‘De windvindsters werken hem al tegen met de kracht van de Schaal der Winden,’ zei Zaida. ‘Anders zou hij ons allemaal al hebben vernietigd met zijn stormen.’
Ze keek nog steeds naar de hemel, net als veel van haar metgezellen. Hij had maar ongeveer honderd leden van het Zeevolk bij zich, luiken de windvindsters. De rest werkte voornamelijk bij de bevoorradingsteams om te zorgen dat er pijlen, voedsel en andere middelen naar de vier fronten kwamen. Ze leken vooral belangstelling te hebben voor de stoomwagens, hoewel Ituralde niet begreep waarom. Die dingen legden het af tegen een goed span paarden.
‘We nemen het op tegen de Duistere zelf, windvlaag tegen windvlaag,’ vervolgde Zaida. ‘We zullen zingen over deze dag.’ Ze keek weer naar Ituralde. ‘Je moet de Coramoor beschermen,’ zei ze streng, alsof ze hem de les las.
‘Ik zal mijn aandeel wel leveren,’ zei Ituralde, die doorreed. ‘Lever jij dat van jou maar.’
‘Deze overeenkomst is lang geleden bezegeld, Rodel Ituralde,’ riep ze hem na.
Hij knikte en reed verder over de richel. Mannen die op wacht stonden, groetten hem als hij langskwam. Althans, degenen die geen Aiel waren. Hij had hierboven een heleboel Aiel, omdat ze hier hun bogen werkzaam konden inzetten. Hij had het grootste deel van zijn Tyreners beneden neergezet, waar die paalwapens en pieken het best tot hun recht zouden komen. Zij zouden het pad naar Shayol Ghul bewaken.
In de verte werd een hoorn van de Aiel geblazen. Een teken van een van de verkenners: de Trolloks kwamen door de pas. Ituralde hield zijn paard in en pakte zijn kijkglas, dat hij op de ingang van de pas richtte. Het was zover.
Hij galoppeerde over de richel terug naar de vallei, gevolgd door andere bevelvoerders en koning Alsalam. Na korte tijd bereikten ze de plek waar hij zijn voornaamste uitkijkpost had opgezet, een punt vanwaar hij mijlenver de pas in kon kijken.
Er bewogen daar schaduwen. Even later zag hij de horden Trolloks naar voren komen, tot razernij opgezweept. Heel even was hij terug in Maradon en zag hij zijn mannen – goede mannen – een voor een sneuvelen. Onder de voet gelopen bij de versterkingen op de heuvel, tegen de grond gewerkt in de straten van de stad. De ontploffing op de muur.
Wanhoopsdaad na wanhoopsdaad. Hij had zo veel mogelijk Trolloks gedood, schreeuwend als een man die op wolven insloeg terwijl ze hem aan stukken scheurden, in de hoop er minstens één mee te sleuren naar de laatste duisternis.
De hand waarmee hij het kijkglas vasthield trilde. Hij dwong zichzelf terug naar het hier en nu. Het voelde alsof hij al zijn hele leven de ene na de andere verloren strijd voerde. Dat eiste zijn tol. In zijn dromen hoorde hij Trolloks snuiven, snuffelen, hun hoeven op keien. Terugblikken op Maradon.
‘Rustig, oude vriend,’ zei koning Alsalam, die naast hem kwam rijden. De koning had een geruststellende stem. Hij was altijd in staat geweest anderen te kalmeren. Ituralde was ervan overtuigd dat de kooplieden van Arad Doman hem juist om die reden tot koning hadden benoemd. De spanning kon hoog oplopen als het om handel en oorlog ging, en voor de Domani waren die twee zo goed als gelijk. Maar Alsalam... hij kon een paniekerige koopvrouw die zojuist haar hele vloot op zee had verloren nog tot bedaren brengen.
Ituralde knikte. De verdediging van deze vallei. Hij moest zijn hoofd bij de verdediging van deze vallei houden. Hij zou standhouden, de Trolloks niet de pas naar Thakan’dar uit laten komen. Hij mocht branden, maar hij zou hier maanden standhouden als de Herrezen Draak dat nodig had. Alle andere gevechten – elke slag die de mens ooit had geleverd, en nog leverde – zouden zinloos zijn als Ituralde hier verloor. Het werd tijd om alle trucs die hij kende toe te passen, elke wanhopige strategie. Hier kon elk ogenblik van uitstel Rhand Altor de tijd opleveren die hij nodig had.
‘Herinner de mannen eraan dat ze blijven staan, daar beneden,’ zei Ituralde, kijkend door het kijkglas. ‘Bereid de boomstammen voor.’
