Slachter kwam met een verbeten gezicht weer op hem af. Perijns hamer werd warm in zijn hand en zijn been bonsde op de plek waar hi| was geraakt en Geheeld na zijn laatste gevecht met Slachter. Hij brulde en liet Slachters zwaard dichtbij komen – en hem zelfs de wang schampen – zodat hij met zijn eigen wapen de man in zijn zij kon beuken.
Slachter verdween.
Perijn ging door met zijn zwaai en dacht heel even dat hij de man had verslagen. Maar nee, zijn hamer had Slachter amper geraakt voordat hij verdween. De man was voorbereid geweest, klaar om zich te verplaatsen. Perijn voelde bloed door zijn baard naar zijn kin kruipen. Die schampslag had een wond in zijn wang geopend, ongeveer op dezelfde plek als waar hij Slachter in het gezicht had geraakt.
Hij snuffelde, draaiend om zijn as, om te bepalen waar Slachter naartoe was gegaan. Waar was hij gebleven? Hij rook niets.
Slachter had zich niet verplaatst naar een andere plek in de wolfsdroom. Hij wist dat Perijn hem dan kon volgen. In plaats daarvan moest hij zijn teruggesprongen naar de wakende wereld. Perijn jankte toen hij besefte dat hij zijn prooi kwijt was. De wolf verzette zich tegen de mislukte jacht en het kostte Perijn moeite om zichzelf weer in de hand te krijgen.
Hel was een geur die hem uiteindelijk terughaalde. De geur vanverbrande vacht, en een gejank van pijn.
Perijn verplaatste zich terug naar het pad boven hem. Er lagen verbrande en stervende wolven te midden van de lijken van roodsluiers.
Twee mannen stonden nog overeind, met de ruggen tegen elkaar aan, en vreemd genoeg hadden ze hun sluiers afgedaan. Hun tanden waren tot punten gevijld en ze glimlachten haast waanzinnig terwijl ze geleidden. Ze verkoolden de ene na de andere wolf.
Gaul was gedwongen dekking te zoeken achter een rotsblok. Zijn kleren smeulden en hij rook alsof hij pijn had.
De twee glimlachende geleiders schenen er niet om te malen dat hun metgezellen op de grond om hen heen dood lagen te bloeden. Perijn liep hun kant op. Een van hen hief een hand en stuurde een straal vuur naar hem toe. Perijn veranderde het in rook en liep er dwars doorheen, waarop de zwartgrijze rook om hem heen golfde en verdween.
De andere Aielman geleidde ook, in een poging de aarde onder Perijn te verscheuren. Perijn wist dat de aarde niet zou breken, dat het de wevingen zou weerstaan. Dat gebeurde ook. Perijn zag de wevingen niet, maar hij wist dat de aarde – ineens veel steviger – weigerde te bewegen zoals de man beval.
De eerste Aiel reikte grommend naar zijn speer, maar Perijn greep hem bij zijn nek.
Hij wilde dolgraag de keel van die man pletten. Hij was Slachter alwéér kwijtgeraakt, en nu waren er wolven dood vanwege die twee. Maar hij hield zich in. Slachter... Slachter verdiende erger dan de dood voor wat hij had gedaan. Perijn wist niets van deze mannen, en hij wist ook niet zeker of ze eeuwig zouden sterven, zonder wedergeboorte, als hij ze hier zou doden.
Hij was van mening dat iedereen, ook schepsels als deze, een tweede kans verdiende. De roodsluier verzette zich en probeerde Perijn te omhullen met wevingen van Lucht.
‘Je bent een halve gek,’ zei Perijn zacht. Toen keek hij de andere aan. ‘Jij ook.’
Ze keken allebei verbaasd, maar toen werden hun ogen glazig. Een van hen begon te kwijlen. Perijn schudde zijn hoofd. Slachter had ze helemaal niet opgeleid. Zelfs Gaul had na slechts een... hoe lang was het nu? Nou ja, zelfs Gaul wist dat je je niet zo moest laten grijpen door iemand die je geest kon aantasten.
Perijn moest aan hen blijven denken als halve gekken om de transformatie door te zetten. Hij knielde neer, zoekend tussen de wolven naar gewonde dieren die hij kon helpen. Hij liet verband om hun wonden verschijnen. Ze zouden hier snel genezen. Wolven schenen daartoe in staat te zijn. Ze waren er acht kwijt, en daar huilde Perijn om. De andere sloten zich bij hem aan, maar hun gedachten bevatten geen spijt. Ze hadden gevochten. Daarvoor waren ze gekomen.
Daarna bekeek Perijn de gevallen roodsluiers. Ze waren allemaal dood. Gaul kwam aanhinken met zijn verbrande arm tegen zijn lichaam gedrukt. De wond was ernstig, maar niet meteen levensbedreigend.
