Daar. Hij stond op een heuveltje iets hogerop naar hen te kijken. Perijn keek naar Gaul, die tussen sprongen door snel naar hem knikte. Er waren nog acht roodsluiers over, maar...
De aarde onder Gauls voeten begon omhoog te komen en ontplofte ineens toen Gaul sprong. Perijn wist zijn vriend te redden door een stalen plaat onder hem te gooien die de ontploffing tegenhield, maar het had niet veel gescheeld. Gaul kwam wankel neer en Perijn was gedwongen zich naar hem toe te verplaatsen en de roodsluier aan te vallen die hem van achteren naderde.
‘Pas op,’ riep Perijn tegen Gaul. ‘Minstens één van die kerels kan geleiden!’
Licht. Alsof Aiel die voor de Schaduw vochten al niet erg genoeg waren. Geleidende Aiel. Geleidende mannelijke Aiel. Licht!
Terwijl Perijn uithaalde naar een volgende, kwam Slachter aan, met een zwaard in de ene hand en een lang jachtmes in de andere. Het soort mes dat je gebruikte om prooien te villen.
Grauwend wierp Perijn zich in het gevecht, en de twee begonnen een merkwaardige dans. De een viel de ander aan, die dan verdween en een stukje verderop weer opdook om ook aan te vallen. Zo draaiden ze rond, de een maakte een sprong en dan de andere, allebei op zoek naar een voordeeltje. Perijn miste Slachter net met zijn hamer en kreeg bijna een eind staal in zijn buik.
Gaul bleek heel nuttig. Perijn zou het vreselijk moeilijk hebben gehad als hij het in zijn eentje tegen zowel Slachter als de roodsluiers had moeten opnemen. Helaas kon Gaul weinig meer doen dan zijn tegenstanders afleiden, en zelfs dat kostte hem al heel veel moeite.
Toen een vuurstraal van een van de roodsluiers hem bijna raakte, nam Perijn een besluit. Hij verplaatste zich naar Gaul toe... en kreeg bijna een speer door zijn schouder. Perijn veranderde de speer nog net op tijd in een stoffen lap, die doorboog op zijn huid.
Gaul schrok toen hij Perijn zag en deed zijn mond open. Perijn gaf hem geen tijd om iets te zeggen. Hij greep zijn vriend bij de arm en verplaatste hen allebei. Ze verdwenen vlak voordat er vlammen om hen heen opschoten.
Ze verschenen weer voor de ingang van de Doemkrocht. Perijns mantel smeulde. Gaul had een bloedende wond in zijn bovenbeen.
Wanneer was dat gebeurd?
Zijn jullie daar? stuurde Perijn dringend zijn gedachten naar buiten.
Tientallen wolven antwoordden.
We zijn hier, Jonge Stier.
Leid jij ons, Jonge Stier? De Laatste Jacht!
Pas op voor Maanjager, Jonge Stier. Ze achtervolgt je als een leeuw door het hoge gras.
Ik heb jullie nodig, stuurde Perijn de wolven toe. Slachter is hier. Willen jullie tegen hem vechten, en tegen de mannen die bij hem zijn?
Dit is de Laatste Jacht, stuurde een van hen terug, terwijl vele andere wolven beloofden hem te helpen. Ze verschenen op de hellingen van Shayol Ghul. Perijn rook hun behoedzaamheid. Ze vonden het hier niet prettig. Dit was een plek waar wolven nooit kwamen, niet in de wakende wereld, maar ook niet in de droom.
Slachter kwam achter hem aan. Ofwel hij besefte dat Perijn deze plek zou bewaken, of hij wilde zijn aanval op Rhand doorzetten. Hoe dan ook, Perijn zag hem op de richel boven hen staan en neerkijken in de vallei: een donkere gedaante met een boog en een zwarte mantel die wapperde in de stormwind. Beneden hem woedde de strijd nog altijd voort in stof en schaduw. Duizenden en nog eens duizenden mensen stierven, doodden, worstelden in de echte wereld, hoewel op deze plek alleen fantomen zichtbaar waren.
Perijn greep zijn hamer. ‘Daag me maar uit,’ fluisterde hij. ‘Je zult zien dat ik deze keer een andere vijand ben.’
Slachter hief zijn boog en schoot. De pijl spleet; het werden er vier, toen zestien, en vervolgens kwam er een hagel van schachten op Perijn af.
Perijn grauwde en viel de zuil van lucht aan die Slachter om zijn salvo had gelegd om de wind te weren. Zodra de luchtzuil oploste, ving de gierende storm de pijlen en draaide ze om.
