Выбрать главу

Ze merkte dat ze stond te schuifelen, dus dwong ze zichzelf om stil te blijven staan. Ontploffingen van wevingen klonken als doffe klappen. Het geluid ervan kwam pas na de lichtflitsen, als donder na bliksem. Waar kwam dat door?

Het maakt weinig uit, dacht Min. Ze had cavalerie nodig voor Brin. En in ieder geval dééd ze iets. Ze was de afgelopen week bijgesprongen overal waar ze zag dat een extra handje nodig was. Het was verbazingwekkend hoeveel er behalve vechten in een legerkamp te doen was. Het was geen werk waarvoor zij specifiek nodig was, maar het was beter dan in Tyr zitten en zich zorgen maken over Rhand... of kwaad op hem zijn omdat ze niet mee had mogen gaan naar Shayol Ghul.

Je zou daar een blok aan zijn been zijn geweest, hield Min zichzelf voor. Dat weet je. Hij had geen tijd om de wereld te redden en tegelijkertijd haar tegen Verzakers te beschermen. Soms viel het niet mee om je niet onbeduidend te voelen in een wereld vol geleiders zoals Rhand, Elayne en Aviendha.

Ze keek naar de wachters. Slechts één van hen had een beeld boven zijn hoofd zweven. Een bloederige steen. Hij zou sterven door een val van een hoge plek. Het leek wel tientallen jaren geleden dat ze nog eens iets hoopvols boven iemands hoofd had gezien. Dood, vernietiging, voorbodes van angst en duisternis.

‘En wie is zij?’ vroeg een lijzige Seanchaanse stem. Er was een sul’dam aangekomen, maar zonder damane. De vrouw hield een a’dam in haar hand en tikte met de zilverachtige halsband tegen haar andere handpalm.

‘Nieuwe boodschapper,’ antwoordde de wachter. ‘Ze is nog niet eerder door de Poorten gekomen.’

Min haalde diep adem. ‘Ik ben gestuurd door generaal Brin...’

‘Hij zou eerst met ons afstemmen over alle boodschappers,’ kapte de sul’dam haar af. Ze had een donkere huid en krullen tot op haar schouders. ‘De Keizerin – moge zij eeuwig leven – moet worden beschermd. Ons kamp moet ordelijk zijn. Alle boodschappers moeten bij ons bekend zijn, zodat we geen huurmoordenaars binnenhalen.’

‘Ik ben geen huurmoordenaar,’ zei Min vlak.

‘En de messen in je mouwen?’ vroeg de sul’dam.

Mm schrok.

‘Het is duidelijk te zien aan hoe je mouwen hangen, kind,’ zei de sul’dam, hoewel ze niet ouder was dan Min zelf.

‘Je moet als vrouw wel heel stom zijn om een slagveld over te steken zonder een of ander wapen,’ kaatste Min terug. ‘Laat me mijn boodschap overbrengen aan een van de generaals. De andere boodschapper is omgekomen toen een van jullie raken uit de lucht werd geschoten en op ons kamp viel.’

De sul’dam trok haar wenkbrauw op. ‘Ik ben Catrona,’ zei ze. ‘En jij doet wat ik zeg zolang je in dit kamp bent.’ Ze draaide zich om en wenkte Min mee.

Min haastte zich dankbaar achter de vrouw aan. Het Seanchaanse kamp was heel anders dan dat van Brin. Zij hadden raken om hun boodschappen en verslagen te vervoeren. Aangezien ze een Keizerin te beschermen hadden, hadden ze hun kamp ver bij de vijandelijkheden vandaan opgezet. Het oogde ook veel opgeruimder dan Brins kamp, dat bijna was vernietigd en weer opgebouwd en waarin mensen uit vele verschillende landen en met uiteenlopende achtergronden verbleven. Het Seanchaanse kamp was homogeen, vol geoefende soldaten.

Althans, zo besloot Min de ordelijkheid hier op te vatten. Seanchaanse soldaten stonden zwijgend in rijen te wachten op de oproep tot de strijd. Gedeelten van het kamp waren afgebakend met palen en touwen, alles duidelijk georganiseerd. Niemand draafde rond. Mannen liepen met rustige doelgerichtheid of stonden in de houding. Je kon zeggen wat je wilde over de Seanchanen – en Min had wel een aantal dingen over hen te zeggen – maar ze waren beslist georganiseerd.

De sul’dam leidde Min naar een gedeelte van het kamp waar enkele mannen achter registerboeken op hoge tafels stonden. Ze droegen mantels, hadden het half geschoren hoofd van hogere bedienden en maakten rustig aantekeningen. Onfatsoenlijk geklede jonge vrouwen met gelakte dienbladen liepen tussen de tafels door en zetten er kwetsbare witte kommetjes met een dampende zwarte vloeistof op.

