Выбрать главу

Daardoor stond het grootste deel van het Trollok-leger nu vast in de pas, aan zijn genade overgeleverd.

Hij had niet veel genade over voor Schaduwgebroed.

Ituralde gaf het teken, en de Asha’man die bij hem was – Aulsten, een van de mannen die onder hem had gediend in Maradon – schoot een felle straal rood licht de lucht in. Langs de zijkanten boven aan de pas kwamen nog meer Aiel tevoorschijn, en ze gooiden rotsblokken en nog meer brandende boomstammen op het opgesloten Schaduwgebroed. Pijlen en stenen volgden. Ze gebruikten alles waarmee ze de Trolloks konden bestoken.

De meeste aanvallen van Ituraldes mannen vonden verderop langs de pas plaats, midden boven het grootste gedrang van Trolloks. Beneden ging de ene helft achteruit, terwijl de andere helft zich naar voren drong om weg te komen, waardoor ze hun kameraden in de doornstruiken duwden.

Sommige Trolloks droegen schilden en probeerden zich te beschermen tegen de dodelijke hagel. Overal waar een paar van die monsters bij elkaar kropen in een poging een muur van schilden boven zich te krijgen, sloegen Ituraldes geleiders toe en dreven ze weer uiteen.

Hij kon niet veel geleiders inzetten voor dat werk. De meesten waren in de vallei om Poorten te maken voor het verplaatsen van proviand en uit te kijken naar vijandelijke geleiders. Ze hadden al een tweede confrontatie met Gruwheren gehad. Aviendha en Cadsuane Sedai bekommerden zich om die verdediging.

Enkele Trolloks schoten met pijlen op de verdedigers boven ze, maar er bleven slachtoffers vallen terwijl het Schaduwgebroed vooraan probeerde zich een weg door de versperring van doorns te hakken. Dat ging langzaam.

Ituralde keek toe, verkild vanbinnen en vanbuiten, terwijl de Myrddraal de Trolloks opjoegen tot een razende menigte. De schepsels die zich door de balen doorns probeerden te hakken, werden naar voren geduwd, doorboord en vertrapt.

Het bloed werd een stroom die omlaag liep naar het oostelijke uiteinde van de pas, waar de Trolloks erin uitgleden. Ze duwden de voorste vijf of zes rijen naar voren en gebruikten de lijven van hun kameraden om de doorns onschadelijk te maken.

Toch kostte het ze nog bijna een uur om erdoor te komen. Ze lieten duizenden doden achter toen ze massaal doorstroomden, en loen stuitten ze op een tweede doornenhaag, nog dikker en hoger dan de eerste. Ituralde had er zeven in de pas laten plaatsen, met tussenruimtes. De tweede was de grootste, en die had het gewenste effect. Bij het zien ervan bleven de voorste Trolloks stilstaan. Toen draaiden ze zich om en gingen achteruit.

Dit leidde tot massale verwarring. De Trolloks erachter brulden en schreeuwden en duwden naar voren. Degene vooraan grauwden en jankten terwijl ze probeerden zich een weg door de doornen te hakken. Sommige bleven verdoofd staan. Al die tijd bleven de pijlen en stenen vallen.

‘Prachtig,’ fluisterde Alsalam.

Ituralde merkte dat zijn hand niet langer trilde. Hij liet zijn kijkglaszakken. ‘Kom mee.’

De strijd is nog niet voorbij!’ wierp de koning tegen.

‘Jawel,’ zei Ituralde, die zich omdraaide. ‘Voorlopig.’

En inderdaad, het hele Trollok-leger brak op – hij hoorde het gebeuren – en vluchtte oostwaarts door de pas terug, weg bij de vallei.

Eén dag standgehouden, dacht Ituralde. Ze zouden morgen terugkomen, en dan zouden ze voorbereid zijn. Meer schilden, betere wapens om door de doornstruiken te komen.

Toch zouden ze nog bloeden. En niet zo’n beetje.

Daar zou hij wel voor zorgen.

25

Korte flarden

Siuan slaakte een diepe, opgeluchte zucht toen de Amyrlin – met ogen die vuur spoten – samen met Doesine, Saerin en enkele andere Gezetenen door een Poort hun kamp in beende.

Brin kwam achter hen aan en haastte zich naar Siuan toe. ‘Wat is er hesloten?’ vroeg ze.

‘We houden stand, voorlopig,’ antwoordde Brin. ‘Elaynes bevel, en de Amyrlin is het ermee eens.’

‘We zijn in de minderheid,’ voerde Siuan aan.

‘Dat geldt voor iedereen,’ zei hij, kijkend naar het westen.

