Выбрать главу

‘Die héb ik gehoorzaamd,’ zei Fortuona kil. ‘Je bent bijzonder onwetend. Misschien is het waar, dat sul’dam kunnen leren geleiden. Maar dat betekent niet dat ze marath’damane zijn, niet meer dan dat een man die een moordenaar kan wórden al als moordenaar wordt beschouwd.’

‘We zullen zien,’ zei Egwene, ‘zodra meer van je mensen beseffen welke leugens hun zijn verteld.’

‘Ik zal je zelf breken,’ zei Fortuona zachtjes. ‘Op een dag zal je volk je aan me uitleveren. Je zult jezelf vergeten, en je hoogmoed zal je naar onze grenzen leiden. Dan zal ik op je wachten.’

‘Ik heb me voorgenomen om eeuwenoud te worden,’ beet Egwene haar toe. ‘Ik zal je rijk zien instorten, Fortuona. Ik verheug me erop.’ Ze hief haar vinger om de vrouw op de borst te tikken, maar Fortuona bewoog zich razendsnel en greep Egwenes pols vast. Voor een zo kleine vrouw was ze wel erg snel.

Egwene omhelsde de Bron in een reflex. Damane vlakbij slaakten kreten en de gloed van de Ene Kracht sprong rondom hen op.

Mart drong zich tussen Egwene en Fortuona en duwde hen uit elkaar, met een hand op de borstkas van elke vrouw.

Egwene weefde instinctmatig om zijn hand weg te duwen met een draadje Lucht. Die weving viel uiteen, natuurlijk. Bloed en as, dat is onhandig! Ze was vergeten dat hij erbij was.

‘Laten we het beschaafd houden, dames,’ zei Mart, kijkend naar de een en toen naar de ander. ‘Anders leg ik jullie allebei over mijn knie.’

Egwene keek hem kwaad aan, maar Mart ontmoette haar blik. Hij probeerde haar woede op Fortuona naar zichzelf af te leiden.

Egwene keek naar zijn hand, die onbehaaglijk dicht bij haar borsten op haar borstkas drukte. Fortuona keek ook naar die hand.

Mart liet beide handen zakken, maar hij deed het op zijn dooie gemakje, volkomen zorgeloos. ‘De mensen van deze wereld hebben jullie allebei nodig, maar dan wel met een helder hoofd, is dat begrepen? Dit is groter dan wij allemaal. Als jullie tegen elkaar vechten, wint de Duistere, en dat is dat. Hou dus op met die kinderachtige aanstellerij.’

‘We zullen hier vanavond uitvoerig woorden over hebben, Knotai,’ waarschuwde Fortuona.

‘Ik ben dol op woorden,’ zei Mart. ‘Er bestaan echt heerlijk mooie woorden. Glimlach, dat heb ik altijd een mooi woord gevonden. Vind je ook niet? Of misschien de woorden: “Ik beloof dat ik Egwene niet zal vermoorden omdat ze heeft geprobeerd mij, de Keizerin, moge ik eeuwig leven, aan te raken, want we hebben haar echt verdomde hard nodig in de komende paar weken.’” Hij keek Fortuona indringend aan.

‘Ben je echt met hem getrouwd?’ vroeg Egwene aan Fortuona. ‘Echt waar?’

‘Het was... een ongebruikelijke gang van zaken,’ antwoordde Fortuona. Ze herpakte zich en keek kwaad naar Egwene. ‘Hij is van mij en ik ben niet van zins hem te laten gaan.’

‘Je lijkt me inderdaad niet het soort vrouw dat iets laat gaan als ze het eenmaal in handen heeft,’ zei Egwene. ‘Martrim heeft op het ogenblik niet mijn belangstelling. Je leger wel. Strijd je mee of niet?’

‘Ik strijd mee,’ zei Fortuona. ‘Maar mijn leger is niet onderworpen mii juIIie. Laat je generaal voorstellen naar ons toe sturen. We zullen ze overwegen. Maar ik zie nu al dat we moeite zullen hebben om de voorde tegen de indringer te verdedigen zonder een groter aantal van jullie marath’damane. Ik zal een paar van mijn eigen sul’dam en damane sturen om je leger te helpen. Dat is alles wat ik voorlopig doe.’ Ze draaide zich om en liep terug naar haar volk. ‘Kom, Knotai.’

‘Ik snap niet hoe je hierin bent beland,’ zei Egwene zachtjes tegen Mart. ‘Ik wil het ook niet weten. Maar ik zal doen wat ik kan om je te bevrijden zodra de gevechten eenmaal achter de rug zijn.’

‘Dat is aardig van je, Egwene,’ zei Mart, ‘maar ik kan dit zelf wel aan.’ Hij draafde achter Fortuona aan.

