Выбрать главу

Galgan wreef over zijn kin en bekeek zijn kaarten. ‘Neem je legioen mee, luitenant-generaal Khirgan, zoals de Ravenprins voorstelt.’ ‘En,’ voegde Mart eraan toe, ‘we moeten die Sharaanse boogschutters in de gaten houden. Ze zullen zich noordwaarts langs de rivier verplaatsen om beter op Brins rechterflank te kunnen schieten.’ ‘Hoe weet je dat zo zeker?’

‘Het ligt gewoon voor de hand,’ zei Mart, tikkend op de kaart. ‘Stuur een raken om het na te gaan, als je wilt.’

Galgan aarzelde, maar toen gaf hij het bevel.

Min was er niet zeker van of ze hier nog langer nodig was, dus ze wilde weglopen, maar Mart pakte haar arm. ‘Hé. Ik zou eh... je wel kunnen gebruiken, Min.’

‘Gebruiken?’ vroeg ze op vlakke toon.

‘Je inzetten,’ zei Mart. ‘Dat bedoel ik. Ik kom de laatste tijd niet zo lekker uit mijn woorden. Alleen de stomme komen maar over mijn lippen. Hoe dan ook, zou jij eh... je weet wel...’

‘Ik zie niks nieuws om je heen,’ zei ze, ‘hoewel ik aanneem dat je nu eindelijk begrijpt wat dat oog op de weegschaal betekende.’

‘Ja,’ antwoordde Mart grimassend. ‘Die is wel verrekte duidelijk. En Galgan?’

‘Een dolk door het hart van een raaf gestoken.’

‘Bloed en as...’

‘Ik denk niet dat het op jou slaat,’ voegde ze eraan toe. ‘Maar ik zou niet kunnen zeggen waarom.’

Galgan stond met een paar lagere edelen te praten. Althans, ze hadden meer haar dan hij, en dat was bij de Seanchanen een teken van een lagere rang. Ze spraken op gedempte toon en Galgan keek af en toe naar Mart.

‘Hij weet niet wat hij van me moet denken,’ zei Mart zachtjes.

‘Wat ongewoon. Ik kan niemand anders bedenken die zo op jou reageert, Mart.’

‘Ha ha. Weet je zeker dat die verrekte dolk niet op mij slaat? Raven... nou, raven staan min of meer voor mij, toch? Soms? Ik ben nu verdomme Prins van de rottige Raven.’

‘Jij bent het niet.’

‘Hij probeert te besluiten wanneer hij me moet laten vermoorden,’ zei Mart zacht, en hij keek met samengeknepen ogen naar Galgan. ‘Ik ben pal onder hem geplaatst in het leger, en hij is bang dat ik hem wil vervangen. Tuon zegt dat hij een toegewijde soldaat is, dus hij zal wachten tot na de Laatste Slag voordat hij me vermoordt.’

‘Maar dat is vreselijk!’

‘Weet ik,’ zei Mart. ‘Hij wil niet eens eerst met me kaarten. Ik hoopte dat ik hem kon paaien. Een paar keer opzettelijk verliezen of zo.’

‘Ik denk niet dat je dat voor elkaar zou kunnen krijgen.’

‘Eigenlijk ben ik er verdomme al tijden achter hoe ik moet verliezen.’ Hij leek het echt te menen. ‘Tuon zegt dat het een teken van minachting zou zijn als hij niet probeerde om me te vermoorden. Ze zijn krankzinnig, Min. Ze zijn allemaal krankzinnig, verdomme.’

‘Egwene zou je ongetwijfeld helpen ontsnappen als je het vroeg, Mart.’

‘Nou, ik heb niet gezegd dat er niet met ze te lachen valt, ze zijn alleen krankzinnig.’ Hij zette zijn hoed recht. ‘Maar als ze verdomme proberen om...’

Hij brak zijn zin af toen de wachters bij de deur zich op hun knieën lieten vallen en vervolgens languit op de grond gingen liggen. Mart zuchtte. ‘Spreek de naam van Duisternis uit, en zijn oog valt op je. Yalu kazath d’Zamon patra Daeseia asa darsbi.

‘Wat?’ vroeg Min.

Ken je die ook niet?’ vroeg Mart. ‘Leest er dan verdomme helemaal niemand meer?’

De Seanchaanse Keizerin stapte naar binnen. Min was verbaasd te zien dat ze geen gewaad droeg, maar een wijde zilverkleurige broek. Of... nou, misschien was het toch een gewaad. Min kon niet zien of het rokken waren met een split om te rijden of dat het een broek was met heel wijde pijpen. Fortuona’s bovenstuk was van strakke scharlakenrode zijde, en daaroverheen droeg ze een blauwe mantel met een open voorzijde en een heel lange sleep. Het leek de kleding van een strijder, een soort uniform.

De mensen in de kamer lieten zich op hun knieën vallen en bogen toen helemaal tot op de vloer, zelfs generaal Galgan. Mart bleef staan.

