Выбрать главу

Perijn gromde instemmend.

‘Die Slachter... hij zal terugkomen.’

‘Ik probeer te bedenken hoe ik daar iets aan kan doen,’ zei Perijn, reikend naar zijn middel, waar hij de droomprikker met lussen aan zijn riem had bevestigd. Hij maakte het ding los. ‘Blijf hier op wacht staan,’ zei hij tegen Gaul, en toen ging hij de grot binnen.

Perijn liep langs die stenen tanden. Hij kon zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat hij de bek van een Duisterhond in kroop. Het licht onder aan de helling was verblindend, maar Perijn maakte een beschaduwde bel om zichzelf heen, als glas dat slechts half doorzichtig was. Hij zag Rhand en iemand anders staan, vechtend met zwaarden aan de rand van een diep gat.

Nee. Het was geen gat. Perijn keek er met open mond naar. Het leek wel alsof de hele wéreld daar ten einde kwam, alsof de grot uitkwam in een uitgestrekt niets. Een eeuwig uitspansel, als het zwart van de saidinwegen, alleen leek dit aan hem te trékken. Aan hem, en aan al het andere. Hij was gewend geraakt aan de storm die buiten raasde, dus had hij de wind in de tunnel niet eens opgemerkt. Nu hij erop lette, voelde hij dat de lucht door de grot stroomde en dat gat in ging.

Kijkend in die opening wist hij dat hij duisternis nooit echt had begrepen, niet echt. Dit was duisternis. Dit was het niets. Het einde van alles. Gewone duisternis was angstaanjagend vanwege wat er zich in kon verbergen. Deze duisternis was anders. Als je hierin werd opgeslokt, zou je voor eeuwig ophouden te bestaan.

Perijn ging struikelend achteruit, hoewel de wind die aan hem trok niet overdreven sterk was. Alleen maar... aanhoudend, als een stroom naar het niets toe. Perijn greep de droomprikker stevig vast en dwong zichzelf om zich af te wenden van Rhand.

Verderop zat iemand geknield op de grond. Ze had haar hoofd gebogen en oogde gespannen, alsof ze zich verzette tegen een grote kracht vanuit dat niets. Moiraine? Ja, en rechts van haar knielde Nynaeve.

De sluier tussen de werelden was hier heel dun. Als Perijn Nynaeve en Moiraine kon zien, konden zij hem misschien ook zien of horen. Hij stapte naar Nynaeve toe. ‘Nynaeve? Kun je me horen?’

Ze knipperde met haar ogen en draaide haar hoofd heen en weer. Ja, ze hoorde hem! Maar ze kon hem niet zien, schijnbaar. Ze speurde verwad om zich heen en hield zich vast aan de stenen tanden op de vloer alsof haar leven ervan afhing.

‘Nynaeve!’ riep Perijn.

‘Perijn?’ fluisterde ze, om zich heen kijkend. ‘Waar ben je?’

‘Ik ga iets doen, Nynaeve,’ zei hij. ‘Ik zal het onmogelijk maken om hier Poorten naartoe te maken. Als je van of naar deze plek wilt Reizen, zul je je Poort buiten voor de grot moeten maken. Is dat goed?’

Ze knikte, nog steeds naar hem speurend. Kennelijk, hoewel de echte wereld werd weerspiegeld in de wolfsdroom, was het andersom niet het geval.

Perijn stak de droomprikker in de grond en activeerde hem zoals Lanfir hem had voorgedaan. Hij maakte de paarsige bel net groot genoeg om de grot te omvatten. Toen haastte hij zich weer de tunnel in en stapte door een wand van paars glas om zich bij Gaul en de wolven aan te sluiten.

‘Licht,’ zei Gaul. ‘Ik wilde net naar je gaan zoeken. Waarom duurde dat zo lang?’

‘Hoezo?’ vroeg Perijn.

‘Je bent zeker twee uur weggeweest.’

Perijn schudde zijn hoofd. ‘Dat komt doordat de Bres met ons tijdsbesef speelt. Nou, met die droomprikker daar zal Slachter in ieder geval moeite hebben om bij Rhand te komen.’

Nadat Slachter de droomprikker tegen hem had gebruikt, gaf het veel voldoening om de ter’angreaal nu tegen de man te gebruiken. Perijn had de beschermende bel net groot genoeg gemaakt om in de grot te passen en Rhand, de Bres en de anderen daar af te schermen. Alle wanden van de koepel, behalve die hier aan de voorkant, bevonden zich binnen de rotsen.

Slachter zou niet midden in de grot kunnen springen om aan te vallen. Hij zou via de ingang aan de voorkant naar binnen moeten gaan. Of hij zou moeten proberen zich door de rotsen heen te graven, wat Perijn hier in de wolfsdroom ook mogelijk achtte. Hoe dan ook, het zou hem vertragen, en dat was wat Rhand nodig had.