Dat zei hij altijd. Egwene zou er wel iets op vinden om hem te helpen. Ze schudde haar hoofd en keerde terug naar Gawein, die op haar wachtte. Leilwin had niet mee willen komen, hoewel Egwene had verwacht dat ze het leuk zou vinden om een paar van haar eigen landgenoten te zien.

‘We zullen ze op armlengte moeten houden,’ zei Gawein zachtjes.

‘Vind ik ook,’ beaamde Egwene.

‘En je wilt nog steeds naast de Seanchanen vechten, ondanks wat ze hebben gedaan?’

‘Zolang ze de Sharaanse geleiders bezighouden, ja.’ Egwene keek naar de horizon, naar Rhand, en de grote kracht die van hem afstraalde. ‘Onze mogelijkheden zijn beperkt, Gawein, en onze bondgenoten raken op. Voorlopig is iedereen die zich bereid verklaart om Trolloks te doden een vriend, en dat is dat.’

Het Andoraanse gelid boog door en Trolloks, grauwende beesten met stinkende adem die wolkjes vormde in de koude lucht, werkten zich erdoorheen. Elaynes hellebaardiers, die eromheen stonden, struikelden over elkaar heen in hun haast om te ontkomen. De eerste paar Trolloks negeerden hen en sprongen joelend over hen heen om ruimte te maken voor hun kameraden, die achter hen aan stroomden als donker bloed uit een wond.

Elayne haalde diep adem en probeerde haar laatste restjes kracht te verzamelen. Ze had het gevoel dat saidar haar elk ogenblik kon ontglippen, maar de mannen die vochten en stierven konden nu niet veel sterker zijn dan zij. Ze vochten al bijna allemaal het grootste deel van de dag.

Toen ze eindelijk de kracht had verzameld om te weven, roosterde ze de eerste paar Trolloks met vuurbollen en blokkeerde de doorstroom door de opening in de menselijke gelederen. Witte strepen, pijlen van Birgittes boog, volgden. Trolloks gorgelden en klauwden naar hun nek als ze erdoor werden geraakt.

Elayne stuurde vanaf de rug van haar paard de ene na de andere aanval op hen af. Met vermoeide handen omklemde ze het zadel terwijl ze met moeite haar loodzware oogleden openhield. Dode Trolloks vielen om en vormden een soort korst over de opening, waardoor de andere er niet meer door konden. Versterking kwam aanstrompelen, nam het terrein terug en dreef de Trolloks achteruit.

Elayne zuchtte duizelig. Licht! Ze had het gevoel dat ze met loden gewichten om haar benen een rondje om Caemlin had gerend. Ze kon amper rechtop zitten, laat staan de Ene Kracht vasthouden. Haar zicht dimde en werd toen nog donkerder. Geluiden klonken heel ver weg. En toen... duisternis.

Het geluid kwam als eerste terug. Geroep in de verte, gekletter. Ergens heel ver weg hoorngeschal. Het gejank van Trolloks. Af en toe een donderslag van de draken. Ze vuren niet zo vaak meer, dacht ze.

Aludra had een bepaald ritme in het afvuren aangebracht. Telkens trok Bashere één deel van zijn troepen terug en liet ze uitrusten. Zodra de Trolloks weer oprukten, bombardeerden de draken ze een tijdje. Als de Trolloks naar voren probeerden te sluipen om de draken te vernietigen, ging de cavalerie eropaf en beukte in op hun flanken.

Ze doodden een heleboel Trolloks. Dat was hun taak... Trolloks doden...

Te langzaam, dacht ze. Te langzaam...

Elayne zag dat ze op de grond lag, met Birgittes ongeruste gezicht boven haar.

‘O, Licht,’ mompelde Elayne. ‘Ben ik gevallen?’

‘We hebben je nog kunnen opvangen,’ antwoordde Birgitte. ‘Je zakte onderuit in onze armen. Kom, we trekken ons terug.’

‘Ik...’

Birgitte trok één wenkbrauw naar haar op en wachtte op haar tegenwerpingen.

Het was moeilijk om iets te verzinnen, op haar rug, slechts een paar passen van het front vandaan. Saidar was haar ontvlucht en ze zou het nu waarschijnlijk niet meer kunnen terugpakken, zelfs niet als haar leven ervan afhing. ‘Ja,’ zei ze. ‘Ik moet... even bij Bashere gaan kijken.’

‘Heel verstandig,’ zei Birgitte, die een wachter wenkte om Elayne weer op haar paard te helpen. Ze aarzelde. ‘Je hebt het hier goed gedaan, Elayne. Ze weten hoe je hebt gestreden. Het was goed dat ze dat zagen.’

Ze trokken zich haastig terug door de achterhoede. Die was erg ondiep, want de meeste soldaten waren voorin aan het vechten. Ze moesten winnen voordat het tweede Trollok-leger aankwam, en dat betekende dat ze alles wat ze hadden in de strijd moesten werpen.