De anderen knikten, en hij voelde hun opluchting toen hij met zijn ongeveer vijftig Hoge Wachters achteruitging. Terwijl zij zich terugtrokken, kwam een groep Shienaranen naar voren om hun plek in te nemen. Lan maakte zijn zwaard schoon en stak het in de schede. Het donderde en bliksemde. Ja, die wolken leken vandaag echt lager te hangen, als een hand die langzaam omlaag drukte op de mannen terwijl ze sneuvelden.
Verderop knetterden bliksemschichten door de lucht, de ene na de andere. Lan wendde Mandarb scherp. Het bliksemde de hele dag al, maar deze waren vlak na elkaar gekomen. Hij rook een brandlucht.
‘Gruwheren?’ vroeg Andere.
Lan knikte, turend op zoek naar de aanvallers. Het enige wat hij zag waren de vechtende mannen, de zwermende massa Trolloks die in golven naar voren kwam. Hij moest naar hoger terrein.
Lan gebaarde naar een van de heuvels en stuurde Mandarb die kant op. Leden van de achterhoede keken hem na toen hij langskwam, hieven een hand en zeiden ‘Dai Shan’. Hun pantsers zaten onder het bloed. De reservetroepen waren vandaag al een keer naar het front gehaald en weer afgelost.
Mandarb ploeterde tegen de helling op. Lan gaf het paard een klopje, steeg af en draafde naast de hengst mee. Bovenaan draaide hij zich om en keek uit over het slagveld. Grenslanderlegers vormden puntige inkepingen van zilver en kleuren in de zee van Trolloks.
Zovéél. De Gruwheren waren weer tevoorschijn gekomen op hun grote platform, een ding dat door tientallen Trolloks over het veld werd voortgetrokken. Ze hadden die hoogte nodig om te kunnen zien waar ze het beste konden aanvallen. Lan klemde zijn kiezen op elkaar toen een reeks bliksemschichten op de Kandori insloeg, lichamen de lucht in smeet en een gat in hun gelederen boorde.
Lans eigen geleiders sloegen terug en smeten bliksems en vuur op de naderende Trolloks af, om te voorkomen dat ze door het gat in de rij Grenslanders zouden stromen. Maar dat zou slechts tijdelijk lukken. Hij had veel minder Aes Sedai en Asha’man dan de Schaduw Gruwheren had.
‘Licht,’ zei prins Kaisel, die kwam aanrijden. ‘Dai Shan, als ze genoeg gaten in onze gelederen slaan...’
‘Er komt versterking aan. Daar,’ zei Andère wijzend. Hij zat nog te paard, en Lan moest naar voren stappen en om hem heen kijken om te zien waar hij naar wees. Een groep Shienaraanse ruiters was op weg naar de gelederen waar de bliksemschichten tussen belandden.
‘Daar ook,’ zei Kaisel, wijzend naar het oosten. Een groep Arafellers ging op dezelfde plek af. De twee groepen liepen door elkaar toen ze allebei probeerden zo snel mogelijk het gat te dichten.
Er begonnen bliksems uit de hemel op het platform van de Gruwheren neer te dalen. Mooi. Narishma en Merise hadden de opdracht gekregen uit te kijken naar Gruwheren en te proberen die te doden. Misschien zou dat de vijand afleiden. Lan richtte zich op iets anders.
Waarom waren er twee groepen versterking gestuurd om datzelfde gat te dichten? Allebei die eenheden waren op zich groot genoeg om de klus te klaren, en met zoveel soldaten liepen ze elkaar alleen maar voor de voeten. Een vergissing?
Lan hees zich in Mandarbs zadel, met tegenzin dat hij het paard alweer zo snel moest laten werken. Hij zou zich in die vergissing verdiepen.
In de wolfsdroom stapten Perijn en Gaul op een richel met uitzicht over een vallei met een berg aan het uiteinde. Boven die berg draaiden de wolken rond in een angstaanjagende draaikolk die net niet helemaal de bergtop raakte.
De wind gierde door de vallei en Perijn was gedwongen een bel van rust om zichzelf en Gaul op te trekken tegen het gruis in de lucht. Beneden zagen ze korte flarden van een reusachtige veldslag. Aiel, Trolloks en mannen in pantsers verschenen heel even in de wolfsdroom, alsof ze opdoken uit kolkende rook en stof, en zwaaiden met wapens die halverwege een slag oplosten. Het waren er duizenden.
Er waren veel wolven hier in de droom, overal rondom. Ze wachtten op... iets. Iets wat ze niet aan Perijn konden uitleggen. Ze hadden een naam voor Rhand: Schaduwdoder. Misschien waren ze hier om getuige te zijn van wat hij ging doen.