Jullie moeten deze plek voor me bewaken, verzocht Perijn de verzamelde wolven, van wie vele nog bezig waren hun wonden te likken. Schaduwdoder vecht hierbinnen, jagend op de gevaarlijkste prooi die deze wereld ooit heeft gekend. We mogen Slachter niet bij hem laten komen.

We zullen deze plek bewaken, Jonge Stier, stuurde een van hen terug. Er komen nog andere helpen. We zullen hem er niet langs laten.

Kunnen jullie dit? Perijn stuurde een beeld door van wolven verspreid door de Grenslanden, die snel boodschappen aan elkaar doorgaven. Er liepen er vele duizenden in het gebied rond.

Perijn was trots op zijn zending. Hij stuurde zijn boodschap niet in woorden of beelden, maar als een concept vermengd met geuren en een klein beetje instinct. Als de wolven zich zo verspreidden, kon den ze hem als een inlichtingennetwerk bijna meteen waarschuwen als Slachter terugkeerde.

Dat kunnen we, stuurden de wolven terug.

Perijn knikte en wenkte Gaul.

‘Blijven we hier niet?’ vroeg hij.

‘Er gebeurt te veel,’ zei Perijn. ‘De tijd verstrijkt hier te langzaam. Ik wil niet dat we de hele oorlog missen.’

Bovendien moest hij nog steeds uitzoeken wat Graendal in haar schild voerde.

26

Overwegingen

Ik vecht niet graag naast die Seanchanen,’ zei Gawein zachtjes tegen Egwene.

Het beviel haar ook niet, en ze wist dat hij dat aanvoelde. Maar wat kon ze zeggen? Ze kon de Seanchanen niet wegsturen. De Schaduw had de Sharanen onder zijn banier geschaard, en dus moest Egwene gebruiken wat zij had. Alles wat ze had.

Haar nek kriebelde toen ze het veld overstak naar de ontmoetingsplek enkele honderden meters ten oosten van de voorde in Arafel. Brin had het grootste deel van haar troepen al bij de voorde opgesteld. Aes Sedai waren op de heuvels even ten zuiden van de voorde te zien, en grote eskaders boogschutters en piekeniers stonden op de hellingen beneden hen. De troepen hadden een beetje kunnen uitrusten. De dagen waarin Egwenes leger zich had teruggetrokken, hadden iets van de druk van de oorlog weggenomen, ondanks pogingen van de vijand om hen tot een strijd te verlokken.

Ze waren nu afhankelijk van Seanchaanse bijstand tegen de Sharaanse geleiders. Egwenes maag draaide haast om. Ze had een keer gehoord dat meedogenloze mannen in Caemlin uitgehongerde honden samen in een kuil zetten en weddenschappen afsloten op welke hond het daaropvolgende gevecht zou overleven. Dit voelde wat haar betreft net zo. De Seanchaanse damane waren niet vrij, ze konden niet zelf bepalen of ze wilden meevechten. Voor zover Egwene de mannelijke Sharaanse geleiders had gezien, waren dat ook weinig meer dan dieren.

Egwene zou zich met elke ademteug tegen de Seanchanen moeten verzetten en zich niet bij hen moeten aansluiten. Haar instincten kwamen in opstand toen ze de verzameling Seanchanen naderde. De Seanchaanse Keizerin had deze bespreking met Egwene geëist. Hopelijk was het snel achter de rug.

Egwene had verslagen ontvangen over die Fortuona, dus ze wist wat ze kon verwachten. De kleine Seanchaanse Keizerin stond op een laag platform en keek naar de voorbereidingen voor de strijd. Ze droeg een glinsterend gewaad met aan de achterkant een belachelijk lange sleep die werd gedragen door acht da’covale, van die bedienden in verschrikkelijk onzedige kleding. Verschillende leden van het Bloed stonden in behoedzame houdingen te wachten. Indrukwekkende doodswachtgardisten in bijna zwarte pantsers hadden zich als rotsblokken om de Keizerin heen opgesteld.

Egwene stapte naar voren met haar eigen soldaten en een groot deel van de Zaal van de Toren. Fortuona had er aanvankelijk op aangedrongen dat Egwene haar in haar kamp kwam bezoeken. Egwene had dat natuurlijk geweigerd. Het had uren geduurd voordat /e overeenstemming hadden bereikt. Ze zouden allebei naar deze plek in Arafel komen, en allebei zouden ze staan in plaats van zitten, zodat een van tweeën de indruk kon wekken boven de ander te staan. I nch was Egwene geërgerd toen ze zag dat de vrouw al op haar wachtte. Ze had liever gehad dat ze allebei tegelijkertijd waren aangekomen.