Выбрать главу

‘Vertrouwt u op het woord van de Herrezen Draak waar het de Seanchanen betreft, Moeder?’ vroeg Saerin.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde Egwene. ‘Stel onze gelederen op, maar hou een oogje op die wezens daarboven, voor het geval ze ons toch aanvallen.’

Toen Rhand de grot binnenging, veranderde er iets in de lucht. De Duistere bespeurde zijn aankomst nu pas en was verrast. De dolk luid zijn werk gedaan.

Rhand ging voorop, met Nynaeve links van hem en Moiraine rechts. De tunnel leidde steil omlaag, alsof ze weer helemaal afdaalden naar de hoogte waarop ze waren begonnen.

Het leek wel alsof de grot hen opslokte, hen omlaag dwong naar de vuren beneden. Het dak van de tunnel, met puntige, tandachtige stalactieten, leek lager te worden naarmate ze verder kwamen. Met eIke stap een stukje lager. Er was geen beweging zichtbaar, en de grot werd niet geleidelijk smaller, maar hij veranderde gewoon, het ene ogenblik hoog, het volgende lager.

De grot was een samenstel van kaken dat zich langzaam om hun prooi sloot. Rhands hoofd streek langs de punt van een stalactiet. Nynaeve bukte, keek omhoog en vloekte zachtjes.

‘Nee,’ zei Rhand, die bleef staan. ‘Ik kom niet op mijn knieën naar je toe, Shaitan.’

De grot rommelde. De donkere uithoeken leken naar voren te komen en tegen Rhand aan te duwen. Hij bleef roerloos staan. Het leek wel alsof hij een vastgelopen tandwiel was en de rest van de klok zich uit alle macht inspande om de wijzers te blijven bewegen. Hij hield stand.

De rotsen beefden en gingen achteruit. Rhand liep door en blies zijn adem uit toen de luchtdruk verminderde. Dat waar hij aan was begonnen, kon hij nu niet meer afbreken. Vertragen was zowel voor hem als voor de Duistere zwaar, want zijn tegenstander werd evenzeer meegesleept in deze onvermijdelijkheid als hijzelf. De Duistere bestond niet binnen het Patroon, maar toch had het Patroon invloed op hem.

Achter Rhand, waar hij was blijven staan, lag een plasje bloed.

Ik zal snel moeten zijn, dacht hij. Anders bloed ik dood voordat de strijd gestreden is.

De grond beefde opnieuw.

‘Inderdaad,’ fluisterde Rhand. ‘Ik kom naar je toe. Ik ben geen schaap dat naar de slacht wordt geleid, Shaitan. Vandaag ben ik de jager.’

Het trillen van de grond leek bijna op gelach. Verschrikkelijk gelach. Rhand negeerde Moiraines ongeruste blikken.

Ze gingen verder omlaag. Er kwam een vreemd gevoel over hem heen. Een van de vrouwen zat in de problemen. Was het Elayne? Aviendha? Hij kon er niet zeker van zijn. De vervormingen op deze plek hadden invloed op de binding. Hij verplaatste zich anders door de tijd dan zij en kon niet meer aanvoelen waar ze waren. Hij voelde alleen dat een van hen pijn had.

Rhand gromde en liep sneller door. Als de Duistere hen kwaad had gedaan... Zou het hier inmiddels niet lichter moeten worden? Het enige licht dat ze hadden, was de gloed van Callandor, waar hij saidin doorheen geleidde. ‘Waar zijn de vuren?’ vroeg Rhand, en zijn stem weerkaatste tegen de wanden. ‘De lava onder aan het pad?’

‘De vuren zijn opgebrand, Lews Therin,’ zei een stem vanuit de schaduwen verderop.

Rhand bleef staan. Toen stapte hij naar voren en scheen met de gloed van Callandor op een gedaante. Het was een man die op één knie aan de rand van het licht zat, met gebogen hoofd en zijn zwaard met de punt op de grond voor hem.

Achter die gedaante was... niets. Alleen maar zwart.

‘Rhand,’ zei Moiraine, die een hand op zijn arm legde. ‘De Duistere verzet zich tegen zijn boeien. Raak dat zwart niet aan.’

De man stond op en draaide zich om, en de gloed van Callandor scheen op Moridins inmiddels bekende gezicht. Naast hem op de grond lag een omhulsel. Rhand kon het niet anders omschrijven. Het leek op de huid die insecten afstropen als ze groeien, alleen had deze de vorm van een man. Een man zonder ogen. Een Myrddraal?

Moridin volgde Rhands blik. ‘Een omhulsel dat mijn meester niet meer nodig had,’ zei hij. Er dreef saa door het wit van zijn ogen, stuiterend, trillend, constant bewegend. ‘Het heeft dat wat zich achter mij bevindt gebaard.’

