Fortuona vertrok haar lippen tot een streep. Ze was het overduidelijk niet gewend om in de rede te worden gevallen. ‘Wij bezitten Altara, Amadicia, Tarabon en de Almothvlakte.’
‘Tremalkin,’ zei Egwene. ‘Laat u Tremalkin en de andere eilanden van het Zeevolk los?’
‘Die heb ik niet genoemd omdat ze niet op uw land liggen, maar in zee. Ze gaan u niet aan. Bovendien maken ze geen deel uit van de overeenkomst met de Herrezen Draak. Hij heeft ze niet genoemd.’
‘Hij heeft veel aan zijn hoofd. Tremalkin zal deel uitmaken van de overeenkomst met mij.’
‘Ik was me er niet van bewust dat we zo’n overeenkomst sloten,’ antwoordde Fortuona rustig. ‘U hebt onze hulp nodig. We kunnen ieder ogenblik vertrekken, als ik het bevel daartoe geef. Hoe zou het u tegen dat leger vergaan zonder onze hulp, die u me nog zo kort geleden nog smeekte te verlenen?’
Smeekte? ‘Beseft u wel wat er gebeurt als we de Laatste Slag verliezen? De Duistere breekt het Rad, doodt het Grote Serpent, en alles zal eindigen. Als we geluk hebben. Als we pech hebben, zal de Duistere de wereld opnieuw vormen volgens zijn eigen verknipte beeld. AIle mensen zullen aan hem worden gebonden in een eeuwigheid van leed, slavernij en foltering.’
‘Daar ben ik me van bewust,’ antwoordde Fortuona. ‘U doet alsof dit gevecht hier – hier, op dit slagveld – doorslaggevend is.’
‘Als mijn leger vernietigd wordt,’ zei Egwene, ‘dan is onze hele onderneming in gevaar. Alles zou inderdaad kunnen afhangen van wat hier gebeurt.’
‘Daar ben ik het niet mee eens,’ wierp Fortuona tegen. ‘Uw legers zijn niet van doorslaggevend belang. Uw soldaten zijn de kinderen van eedbrekers. U vecht tegen de Schaduw, en daarvoor eer ik u. Als u zou verliezen, zou ik terugkeren naar Seanchan, de volledige macht van het Eeuwig Zegevierende Leger bijeenbrengen en dat inzetten tegen deze... verschrikking. We zouden de Laatste Slag alsnog winnen. Het zou lastiger worden zonder u, en ik wil geen nuttige levens of innerlijke damane verspillen, maar ik heb er vertrouwen in dat we het ook op eigen houtje tegen de Schaduw zouden kunnen opnemen.’
Ze keek Egwene in de ogen.
Zo kil, dacht Egwene. Ze bluft. Dat moet wel. Verslagen van Siuans ogen-en-oren meldden dat het een chaos was in het Seanchaanse thuisland. Een opvolgingscrisis.
Misschien geloofde Fortuona echt dat het Keizerrijk het op eigen houtje tegen de Schaduw kon opnemen. Maar als ze dat dacht, had ze het mis.
‘U zult met ons mee vechten,’ zei Egwene. ‘U hebt een verdrag gesloten met Rhand, hem uw eed gegeven, neem ik aan.’
‘Tremalkin is van ons.’
‘O?’ vroeg Egwene. ‘En hebt u daar een leider aangesteld? Iemand van het Zeevolk, die uw bewind erkent?’
Fortuona zei niets.
‘U hebt de trouw van de meeste andere landen die u hebt veroverd,’ vervolgde Egwene. ‘In goede of slechte tijden, de Altaranen en Amadicianen volgen u. De Taraboners lijken dat ook te doen. Maar het Zeevolk... Ik heb geen enkel verslag ontvangen waarin wordt gemeld dat ook maar één van hen u steunt of vredig onder uw duim leeft.’ ‘Grenzen...’
‘De grenzen die u net noemde, zoals ze op de kaarten staan, geven Tremalkin weer als een Zeevolkland. Het is niet van u. Als ons verdrag de grenzen houdt zoals ze zijn, dan zou u een regent in Tremalkin nodig hebben om u te erkennen.’
Het leek Egwene nogal een zwak argument. De Seanchanen waren veroveraars. Wat kon hun het schelen of ze enige wettigheid hadden? Maar Fortuona scheen over Egwenes woorden na te denken. Ze fronste peinzend haar voorhoofd.
‘Dat... is een goed argument,’ gaf Fortuona uiteindelijk toe. ‘Ze hebben ons niet aanvaard. Het is dom van ze om de vrede te weigeren die we aanbieden, maar dat hebben ze inderdaad gedaan. Goed dan, we zullen Tremalkin verlaten, maar ik wil net als u een voorwaarde toevoegen aan onze overeenkomst.’
‘En die voorwaarde is?’
‘U zult het volgende bekendmaken via uw Toren en door uw landen,’ zei Fortuona. ‘Elke marath’damane die naar Ebo Dar wil komen om zich fatsoenlijk aan de halsband te onderwerpen, moet daar de gelegenheid toe krijgen.’