‘Perijn?’ vroeg Gaul.
‘Hij is hier, eindelijk,’ zei Perijn zacht. ‘Hij is de Doemkrocht in gegaan.’
Op enig ogenblik tijdens zijn strijd zou Rhand Perijn nodig hebben. Helaas kon Perijn hier niet gewoon blijven wachten tot het zover was, want hij had werk te doen. Gaul en hij hadden met de hulp van de wolven Graendal gevonden, in de buurt van Cairhien. Ze had enkele mensen gesproken in hun dromen. Duistervrienden onder de legers, misschien?
Voordien gluurde ze in Basheres dromen, dacht Perijn. Of dat beweerde Lanfir althans. Hij vertrouwde haar niet.
Hoe dan ook, hij had Graendal eerder vandaag gevonden. Net toen hij overwoog aan te vallen, was ze ineens verdwenen. Hij wist hoe hij iemand kon volgen in de wolfsdroom en was haar hierheen gevolgd, naar Thakan’dar.
Haar geur verdween plotseling midden in de vallei beneden. Ze was teruggekeerd naar de wakende wereld. Perijn wist niet zeker hoeveel tijd er was verstreken in de wolfsdroom. Hij en Gaul hadden nog eten over, maar het voelde alsof ze hier al vele dagen waren. Lanfir zei dat hoe dichter Perijn bij Rhand kwam, hoe meer de tijd zou vervormen. Dat was in ieder geval iets wat hij zou moeten kunnen beproeven.
Hij is hier, Jonge Stier! De boodschap kwam heel plotseling en dringend van een wolf genaamd Zonsopgang, hier in de vallei. Slachter is bij ons! Schiet op!
Perijn grauwde, greep zonder een woord te zeggen Gaul bij zijn schouder en verplaatste hen. Ze verschenen op een rotsachtig pad naar een gapend gat in de rotsen, de tunnel die omlaag leidde naar de Doemkrocht.
Er lag een wolf op de grond, met een pijl in zijn flank en de geur van de dood om hem heen. Andere wolven huilden. Die verschrikkelijke wind beukte tegen hem aan. Perijn liet zijn hoofd zakken en rende ertegenin, met Gaul aan zijn zijde.
Binnen, Jonge Stier, stuurde een wolf hem toe. In die muil van duisternis.
Zonder dat hij durfde na te denken over wat hij deed, dook Perijn een lange, smalle ruimte in waar kartelige rotspunten van de vloer en het dak uitstaken. Verderop schoten er felle, pulserende golven door de grot. Perijn hief een hand tegen het licht en zag vaag enkele gedaantes aan het einde van de tunnel bewegen.
Twee mannen, in gevecht.
Twee vrouwen, verstard.
En slechts een paar voet bij Perijn vandaan stond Slachter, die zijn boogpees tot naast zijn wang had aangespannen.
Perijn brulde, pakte zijn hamer en verplaatste zichzelf, zodat hij tussen Slachter en Rhand in stond. Hij sloeg de afgeschoten pijl met zijn hamer uit de lucht. Slachters ogen werden groot en hij verdween.
Perijn verplaatste zich terug naar Gaul, greep de man bij zijn arm, verplaatste zich toen weer naar de plek waar Slachter had gestaan en ving de geur op van de plaats waar hij naartoe was gegaan. ‘Pas op,’ zei Perijn, en toen verplaatste hij hen beiden achter de man aan.
Ze kwamen midden in een groep mensen terecht. Het waren Aiel, maar in plaats van gewone sjoefa’s droegen ze rode sluiers.
Met deze verplaatsing hadden Perijn en Gaul geen grote afstand overbrugd. Dit was een soort dorp, zo dicht bij Shayol Ghul dat de top daarvan in de verte te zien was.
De roodsluiers vielen aan. Perijn stond er niet bepaald van te kijken dat er Aiel waren die zich bij de Schaduw hadden geschaard. Er waren Duistervrienden onder alle volkeren. Maar waarom zouden ze zichzelf bekendmaken met de kleur van hun sluiers?
Perijn zwaaide zijn hamer in een wijde boog rond om een stel van hen op afstand te houden en verplaatste zich toen naar een plek achter hen, zodat hij een van hen van achteren de schedel kon inslaan.
Gaul werd een waas van speren en bruine kleding. Hij dook om de roodsluiers heen, stak toe, verdween, verscheen weer en stak opnieuw toe. Ja, hij had snel geleerd. Kennelijk sneller dan die roodsluiers, want zij konden hem niet bijhouden.
Perijn verbrijzelde bij een ander de knieschijf en zocht toen naar Slachter.