Knarsetandend liet Min zich op één knie zakken. De vrouw was immers de Keizerin. Min zou niet buigen voor Mart of de generaals, maar het was niet meer dan fatsoenlijk om Fortuona eerbied te betonen.

‘Wie is dit, Knotai?’ vroeg Fortuona nieuwsgierig. ‘Ze vindt zichzelf nogal wat.’

‘O, ach,’ zei Mart achteloos, ‘zij is alleen maar de partner van de Herrezen Draak.’

Catrona, die zich aan de zijkant van de kamer tot op de grond had gebogen, maakte een verstikt geluid. Ze keek met uitpuilende ogen naar Min.

Licht, dacht Min. Ze denkt waarschijnlijk dat ze me heeft beledigd of zoiets.

‘Merkwaardig,’ zei Fortuona. ‘Dat maakt haar jouw gelijke, Knotai. Al ben je natuurlijk weer vergeten te buigen.’

‘Mijn vader zou het besterven,’ zei Mart. ‘Hij ging altijd prat op mijn goede geheugen.’

‘Je zet me weer in het openbaar voor gek.’

‘Alleen maar net zoveel als ik mezelf voor gek zet.’ Hij glimlachte, maar aarzelde toen alsof hij die woorden nog een keer overdacht.

De Keizerin glimlachte ook, hoewel ze er beslist roofdierachtig bij keek. Ze liep de kamer in, iedereen stond op en dus kwam Min ook overeind. Mart begon haar meteen naar de deur te duwen.

‘Mart, wacht,’ fluisterde Min.

‘Loop door,’ zei hij. ‘Straks besluit ze nog om je in te pikken. Ze is niet zo goed in dingen loslaten als ze ze eenmaal in de hand heeft.’ Hij klonk nog trots ook toen hij dat zei.

Jij bent al even gek als zij, dacht Min. ‘Mart, een bloederige bloem.’

‘Wat?’ vroeg hij, en hij bleef haar duwen.

‘Ze heeft een bloederige bloem boven haar hoofd,’ zei Min. ‘Een doodslelie. Heel binnenkort zal iemand proberen haar te vermoorden.’

Mart verstijfde. Fortuona draaide zich met een ruk om.

Min besefte pas dat twee wachters in beweging waren gekomen toen ze haar tegen de grond hadden gedrukt. Het waren die merkwaardige mannen in zwarte pantsers. Hoewel, nu ze zo dichtbij waren, zag Min dat het zwart eigenlijk donkergroen was.

Stommeling, dacht ze terwijl de mannen haar gezicht tegen de vloer drukten. Ik had me eerst door Mart naar buiten moeten laten trekken. Zo’n vergissing – hardop spreken over haar visioenen waar anderen het konden horen – had ze in geen jaren begaan. Wat was er met haar aan de hand?

‘Hou op!’ zei Mart. ‘Laat haar los!’

Mart was dan misschien verheven tot het Bloed, maar de wachters hadden er kennelijk geen moeite mee een rechtstreeks bevel van hem te negeren.

‘Hoe weet ze dat, Knotai?’ vroeg Fortuona, die naar Mart toe liep. Ze klonk boos, of misschien teleurgesteld. ‘Wat is hier gaande?’

‘Het is niet wat je denkt, Tuon,’ zei Mart.

Nee, niet...

‘Ze ziet dingen,’ vervolgde Mart. ‘Het is niks om je boos over te maken. Het is gewoon een gril van het Patroon, Tuon. Min ziet visioenen rondom mensen, een soort plaatjes. Ze bedoelde er niks mee.’ Hij lachte. Het klonk nep.

Het werd heel stil in de kamer. Het was zo stil dat Min de ontploffingen in de verte weer kon horen.

‘Doemziener,’ fluisterde Fortuona.

De wachters lieten haar ineens los en gingen achteruit. Min kreunde en ging zitten. De wachters waren in beweging gekomen om de Keizerin te beschermen, maar de man die haar had aangeraakt trok zijn handschoenen uit en smeet ze op de grond. Hij veegde zijn hand af aan zijn borstplaat, alsof hij iets van zijn huid wilde poetsen.

Fortuona leek niet bang. Ze stapte naar Min toe en haar mond ging een stukje open, bijna in ontzag. De jonge Keizerin stak haar hand uit en raakte Mins gezicht aan. ‘Wat hij zegt... Is dat waar?’

‘Ja,’ antwoordde Min met tegenzin.

‘Wat zie je om mij heen?’ vroeg Fortuona. ‘Spreek het uit, Doemziener. Ik wil je voortekenen horen en beoordelen of je waarachtig of vals bent!’

Dat klonk gevaarlijk. ‘Ik zie een bloederige doodslelie, zoals ik al tegen Mart zei,’ antwoordde Min. ‘En drie schepen op zee. Een insect in het donker. Rode lichtjes, uitgespreid over een akker die weelderig begroeid en oogstrijp zou moeten zijn. Een man met de tanden van een wolf.’