Выбрать главу

Ik mag branden. Nou, Joni had altijd willen sneuvelen in de strijd. Brin hield zijn gevoelens in de hand. ‘Wie voert daar nu het bevel?’

‘Uno Nomestra,’ antwoordde de boodschapper. ‘Hij heeft ons bij elkaar geschaard toen Joni was gevallen, maar hij waarschuwt wel dat ze erg onder druk staan.’

‘Licht, Nomestra is niet eens een officier!’ Toch leidde hij al jaren zware cavalerie op, en er was waarschijnlijk niemand beter in het zadel dan hij. ‘Goed, ga terug en zeg dat ik hem meer versterking zal sturen.’

Brin wendde zich weer tot Holcom. ‘Ga naar kapitein Denhold en laat hem zijn reserve-eskader cavalerie over de voorde sturen om onze linkerllank te versterken. Laten we eens kijken wat die Illianers kunnen! We mogen die rivier niet verspelen!’

De boodschapper rende weg. Ik zal snel iets moeten doen om de druk op die Aes Sedai te verlichten. Hij draaide zich om en brulde: ‘Annah, waar ben je?’

Twee soldaten die verderop stonden te praten, werden opzij geduwd toen een stevige jonge vrouw – een voormalig koopliedenwachter en nu voetsoldaat en boodschapper in dienst van generaal Brin – zich tussen hen door wurmde. ‘Heer?’

‘Annah, ga dat monster van een Seanchaanse Keizerin smeken of ze mogelijk zo vriendelijk zou willen zijn om ons een deel van die verrekte cavalerie van haar te lenen.’

‘Zal ik het in diezelfde bewoordingen overbrengen?’ vroeg Annah, die met een glimlach om haar lippen salueerde.

‘Als je dat doet, meisje, smijt ik je in een ravijn en laat Yukiri Sedai een paar van haar nieuwe valwevingen op je uitproberen. Lopen!’ De boodschapper grijnsde en rende naar het Reisterrein.

Siuan keek Brin aan. ‘Je begint mopperig te worden.’

‘Dat komt door jouw goeie invloed,’ snauwde hij, opkijkend toen er een schaduw over hen heen ging. Hij reikte naar zijn zwaard in de verwachting weer een vlucht Draghkar te zien. In plaats daarvan was het alleen maar zo’n Seanchaans vliegend beest. Hij ontspande zich.

Het schepsel werd door een vuurbol uit de lucht gemept. Het viel draaiend omlaag, flapperend met brandende vleugels. Brin vloekte en sprong achteruit toen het monsterlijke dier op het pad smakte waar de boodschapper Annah heen was gerend. Het karkas van het dier rolde over haar heen en ging dwars door een van de bevoorradingstenten, nog vol met soldaten en kwartiermeesters. De ruiter van de raken kwam een tel later met een klap op de grond terecht.

Brin herstelde zich, sprong naar voren en dook onder een gevallen stuk tentdoek en palen op het pad. Twee van zijn wachters vonden een soldaat die half onder de vleugel van het dode beest gepind lag en trokken hem eronderuit, en Siuan knielde neer en haalde haar angreaal uit haar buidel om hem te Helen.

Brin liep door naar de plek waar Annah lag. Ze was verpletterd door het gevallen beest. ‘Verdomme!’ Hij zette gedachten aan de doden van zich af en overpeinsde wat hij moest doen. iemand moet voor me naar de Seanchanen toe!’

Van zijn gevolg waren alleen nog twee wachters en één klerk in het kamp. Brin had dringend wat meer Seanchaanse cavalerie nodig. Hij begon het gevoel te krijgen dat er een heleboel van afhing dat de Aes Sedai op die heuvels veilig waren. De Amyrlin was immers ook bij hen.

‘Het lijkt erop dat we zelf gaan,’ zei Brin, die Annahs lijk liet liggen. ‘Siuan, ben je sterk genoeg om een Poort te maken met die angreaal?’

Ze stond op en probeerde haar uitputting te verbergen, maar hij zag het toch. ‘Ja, maar hij zal zo klein zijn dat we erdoor moeten kruipen. Ik ken dit gebied niet goed genoeg. We zullen terug moeten naar het midden van het kamp.’

‘Het Licht verzenge me!’ schold Brin, die zich omdraaide toen er een reeks ontploffingen klonk bij de rivier. ‘We hebben hier geen tijd voor.’

‘Ik kan nog een paar boodschappers opzoeken,’ bood een wachter aan. De ander hielp de soldaat die Siuan had Geheeld overeind. De man stond wankel op zijn benen.

‘Ik weet niet of er nog wel boodschappers over zijn,’ zei Brin. ‘Laten we maar gewoon...’

