap door een Poort. Handig, die dingen. Dit was een uitstekende plek om zijn verdediging te overzien.
De pas naar Shayol Ghul was een diepe kloof, waarvan de bovenzijde vanaf de oostkant volkomen ontoegankelijk was, behalve via een Poort. Dankzij de Poort kon hij nu van bovenaf in de kloof kijken, en hij schatte dat er een man of vijftig schouder aan schouder in de breedte pasten. Een volmaakte flessenhals. Hij kon hier boogschutters neerzetten en laten schieten op iedereen die zich door de pas bewoog.
Eindelijk brandde de zon zich als een druppel gesmolten staal door het zwart boven hem heen. De Aes Sedai hadden dus gelijk gehad. Toch kwamen die wervelende zwarte donderkoppen weer terug alsof ze de hele hemel wilden verslinden.
Aangezien Shayol Ghul in de Verwoeste Landen lag, was het hier koud. Ituralde droeg een wollen wintermantel en zijn adem vormde witte wolkjes. Er hing mist over de vallei, maar die was nu ijler dan toen de ovens nog werkten.
Hij verliet de kloofingang en ging terug naar de groep mensen die met hem mee was gekomen. Windvindsters en ander hooggeplaatst Zeevolk droegen lange jassen die ze – met veel onderhandelen, natuurlijk – hadden gekocht voordat ze naar het noorden waren gekomen. Er was kleurrijke kleding onder te zien. Dat, en de vele siervoorwerpen die ze droegen, vormden een vreemd contrast met die matbruine jassen.
Ituralde was een Domani. Hij had vaak genoeg te maken gehad met het Zeevolk. Als ze maar half zo vasthoudend waren in de strijd als tijdens onderhandelingen, zouden ze hem van veel nut zijn. Ze hadden erop gestaan om mee te komen naar de richel, zodat ze de vallei beneden en de pas ernaartoe konden overzien.
De vrouw vooraan was de Vrouwe der Schepen zelf, Zaida din Parede Zwartvleugel. Ze was een kleine vrouw met een donkere huid en grijze vleugen in haar korte zwarte haar. ‘De windvindsters hebben je een boodschap gestuurd, Rodel Ituralde,’ zei ze. ‘De aanval is begonnen.’
‘De aanval?’
‘De Brenger van Stormkracht,’ antwoordde Zaida, kijkend naar de hemel waar de zon langzaam achter de massieve duisternis tevoorschijn kwam. De donkere wolken rommelden en kolkten. ‘De Vader der Stormen. Hij wil je vernietigen met de kracht van zijn toorn.’
‘Jouw mensen kunnen dat toch wel aan?’