Fortuona wendde zich af van de voorbereidingen en keek naar Egwene. Het leek erop dat veel van Siuans verslagen het mis hadden. Ja, goed, met die tengere lichaamsbouw en fijne gelaatstrekken leek Fortuona wel een beetje op een kind, maar daar hield het wel op. Geen enkel kind had ooit zulke scherpe, berekenende ogen gehad. Egwene stelde haar verwachtingen bij. Ze had zich Fortuona ingebeeld als verwende jonge vrouw, het product van een beschermd leven.
‘Ik heb erover nagedacht,’ zei Fortuona, ‘of het gepast zou zijn om in eigen persoon met u te spreken, met mijn eigen stem.’
Enkele leden van het Seanchaanse Bloed – met hun gelakte vingernagels en deels geschoren hoofden – slaakten kreten. Egwene negeerde hen. Naast hen stonden een aantal paren sul’dam en damane. Als ze naar die paren keek, werd ze misschien boos.
‘Ik heb zelf ook nagedacht,’ zei Egwene, ‘of het gepast zou zijn om te spreken met iemand als u, die zulke vreselijke wandaden heeft begaan.’
‘Ik heb besloten dat ik met u zal praten,’ vervolgde Fortuona, die Egwenes opmerking negeerde. ‘Ik denk dat het voorlopig beter is als ik u niet beschouw als een marath’damane, maar als een koningin van het volk in dit land.’
‘Nee,’ zei Egwene. ‘U zult me beschouwen als wat ik ben, vrouw. Ik eis het.’
Fortuona tuitte haar lippen. ‘Goed dan,’ besloot ze uiteindelijk. ‘Ik heb al eerder met damane gesproken. Ik vond het een leuk tijdverdrijf om ze op te leiden. Het zal geen schending van het protocol zijn om als zodanig met u om te gaan, aangezien de Keizerin ook met haar honden praat.’
‘Dan zal ik ook vrijuit spreken,’ zei Egwene, die haar gezicht onbewogen hield. ‘De Amyrlin oordeelt namelijk over vele rechtszaken. Ze moet in staat zijn te praten met moordenaars en verkrachters om een oordeel over hen te kunnen vellen. Ik denk dat u zich thuis zou voelen in hun gezelschap, hoewel ik vermoed dat ze u weerzinwekkend zouden vinden.’
‘Ik zie wel in dat dit een onbehaaglijk bondgenootschap zal worden.’
‘Had u dan iets anders verwacht?’ vroeg Egwene. ‘U houdt mijn zusters gevangen. Wat u hen hebt aangedaan is erger dan moord. U hebt ze gemarteld, hun wil gebroken. Ik zou wensen bij het Licht dat u ze in plaats daarvan gewoon meteen had vermoord.’
‘Ik verwacht niet van u dat u begrijpt wat er moet gebeuren,’ zei Fortuona, die weer naar het slagveld keek. ‘U bent een marath’damane. Het is... natuurlijk dat u op zoek gaat naar uw eigen goede kanten, zoals u die ziet.’
‘Inderdaad. Natuurlijk,’ zei Egwene zacht. ‘Daarom sta ik er ook op dat u me ziet voor wat ik ben, want ik vertegenwoordig het grootste bewijs dat uw samenleving en uw rijk gebouwd zijn op onwaarheden. Hier sta ik, een vrouw van wie u volhoudt dat ze in het algemeen belang een halsband zou moeten dragen. En toch vertoon ik geen van de wilde of gevaarlijke neigingen waarvan u beweert dat ik die zou moeten hebben. Zolang ik vrij ben van uw halsband, bewijs ik aan elke man en vrouw die ademhaalt dat u liegt.’
De andere Seanchanen mompelden. Fortuona zelf hield haar gezicht uitgestreken.
‘U zou veel gelukkiger zijn bij ons,’ zei Fortuona.
‘O ja?’ vroeg Egwene.
‘Ja. U zegt dat u de halsband haat, maar als u hem zou dragen, zou u merken dat uw leven dan veel vrediger is. We martelen onze damane niet. We zorgen voor hen en bieden ze een leven van voorrechten.’
‘U weet het niet, hè?’ vroeg Egwene.
‘Ik ben de Keizerin,’ zei Fortuona. ‘Mijn bewind strekt zich uit over zeeën, en in de landen die onder mijn bescherming vallen is alles wat de mensheid weet en denkt omvat. Als er dingen zijn die ik niet weet, dan zijn ze bekend bij anderen in mijn Keizerrijk, want ik bén het Keizerrijk.’
‘Prachtig,’ zei Egwene. ‘En beseft uw Keizerrijk dat ik zo’n halsband van u heb gedragen? Dat ik ooit ben opgeleid door uw sul’dam?’
Fortuona verstarde en beloonde Egwene met een geschrokken blik, hoewel ze die meteen weer verborg.