Slachter verscheen vlak voor Perijn, met zijn mes en zwaard in de hand. Toen de roodsluiers vlakbij opdoken, rekenden de wolven en Gaul met hen af. Deze keer kon Perijn zich op zijn vijand richten. Hij haalde met een brul uit, sloeg Slachters wapen weg en mikte op zijn hoofd.
Slachter danste achteruit en liet een paar stenen armen uit de grond omhoogkomen – die gepaard gingen met schilfers en steenscherven – om Perijn te grijpen. Perijn concentreerde zich, en ze vielen uiteen en belandden weer op de grond. Hij ving de scherpe geur van Slachters verbazing op.
‘Je bent hier lijfelijk,’ grauwde Slachter.
Perijn sprong op hem af en verplaatste zich halverwege de sprong om sneller bij de man te komen. Slachter blokkeerde hem met een schild dat om zijn arm verscheen. Mah’alleinir liet een diepe deuk in de voorzijde van het schild achter.
Slachter verdween en verscheen vijf passen naar achteren weer, aan de rand van het pad dat naar de grot leidde. ‘Ik ben zo blij dat je achter me aan bent gekomen, wolfje. Ik mocht je namelijk zelf niet opzoeken, maar nu ben je hier. Ik heb de vader al gevild, nu is de welp aan de beurt.’
Perijn sprong razendsnel op Slachter af, met eenzelfde soort sprong als die hij gebruikte om van heuvel naar heuvel te komen. Hij dreunde tegen de man aan, waardoor ze allebei van de richel vielen en enkele tientallen voet lager voor de ingang naar de Doemkrocht belandden.
Perijns hamer zat aan zijn riem – hij wist niet meer dat hij hem eraan had gehangen – maar hij wilde die man ook niet met de hamer slaan. Hij wilde het voelen als hij zijn vuist in Slachters gezicht ramde. En hij raakte hem ook terwijl ze vielen, maar ineens was Slachters gezicht zo hard als steen.
Op dat ogenblik was het geen gevecht meer van man tegen man, maar van wil tegen wil. Terwijl ze samen vielen, stelde Perijn zich voor dat Slachters huid zacht werd en meegaf onder zijn vuist, dat zijn botten broos werden en braken. Slachter, op zijn beurt, maakte in gedachten zijn huid van steen.
Het gevolg daarvan was dat Slachters wang zo hard werd als steen, maar dat Perijn het toch brak. Ze raakten de grond en rolden bij elkaar weg. Toen Slachter opstond, oogde zijn rechterwang als dat van een standbeeld dat met een hamer was geraakt: er lag een netwerk van barstjes over de huid.
Toen er bloed door die barstjes begon te sijpelen, sperde Slachter geschrokken zijn ogen open. Hij bracht zijn hand naar zijn wang en voelde het bloed. De huid werd weer vlees, en daarin verschenen hechtingen alsof hij was opgelapt door een chirurgijn. Je kon jezelf genezen in de wolfsdroom.
Slachter sneerde naar Perijn en sprong. Ze dansten heen en weer, omringd door kolkend stof dat zich omvormde tot de gezichten en lichamen van mensen die streden voor hun leven op een andere plek, in een andere wereld. Perijn dook door een tweetal heen, en het stof dwarrelde van Mah’alleinir af toen hij uithaalde. Slachter schuifelde achteruit, riep wind op om hem weg te blazen, en toen kwam hij razendsnel naar voren.
Perijn werd zonder erbij na te denken een wolf, waardoor Slachters zwaard onschadelijk over zijn hoofd zwaaide. Jonge Stier sprong tegen Slachter aan en duwde hem achteruit, dwars door de wazige omtrekken van twee Aiel die tegen elkaar vochten. Ze ontploften in een wolk zand en stof. Anderen vormden zich langs de zijkanten en verwaaiden weer.
De gierende storm brulde in de oren van Jonge Stier en het stof begroef zich in zijn huid en ogen. Hij rolde over Slachter heen en dook op zijn keel af. Hoe heerlijk zal het zijn om het bloed van die tweepoter in mijn bek te proeven. Slachter verplaatste zich.
Jonge Stier werd Perijn, met zijn hamer in de hand, ineengedoken op de vlakte vol flarden van gevechten en veranderende mensen. Voorzichtig, dacht hij. Je bent een wolf, maar méér een man. Geschrokken besefte hij dat sommige van de flarden die hij zag niet geheel menselijk waren. Hij zag er een paar die verdacht slangachtig oogden, hoewel ze snel vervaagden.
Weerspiegelt deze plek soms ook andere werelden, vroeg hij zich af, omdat hij niet wist wat hij anders van die fantomen moest denken.