Bedienden gaven de bevelen door, die door Poorten naar de betrokken eskaders werden gebracht. Dat verschrikkelijke leger van Trolloks bleef komen, met reusachtige zwaarden, kromme paalwapens en haken waarmee ze ruiters uit het zadel konden trekken. Ze stampten met veel lawaai door de pas terwijl bliksems heen en weer schoten tussen de wolken erboven.
Eerst de boomstammen, dacht Ituralde.
Toen de Trolloks het midden van de pas bereikten, maakten de Aiel aan weerskanten stapels geoliede boomstammen los – er waren nu zoveel dode bomen in de bossen dat Ituralde geen moeite had gehad om ze via Poorten te laten ophalen – en staken ze in brand.
Honderden brandende boomstammen rolden langs de hellingen van de pas omlaag, denderden boven op de Trolloks en verspreidden hun vuur. De beesten brulden, jankten en krijsten, afhankelijk van wat voor mondopening ze hadden. Ituralde hief zijn kijkglas en keek naar ze met een diep gevoel van tevredenheid.
Dat was nieuw. In het verleden had hij nooit voldoening gevoeld als hij zijn vijanden zag sterven. O, hij was wel blij als een strategie slaagde. En goed, het hele punt van een veldslag was dat die ander doodging en jouw mannen bleven leven, maar het was nooit een vreugdevol iets geweest. Hoe langer je vocht, hoe meer je inzag dat je vijand net zo was als jij. De banieren veranderden, maar de soldaten waren min of meer hetzelfde. Ze wilden winnen, maar meestal hadden ze meer belangstelling voor een goede maaltijd, een deken om op te slapen en laarzen zonder gaten erin.
Dit was anders. Ituralde wilde die beesten dood hebben. Hij smachtte daarnaar. Als die monsters er niet waren geweest, zou hij nooit zijn gedwongen die nachtmerrie in Maradon te doorstaan. Als die monsters niet bestonden, zou zijn hand niet zo trillen wanneer de strijdhoorns werden geblazen. Ze hadden hem te gronde gericht.
En in ruil daarvoor zou hij hén te gronde richten.
De Trolloks werkten zich met heel veel moeite door de stapel boomstammen heen. Veel van de beesten waren in brand gevlogen, en de Myrddraal moesten ze opzwepen om ze in beweging te houden. Vele leken het vlees van hun gesneuvelde kameraden te willen opeten. De ranzige stank ervan maakte ze hongerig. Gekookte lijven. Voor Trolloks stond het gelijk aan de geur van versgebakken brood.
De Schimmen wisten ze verder te drijven, maar de Trolloks kwamen al snel bij de volgende verdedigingslinie van Ituralde aan. Dat was een lastige geweest. Je kon geen spiesen planten of greppels graven in die massieve rotsen, althans niet zonder je geleiders uit te putten. Hij had bergen steen of aarde kunnen laten opwerpen, maar Trolloks waren groot en bergen die mensen zouden vertragen, waren tegen die monsters minder werkzaam. Daarnaast zouden er voor het verplaatsen van zoveel aarde en stenen arbeiders nodig zijn geweest, en die waren bezig met het bouwen van echte versterkingen in de vallei. Ituralde had al vroeg geleerd dat je in een defensieve oorlog moest zorgen dat je versterkingen steeds beter werden. Zo hield je het langer uit, aangezien je vijand dan geen vaart kon maken.
Uiteindelijk was de oplossing eenvoudig geweest. Doornstruiken.
Hij had enorme bossen doornstruiken gezien, dor en dood, in Arad Doman. Ituraldes vader was boer geweest en had altijd over doornstruiken geklaagd. Nou, als er één ding was waar de mensheid geen gebrek aan had, dan waren het dode planten. En mankracht. Duizenden hadden gehoor gegeven aan de oproep van de Draak, en veel van die Draakgezworenen hadden weinig strijdervaring.
En toch zou Ituralde ze laten vechten als de tijd daar was. Voorlopig, echter, had hij ze ingezet om reusachtige hoeveelheden doornstruiken te verzamelen. Ze hadden die in de pas gelegd en aan elkaar gebonden tot kluwens van twintig voet dik en acht voet hoog. De doornbalen waren vrij eenvoudig te plaatsen geweest – ze waren veel lichter dan stenen of aarde – maar omdat het er zoveel waren, konden de Trolloks ze niet weg krijgen door er eenvoudigweg tegenaan te duwen. De eerste rijen renden ernaartoe en probeerden dat, maar ze werden beloond met doorns van vijf duim lang in hun vlees. De schepsels achteraan duwden door, waarop de voorhoede zich kwaad omdraaide en zich tegen de monsters erachter keerde.