‘Zijn we onlangs nog raken kwijtgeraakt?’ vroeg Catrona aan de mannen. ‘Is er een geraakt door een vijandelijke marath’damane in de vlucht, en kan die op het kamp van generaal Brin zijn neergestort?’

‘We hebben net een verslag binnengekregen over zoiets,’ antwoordde een dienaar met een buiging. ‘Ik ben verbaasd dat u daar al over hebt gehoord.’

Catrona’s wenkbrauw ging een stukje omhoog terwijl ze Min bekeek.

‘Had je niet de waarheid verwacht?’ vroeg Min.

‘Nee,’ zei de sul’dam. Ze bewoog haar hand en stopte een mes terug in de schede aan haar middel. ‘Kom.’

Min slaakte een zucht. Nou, ze had met Aiel te maken gehad, en die Seanchanen konden onmogelijk net zo prikkelbaar zijn als zij. Catrona ging haar voor over een ander pad in het kamp, en Min merkte dat ze ongerust werd. Hoe lang geleden had Brin haar weggestuurd? Was het al te laat?

Licht, maar die Seanchanen bewaakten alles wel goed. Er stonden twee soldaten op elke kruising van paden, met geheven speren toekijkend vanuit die afschrikwekkende helmen van ze. Zouden die mannen niet aan de gevechten moeten meedoen? Uiteindelijk leidde Catrona haar naar een echt gebouw, geen tent. Het had wanden die eruitzagen als geplooide zijde, over houten palen gespannen, met een houten vloer en een dak bedekt met leien. Het kon waarschijnlijk snel worden afgebroken om te worden vervoerd, maar het kwam nogal lichtzinnig op Min over.

De wachters hier waren grote kerels in zwart met rode pantsers. Ze hadden een angstaanjagend uiterlijk. Catrona liep langs hen heen (oen ze haar groetten. Zij en Min gingen het gebouw in, en Catrona maakte een buiging. Niet helemaal tot op de grond – de Keizerin was niet in de kamer, zo leek het – maar toch diep, aangezien er veel leden van het Bloed binnen waren. Catrona keek naar Min. ‘Buig, dwaas!’

‘Ik blijf liever staan, geloof ik,’ zei Min, die haar armen over elkaar sloeg en naar de bevelvoerders binnen keek. Vooraan stond een bekende figuur. Mart droeg zijden Seanchaanse kleding – ze had al gehoord dat hij in dit kamp was – maar daarbij droeg hij zijn bekende hoed. En hij had een ooglapje voor. Dus dat visioen was uitgekomen.

Mart keek haar aan en grijnsde. ‘Min!’

‘Ik ben een ontzettende stommeling,’ zei ze. ‘Ik had gewoon kunnen zeggen dat ik jou kende. Dan hadden ze me meteen hierheen gehucht, zonder al die toestanden.’

‘Dat weet ik zo net nog niet, Min,’ zei Mart. ‘Ze houden hier nogal van toestanden. Toch, Galgan?’

Een breedgeschouderde man met een dun randje wit haar op zijn verder kaalgeschoren hoofd keek naar Mart alsof hij niet goed wist wal hij met hem aanmoest.

‘Mart,’ zei Min, die zich herstelde. ‘Generaal Brin heeft cavalerie nodig.’

Marl gromde. ‘Dat geloof ik best. Hij heeft zijn troepen erg onder druk gezet, zelfs de Aes Sedai. De man zou er een lintje voor moeten krijgen. Ik heb die vrouwen nog nooit een stap zien verzetten als een man het ze opdroeg, zelfs niet naar binnen als het regende. Eerste Legioen, Galgan?’

‘Die voldoen wel,’ antwoordde Galgan, ‘zolang de Sharanen niet over de voorde komen.’

‘Nee, dat lukt ze niet,’ zei Mart. ‘Brin heeft een goede verdedigingslinie opgesteld die de Schaduw flink zou moeten bestraffen, met een beetje aanmoediging. Laero lendhae an indemela.’’

‘Wat?’ vroeg Galgan fronsend.

Min had het ook niet meegekregen. Iets over een vlag? Ze bestudeerde de Oude Spraak al een tijdje, maar Mart sprak het te snel.

‘Hmm, wat?’ zei Mart. ‘Heb je dat nooit eerder gehoord? Het is een gezegde van het Gevallen Leger van Kardia.’

‘Wie?’ Galgan begreep er niets van.

‘Laat maar,’ zei Mart. ‘Tylee, zou jij je legioen het slagveld op willen leiden, gesteld dat de goede heer generaal het ermee eens is?’ ‘Het zou me een eer zijn, Ravenprins,’ zei een vrouw met een borstplaat en vier pluimen op de helm die ze onder haar arm droeg. ‘Ik wilde de daden van die Garet Brin altijd al eens van dichtbij bekijken.’