‘Ik was damane in Falme,’ zei Egwene, ‘opgeleid door Renna. Ja, ik heb uw halsband gedragen, vrouw. Ik vond er geen vrede in. Ik vond alleen pijn, vernedering en doodsangst.’
‘Waarom wist ik dit niet?’ vroeg Fortuona luidkeels, en ze draaide zich om. ‘Waarom heeft niemand me dit verteld?’
Egwene keek naar de verzamelde Seanchaanse edelen. Fortuona leek het vooral tegen één man te hebben, een man in kostbare zwarte en gouden kleding met wit kant. Hij had een ooglapje over zijn ene oog, ook zwart, en de nagels van zijn beide handen waren gelakt in een donkere...
‘Mart?’ sputterde Egwene.
Hij zwaaide slapjes en keek beschaamd.
O, Licht, dacht ze. Wat heeft hij zich nu weer op de hals gehaald? In haar gedachten kwam van alles voorbij. Mart had zich uitgedost als een Seanchaanse edele. Ze wisten vast niet wie hij werkelijk was. Kon ze misschien iets aanbieden om hem te redden?
‘Kom,’ zei Fortuona.
‘Die man is niet...’ begon Egwene, maar Fortuona ging door.
‘Knotai,’ zei ze, ‘wist jij dat deze vrouw een ontsnapte damane was? Jij hebt haar als kind gekend, geloof ik.’
‘Weet u wie hij is?’ vroeg Egwene.
‘Natuurlijk weet ik dat,’ zei Fortuona. ‘Hij heet nu Knotai, maar ooit heette hij Martrim Cauton. Denk maar niet dat hij u zal dienen, marath’damane, hoewel jullie samen zijn opgegroeid. Hij is nu de Prins van de Raven, een rang die hij heeft verworven via zijn huwelijk met mij. Hij dient de Seanchanen, de Kristallen Troon en de Keizerin’.
Moge ze eeuwig leven,’ zei Mart. ‘Hallo, Egwene. Blij te zien dat je aan die Sharanen bent ontkomen. Hoe gaat het met de Witte Toren? Nog steeds... wit, neem ik aan?’
Egwene keek heen en weer tussen Mart en de Seanchaanse Keizerin. Uiteindelijk, omdat ze niet anders kon, barstte ze in lachen uit. ‘Bent u met Martrim Cauton getrouwd?’
‘De voortekenen voorspelden het,’ zei Fortuona.
‘U bent te dicht bij een ta’veren gekomen,’ zei Egwene, ‘en dus heeft het Patroon u aan hem gebonden!’
‘Dwaas bijgeloof,’ schamperde Fortuona.
Egwene keek naar Mart.
‘Dat ik ta’veren ben heeft me nooit veel opgeleverd,’ zei Mart zuur. ‘Ik moet misschien maar blij zijn dat het Patroon me niet aan mijn haren naar Shayol Ghul heeft gesleurd. Dat is wel een kleine zegen.’
‘Je hebt mijn vraag niet beantwoord, Knotai,’ zei Fortuona. ‘Wist je dat deze vrouw een ontsnapte damane was? Zo ja, waarom heb je dat dan niet tegen me gezegd?’
‘Ik heb er eigenlijk niet aan gedacht,’ antwoordde Mart. ‘Ze is niet lang damane geweest, Tuon.’
‘We spreken hier nog wel een keer over,’ zei Fortuona zacht. ‘Het zal niet aangenaam zijn.’ Ze wendde zich weer tot Egwene. ‘Spreken met een voormalige damane is niet hetzelfde als spreken met een pas gevangen damane of iemand die altijd vrij is geweest. Het nieuws hierover zal zich verspreiden. U hebt me... ongemak bezorgd.’
Egwene keek de vrouw stomverbaasd aan. Licht! Die mensen waren volkomen krankzinnig. ‘Wat wilde u bereiken door op dit overleg aan te dringen? De Herrezen Draak zegt dat u zult helpen bij onze strijd. Help ons dan.’
‘Ik moest u spreken,’ zei Fortuona. ‘U bent mijn evenknie. Ik heb beloofd de vrede aan te nemen die de Draak aanbood, maar er zijn voorwaarden.’
O, Licht, Rhand, dacht Egwene. Wat heb je ze beloofd? Ze bereidde zich voor.
‘Samen met onze belofte om te strijden,’ zei Fortuona, ‘zal ik de soevereine grenzen erkennen van naties zoals die op het ogenblik bestaan. We zullen niet de gehoorzaamheid van marath’damane afdwingen, behalve wanneer die onze grenzen overschrijden.’
‘En die grenzen zijn?’ vroeg Egwene.
‘Zoals ze op het ogenblik liggen, zoals ik al...’
‘Wees eens specifieker,’ drong Egwene aan. ‘Vertel het me met uw eigen stem, vrouw. Welke grenzen?’