‘Ik ga wel.’

Brin draaide zich om. Min Farsen kwam een stukje verderop overeind en klopte haar kleren af. Hij was bijna vergeten dat hij haar aan het werk had gezet als klerk bij een van de bevoorradingsploegen.

‘Het ziet er niet naar uit dat ik hier gauw weer als klerk aan het werk kan,’ zei Min, kijkend naar de ingestorte tent. ‘Ik kan even hard rennen als je boodschappers. Wat moet ik doen?’

‘Ga op zoek naar de Seanchaanse keizerin,’ antwoordde Brin. ‘Haar kamp ligt een paar mijl ten noorden van hier aan de Arafelse kant. Ga naar het Reisterrein. Zij weten wel waar ze je naartoe moeten brengen. Zeg tegen de keizerin dat ze me wat cavalerie moet sturen. Onze reservetroepen zijn op.’

‘Komt voor elkaar,’ zei Min.

Ze was geen soldaat. Nou ja, zijn halve leger bestond uit mensen die tot een paar weken geleden geen soldaten waren geweest. ‘Ga maar,’ zei hij, en toen glimlachte hij. ‘Ik zal deze dag werken wegstrepen tegen wat je me verschuldigd bent.’

Ze bloosde. Dacht ze dat hij een vrouw haar eed zou laten vergeten? Het maakte hem niet uit wiens gezelschap ze verkoos. Een eed was een eed.

Min rende door de achterhoede van het leger. Het kamp had weer wat meer tenten en karren – opgehaald uit pakhuizen in Tar Valon of Tyr – om alles te vervangen wat tijdens de eerste Sharaanse aanval verloren was gegaan. Het bleken obstakels waar ze zich een weg tussendoor moest banen terwijl ze op zoek was naar het Reisterrein.

Het terrein bestond uit een reeks met touw omspannen vierkanten, genummerd met beschilderde plankjes die in de grond waren gestoken. Een viertal vrouwen met grijze stola’s stond op gedempte toon te overleggen, terwijl een van hen een Poort openhield voor een wagen vol pijlen. De rustige ossen keken niet eens op toen een vuurbol vlakbij in de grond sloeg en roodgloeiende stenen de lucht in smeet. Enkele vonken belandden op een stapel dekenrollen, die begonnen te smeulen.

‘Ik moet naar het Seanchaanse leger,’ zei Min tegen de Grijzen. ‘Bevel van heer Brin.’

Een van de Grijze zusters, Ashmanaille, keek haar aan. Ze bekeek Mins broek en krullen en fronste haar voorhoofd. ‘Elmindreda? Liefje, wat doe jij hier?’

‘Liefje?’ vroeg een van de anderen. ‘Ze is toch een klerk?’ ik móét naar het Seanchaanse leger,’ zei Min, hijgend van het rennen. ‘Bevel van heer Brin.’

Deze keer leken ze haar te horen. Een van de vrouwen zuchtte. ‘Vierkant vier?’ vroeg ze aan de anderen.

‘Drie, liefje,’ zei Ashmanaille. ‘Op vier kan ieder ogenblik een Poort vanuit Illian openen.’

‘Drie,’ zei de eerste, die Min erheen gebaarde. Er was daar een kleine Poort. ‘Alle boodschappers kruipen,’ merkte ze op. ‘We moeten onze krachten sparen, dus Poorten moeten zo klein worden gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is.’

Is dit redelijk, dacht Min geërgerd, rennend naar het kleine gat. Ze liet zich op handen en knieën vallen en kroop erdoor.

Ze kwam uit op een kring van gras die zwart was gebrand om de plek van de Poort duidelijk aan te geven. Een paar Seanchaanse wachters stonden vlakbij. Ze hadden speren met kwastjes eraan en hun gezichten gingen verborgen onder die insectachtige helmen. Min wilde doorlopen, maar een van hen stak een hand op. ik ben een boodschapper van generaal Brin,’ zei ze.

‘Nieuwe boodschappers wachten hier,’ zei een van de wachters.

‘Het is dringend!’

‘Nieuwe boodschappers wachten hier.’

Ze kreeg verder geen uitleg, dus sloeg ze haar armen over elkaar -al stapte ze wel uit de zwarte kring, voor het geval er nog een Poort openging – en wachtte. Ze zag de rivier van hieraf, met een groot legerkamp uitgespreid over de oevers. De Seanchanen zouden een groot verschil kunnen maken in deze strijd, dacht Min. Het waren er zovéél. Ze was hier ver van de strijd, een paar mijl ten noorden van Brins kamp, maar nog altijd dichtbij genoeg om de lichtflitsen te zien terwijl geleiders dodelijke wevingen heen en weer schoten.