‘Denkt u dat er ook maar iemand is die zo’n halsband wil?’ Ze was krankzinnig. Dat moest wel.
‘Natuurlijk,’ antwoordde Fortuona. ‘In Seanchan worden heel af en toe vrouwen die kunnen geleiden over het hoofd gezien bij onze zoektochten. Als ze ontdekken wat ze zijn, komen ze naar ons toe en eisen de halsband, zoals het hoort. U zult niemand dwingen bij ons weg te blijven. U moet hen laten komen.’
‘Ik beloof u dat niemand dat zal doen.’
‘Dan zou het geen punt voor u moeten zijn die verklaring uit te vaardigen,’ zei Fortuona. ‘We zullen afgezanten sturen om uw men sen te onderwijzen over de voordelen van damane. Onze leermeesters
zullen in vrede komen, want we zullen ons aan het verdrag houden. Ik denk dat u nog verbaasd zult staan. Sommige vrouwen zullen inzien wat juist is.’
‘Doe wat u wilt,’ zei Egwene vermaakt. ‘Overtreed geen wetten, dan vermoed ik dat de meesten uw... afgezanten zullen ontvangen. Ik kan niet voor alle vorsten spreken.’
‘En de landen die u bestuurt? Tar Valon? Zult u onze afgezanten toelaten?’
‘Zolang ze geen wetten overtreden,’ beloofde Egwene, ‘zal ik ze de mond niet snoeren. Ik zou Witmantels binnenlaten als ze hun zegje konden doen zonder mensen tot opstanden aan te zetten. Maar Licht, vrouw. U kunt toch niet echt geloven...’
Ze liet haar stem wegsterven terwijl ze naar Fortuona keek. Ze geloofde het echt. Voor zover Egwene kon zien, geloofde ze het echt.
Ze is in ieder geval oprecht, dacht Egwene. Krankzinnig, maar oprecht.
‘En de damane die u al hebt?’ vroeg Egwene. ‘Laat u die vrij als ze dat willen?’
‘Niemand die fatsoenlijk is opgeleid zal dat wensen.’
‘Dit moet beide kanten op gaan,’ drong Egwene aan. ‘Stel dat u een meisje ontdekt dat kan geleiden en dat geen damane wil worden. Laat u haar dan uw landen verlaten en naar ons toe komen?’
‘Dat zou net zoiets zijn als een dolle grolm vrijlaten op een stadsplein.’
‘U zei dat de mensen zelf de waarheid zullen inzien,’ zei Egwene. Als uw levenswijze zo goed is, uw denkbeelden zo waarachtig, dan zullen mensen ze zien voor wat ze zijn. Zo niet, dan moet u ze niet dwingen. Laat iedereen die vrij wil zijn vrij, dan laat ik uw mensen spreken in Tar Valon. Licht! Ik zal ze kost en inwoning geven, en ik zal zorgen dat datzelfde in alle steden gebeurt!’
Fortuona keek Egwene aan. ‘Vele van onze sul’dam zijn naar deze oorlog gekomen met het vooruitzicht om nieuwe damane te vangen onder diegenen die de Schaduw dienen. Die Sharanen, misschien. Wilt u soms dat we hen vrijlaten, of uw zusters van de Schaduw? Om te vernietigen, te moorden?’
‘Om te worden gehoord en terechtgesteld, onder het Licht.’
‘Waarom zouden we niet zorgen dat ze zich nuttig maken? Waarom zouden we hun levens vergooien?’
‘Wat u doet is een gruwel!’ zei Egwene geërgerd. ‘Zelfs de Zwarte Ajah verdient dat niet.’
Middelen moeten niet zo achteloos worden weggegooid.’
‘O nee?’ vroeg Egwene. ‘Beseft u wel dat ieder van uw sul’dam, uw geliefde leermeesteressen, zelf een marath’damane is?’
Fortuona keek haar kwaad aan. ‘Verspreid niet van dergelijke leugens.’
‘O? Zullen we het uitproberen, Fortuona? Je zegt dat je ze zelf hebt opgeleid. Je bent dus een sul’dam, neem ik aan? Leg de a’dam om je nek. Ik daag je uit. Als ik het mis heb, zal hij je niets doen. Als ik gelijk heb, zul je onderworpen zijn aan de kracht ervan en is bewezen dat je een marath’damane bent.’
Fortuona’s ogen werden groot van woede. Ze had Egwenes opmerkingen genegeerd toen ze voor misdadigster werd uitgemaakt, maar déze beschuldiging leek haar te steken... dus draaide Egwene het mes nog een beetje.
‘Ja,’ zei Egwene. ‘Laten we de werkelijke kracht van je toewijding beproeven. Als je in staat blijkt te zijn om te geleiden, zul je dan doen wat je beweert dat anderen zouden moeten doen? Zul je de halsband dan om je eigen nek klikken, Fortuona? Zul je je eigen wetten gehoorzamen?’