De Sharanen hadden de laatste paar dagen hun legers verzameld en die op een mijl of twee afstand van Egwenes leger opgesteld, dat met zijn rug naar de brede grensrivier tussen Kandor en Arafel stond.

De Schaduw had nog geen grootscheepse aanval ingezet, maar had af en toe een kleiner aanvalsleger door Poorten gestuurd terwijl ze wachtten tot het tragere Trollok-leger hen inhaalde. De Trolloks waren hier nu, helaas. Egwenes leger had zich wel kunnen terugtrekken door Poorten, maar Siuan moest toegeven dat dat weinig zou uithalen. Ze moesten het uiteindelijk toch een keer tegen deze vijand opnemen.

Brin had deze plek in de zuidoostelijke punt van Kandor uitgekozen omdat het terrein hun voordeel opleverde, al was het dan een klein voordeel. De rivier die van noord naar zuid langs de oostgrens van Kandor liep was diep, maar er was een voorde op minder dan een kwart mijl van de heuvels die langs de zuidgrens van Kandor van oost naar west liepen. Het leger van de Schaduw zou naar die voorde gaan om Arafel binnen te komen. Door zijn troepen bij de voorde en op de heuvels eromheen te zetten, kon hij het binnenvallende leger van twee kanten aanvallen. Als het nodig was, kon hij zich over de voorde terugtrekken naar de Arafelse kant, waarbij de waterbarrière de Trolloks zou belemmeren. Het was een klein voordeel, maar in de strijd maakten kleine dingen soms een groot verschil.

Op de vlakten ten westen van de rivier stelde de Schaduw de Sharaanse en Trollok-legers op. Beide rukten over het veld op naar de zwaar op de proef gestelde Aes Sedai en troepen onder bevel van Brin.

Verderop keek Egwene uit over het kamp. Licht, het was een opluchting te weten dat de Amyrlin nog leefde. Siuan had dat al voorspeld, maar toch... Licht. Het was fijn om Egwenes gezicht weer te zien.

Als dat inderdaad haar gezicht was. Dit was de eerste keer dat de Amyrlin was teruggekeerd naar het kamp sinds haar beproeving, maar ze had enkele keren op geheime plekken overleg gevoerd met de Gezetenen. Siuan had nog geen kans gehad om onder vier ogen met Egwene te praten.

‘Egwene Alveren,’ riep Siuan de Amyrlin na. ‘Vertel me waar we elkaar voor het eerst hebben ontmoet!’

De anderen keken naar Siuan en trokken afkeurende gezichten om haar vermetelheid.

Egwene leek het echter te begrijpen. ‘Fal Dara,’ zei ze. ‘Je bond me vast met Lucht op onze tocht over de rivier. Een lesje in de Kracht dat ik nooit ben vergeten.’

Siuan slaakte nog een zucht van verlichting, maar nu dieper. Niemand was bij dat lesje op het schip geweest, behalve Egwene en Nynaeve. Maar Siuan had het helaas wel aan Sheriam verteld, Meesteres der Novices en lid van de Zwarte Ajah. Nou, ze geloofde nog steeds dat dit echt Egwene was. Het nabootsen van iemands gezicht was makkelijk, maar haar herinneringen naar boven halen was een ander verhaal.

Siuan keek goed in haar ogen. Er was gepraat, zachtjes, over wat er in de Zwarte Toren was gebeurd. Mijrelle had verteld over gebeurtenissen waar haar nieuwe zwaardhanden het over hadden gehad. Iets duisters.

Ze zeiden dat je het kon zien. Siuan zou de verandering in Egwene toch wel zien als er zoiets met haar was gebeurd?

Als we het niet kunnen zien, dacht Siuan, dan zijn we al gedoemd.

Ze zou moeten vertrouwen op de Amyrlin, zoals ze al zo vele keren eerder had gedaan.

‘Verzamel de Aes Sedai,’ zei Egwene. ‘Bevelhebber Brin, u hebt uw bevelen. We houden stand bij deze rivier, behalve als de verliezen zo volkomen ondraaglijk worden dat...’ Ze liet haar stem wegsterven. ‘Hoe lang zijn dié al hier?’

Siuan keek naar de verkenners die op raken boven hen vlogen. ‘De hele ochtend. Je hebt zijn brief toch gelezen?’

‘Dwaze kerel,’ zei Egwene. De boodschap van de Herrezen Draak, gebracht door Min Farsen, was kort geweest:

De Seanchanen strijden tegen de Schaduw.

Hij had Min naar hen toe gestuurd om redenen die de vrouw niet duidelijk wilde uitspreken. Brin had haar meteen aan het werk gezet. Ze werkte nu als klerk bij de bevoorraders.