‘Er is niks achter je.’

Moridin hief groetend zijn zwaard voor zijn gezicht. ‘Dat klopt.’ Zijn ogen waren bijna volledig zwart.

Rhand gebaarde naar Moiraine en Nynaeve dat ze een paar passen achter hem moesten blijven terwijl hij naar voren stapte. ‘Eis je een tweegevecht? Hier? Nu? Elan, je weet dat wat ik doe onvermijdelijk is. Het heeft geen zin om te proberen me op te houden.’

‘Geen zin, Lews Therin?’ Moridin lachte. ‘Als ik je maar een beetje verzwak, maakt dat de taak van mijn meester dan niet een stuk makkelijker? Nee, ik zal je zeer beslist in de weg staan. En als ik win, wat dan? Je overwinning staat niet vast. Dat is nooit zo geweest.’

Ik win opnieuw, Lews Therin...

‘Je zou opzij kunnen stappen,’ zei Rhand. Hij hief Callandor, waardoor de gloed van het licht verschoof over Moridins zwartstalen zwaard. ‘Als mijn overwinning niet vaststaat, dan staat jouw ondergang ook niet vast. Laat me erlangs. Maak voor één keer de keus waarvan je weet dat het de juiste is.’

Moridin lachte. ‘Meen je dat nou? Nu smeek je me om terug te keren naar het Licht? Er is me vergetelheid beloofd. Eindelijk vergetelheid, het niets, een vernietiging van mijn hele wezen. Een éinde. Dat laat laat ik me niet afnemen, Lews Therin! Dat zweer ik op mijn graf!’

Moridin kwam zwaaiend met het zwaard naar voren.

Lan voerde Kersenbloesem kust de vijver uit, geen eenvoudige taak vanaf een paard, aangezien de zwaardvorm niet bedoeld was voor in het zadel. Zijn kling hakte in de nek van een Trollok met de stierenkop. Hij drong niet meer dan een duimdiepte in zijn dikke huid, maar het was voldoende om het ranzige bloed naar buiten te laten spuiten. Het schepsel liet zijn haak vallen, legde zijn hand tegen zijn nek en slaakte een gorgelende, kreunende schreeuw.

Lan liet Mandarb achteruitdansen toen een tweede Trollok vanaf de zijkant aankwam, hakte hem de arm af en draaide door. De Trollok wankelde van de klap en Andère doorstak hem van achteren.

Andère stuurde zijn paard naast Mandarb. Boven het lawaai van de strijd uit hoorde Lan het gehijg van zijn vriend. Hoe lang vochten ze hier nu al? Lans armen voelden aan als lood.

Zo erg was het zelfs tijdens de Bloedsneeuw niet geweest.

‘Lan!’ riep Andère. ‘Ze blijven komen!’

Lan knikte en stuurde Mandarb weer achteruit toen twee Trolloks zich een weg baanden door de karkassen om aan te vallen. Deze twee hadden ook haken. Dat was niet ongewoon bij Trolloks, want ze beseften dat mannen te voet een stuk minder gevaarlijk waren dan mannen te paard. Toch vroeg Lan zich af of ze probeerden juist hém te vangen.

Hij en Andère lieten de Trolloks dichterbij komen, terwijl twee leden van de Hoge Wacht van de zijkanten kwamen aanrijden om ze af te leiden. De Trolloks kwamen op Lan af. Hij dook naar voren, haalde uit en hakte de steel van hun haken doormidden.

De beesten bleven niet staan, maar staken hun klauwen naar hem uit om hem van zijn paard te trekken. Lan rook hun smerige adem toen hij zijn zwaard in de keel van de ene ramde. Wat waren zijn spieren stram! Hij hoopte maar dat Andère op zijn plaats stond.

Andères paard kwam in plotselinge galop naar voren, beukte met zijn gepantserde flank tegen de tweede Trollok en duwde die opzij. Het monster struikelde, waarop twee bereden wachters het afslachtten met hun langstelige bijlen.

Die mannen waren allebei besmeurd met bloed, net als Andère. Net als Lan. Hij herinnerde zich slechts vaag dat hij een wond in zijn bovenbeen had opgelopen. Hij was ontzettend moe en eigenlijk niet meer in staat om te vechten.

‘We gaan achteruit,’ kondigde hij met tegenzin aan. ‘Laat iemand anders het hier maar even overnemen.’ Lan en zijn mannen hadden de zware cavalerie in de voorhoede van de gevechten geleid. Ze waren tegen de Trolloks opgerukt in een driehoeksformatie om zich ertussendoor te persen en de vijand naar de zijkanten te duwen, zodat hun aanvallers ze vanaf de flanken konden verpletteren.