‘We moeten jou hier weghalen,’ zei Perijn tegen hem, ‘zodat je Geheeld kunt worden. Ik weet niet zeker hoe laat het is, maar ik denk dat we naar Merrilor moeten gaan om te wachten tot er een Poort opent.’
Gaul grijnsde breed. ‘Ik heb er twee gedood, Perijn Aybara. Een van hen kon geleiden. Ik dacht dat ik zoveel eer had, en dan stap jij naar voren en neemt er twee gevangen.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Bain zou zich rot lachen als ze dit kon zien.’
Perijn draaide zich om naar zijn drie gevangenen. Hen hier doden leek harteloos wreed, maar als hij hen liet gaan, zou hij opnieuw tegen ze moeten vechten en misschien nog meer wolven verliezen, nog meer vrienden.
‘Ik verwacht niet dat die kerels zich aan ji’e’toh zullen houden,’ zei Gaul. ‘En zou je trouwens ooit een man die kon geleiden als gai’shain nemen?’ Hij huiverde zichtbaar.
‘Vermoord ze gewoon, dan is het klaar,’ zei Lanfir.
Perijn keek haar aan. Hij was niet geschrokken toen ze sprak. Hij vvas inmiddels enigszins gewend geraakt aan hoe ze opdook en weer verdween, maar het ergerde hem wel.
‘Als ik ze hier dood, blijven ze dan voor eeuwig dood?’
‘Nee,’ zei ze. ‘Zo werkt het niet bij mannen.’
Vertrouwde hij haar? Op dit punt, om de een of andere reden, merkte hij dat hij dat deed. Waarom zou ze liegen? Maar toch, ongewapende mannen doden... Ze waren hier voor hem weinig meer dan zuigelingen.
Nee, dacht hij. Er waren wolven dood. Dit zijn geen zuigelingen, ze zijn veel gevaarlijker.
‘Die twee zijn Bekeerd,’ zei ze. Ze sloeg haar armen over elkaar en knikte naar de twee geleiders. ‘Velen worden tegenwoordig in hun soort leven geboren, maar die twee hebben gevijlde tanden. Ze zijn ontvoerd en Bekeerd.’
Gaul mompelde iets. Het leek een vloek, maar tegelijkertijd klonk het ontzagvol. Het was iets in de Oude Spraak, en Perijn wist niet wat het betekende. Daarna hief Gaul echter een speer en gaf een geur van spijt af. ‘Jullie hebben in zijn oog gespuugd, en dus gebruikt hij jullie nu, broeders. Wat verschrikkelijk...’
Bekeerd, dacht Perijn. Net als die mannen in de Zwarte Toren. Hij fronste, stapte naar voren en nam het hoofd van een van de mannen tussen zijn handen. Kon Perijn de man met zijn wilskracht terughalen naar het Licht? Als hij gedwongen kon worden om kwaadaardig te zijn, kon hij dan ook worden genezen?
Perijn raakte iets heel groots toen hij tegen de geest van die man duwde. Zijn wil ketste erop af als een tak op een ijzeren deur. Perijn ging struikelend achteruit.
Hij keek Gaul aan en schudde zijn hoofd. ‘Ik kan niets voor ze doen.’
‘Ik doe het wel,’ zei Gaul. ‘Het zijn broeders.’
Perijn knikte met tegenzin, en Gaul sneed de mannen de keel af. Zo was het beter. Toch verscheurde het Perijn vanbinnen om dit te zien. Hij haatte het, wat oorlog met mensen deed, met hém deed. De Perijn van maanden geleden had hier nooit naar kunnen kijken. Maar nu... Als Gaul het niet had gedaan, zou hij het zelf hebben gedaan.
‘Je bent soms zo’n klein kind,’ zei Lanfir, die nog steeds met over elkaar geslagen armen naar hem keek. Ze zuchtte en pakte zijn pols vast. Een golf van ijzige Heling spoelde door hem heen. De wond op zijn wang sloot zich.
Perijn haalde diep adem en knikte naar Gaul.
‘Ik ben je dienstertje niet, wolfsjong,’ bromde ze.
‘Wil je dat ik geloof dat je geen vijand van me bent?’ vroeg hij. ‘Dan is dat een goede plek om te beginnen.’
Zuchtend wenkte ze Gaul ongeduldig dichterbij. Hij hinkte naar haar toe en ze Heelde hem.
De grot achter hen beefde door een gerommel in de verte. Ze keek die kant op en kneep haar ogen tot spleetjes. ‘Ik kan hier niet blijven,’ zei ze. Toen was ze weg.
‘Ik weet niet wat ik van haar moet denken,’ zei Gaul, wrijvend over zijn verbrande mouw, maar zijn wond was genezen. ‘Ik denk dat ze met ons speelt, Perijn Aybara. Ik weet alleen niet wat voor spelletje.’