Fortuona haalde een scherpe ademteug naar binnen. Ze keek naar Mart. ‘Je hebt me een groot geschenk gebracht, Knotai. Genoeg om je boete te betalen. Genoeg voor nog meer gunsten. Wat een geweldig geschenk.’
‘Nou, ik...’
‘Ik ben van niemand,’ zei Min. ‘Behalve misschien van Rhand, en hij is van mij.’
Fortuona negeerde haar en rechtte haar rug. ‘Deze vrouw is mijn nieuwe Soe’feia, Doemziener, Waarheidsspreker! Een heilige vrouw, zij die niet mag worden aangeraakt. We zijn gezegend. Maak het bekend. De Kristallen Troon heeft al meer dan drie eeuwen geen ware lezer van voortekenen meer gehad!’
Min bleef versuft zitten totdat Mart haar overeind trok. ‘Is dat iets goeds?’ fluisterde ze hem toe.
‘Een bloedneus als ik het weet,’ zei Mart. ‘Maar weet je nog dat ik zei dat je bij haar weg moest? Nou, dat kun je nu waarschijnlijk wel vergeten.’
28
Te veel mannen
Heer Agelmar heeft ons rechtstreeks hierheen gestuurd,’ zei de Arafeller tegen Lan. De man bleef naar het front kijken, waar zijn metgezellen streden voor hun leven.
Het slagveld hier in Shienar beefde van de donder. Er hing een doordringende geur van verbrand vlees en geschroeid haar in de lucht. De Gruwheren maalden er niet om of er bij hun aanvallen Trolloks omkwamen, zolang ze ook maar mensen raakten.
‘Weet je het zeker?’ vroeg Lan vanaf de rug van zijn paard.
‘Natuurlijk, Dai Shan,’ antwoordde de man. Hij droeg lange vlechten, waarin de klokjes om de een of andere reden rood waren gelakt. Het had iets te maken met de Arafelse Huizen en hun kijk op de Iaatste Slag. ‘Als ik lieg, laat me dan honderd stokslagen krijgen en in de zon leggen. Ik was verbaasd over het bevel, aangezien ik dacht dat mijn mannen de flanken moesten verdedigen. Niet alleen had de boodschapper de juiste wachtwoorden, maar de man die ik naar de bevelstent heb gestuurd is teruggekomen met een bevestiging.’
‘Dank je, kapitein,’ zei Lan, en gebaarde dat de Arafeller kon terugkeren naar zijn mannen. Hij richtte zijn blik op Andère en prins Kaisel, die allebei vlakbij te paard zaten en verward keken. Ze hadden ook meegeluisterd terwijl Lan even hiervoor de Kandoraanse banierleider had ondervraagd, en die man had gelijksoortige beweringen gedaan.
Heer Agelmar had hen allebei gestuurd. Twee ondersteunende troepen, en geen van beide had geweten dat de andere hier ook zou zijn. Een koele bries kwam over de rivier rechts van Lan toen hij zijn rijdier wendde en terugreed naar de achterhoede. De warmte in dit land smoorde die koelte al snel. De wolken leken zo laag te hangen dat je bijna je hand kon uitsteken om ze aan te raken.
‘Lan?’ vroeg Andère, terwijl hij en Kaisel naast Mandarb kwamen draven. ‘Waar gaat dit over?’
‘Te veel mannen hierheen gestuurd om hetzelfde gat in onze gelederen te dichten,’ antwoordde Lan zacht.
‘Een gauw gemaakte vergissing,’ zei prins Kaisel. ‘De zorg dat de Trolloks erdoor komen is heel reëel, nu de Gruwheren zich bij de strijd hebben aangesloten. De generaal heeft twee banieren gestuurd in plaats van één. Voor de zekerheid. Waarschijnlijk heeft hij het opzettelijk gedaan.’
Nee. Het was een vergissing geweest. Een kleintje, maar toch. De juiste zet zou zijn geweest om de soldaten zich te laten terugtrekken en hun gelederen aan het front te stabiliseren. Eén banier cavalerie kon dan naar voren komen en de Trolloks die doorbraken de pas afsnijden. Twee golven kon je wel coördineren, maar als je de afzonderlijke kapiteins niet waarschuwde, bestond het gevaar dat ze elkaar voor de voeten zouden lopen, en dat was hier gebeurd.
Lan schudde zijn hoofd en keek uit over het slagveld. Koningin Ethenielles banier was niet ver weg. Hij ging er recht op af. De koningin stond bij haar erewacht. Heer Baldhere stond naast haar, met het Zwaard van Kirukan met het gevest naar de koningin toe gedraaid, hoewel ze had besloten niet zelf ten strijde te trekken. Lan had zich al half afgevraagd of ze Tenobia’s voorbeeld op dat punt zou volgen, maar dat was niet nodig geweest. Ethenielle was een nuchtere vrouw. Belangrijker nog, ze had zich omringd met nuchtere raadslieden.
Heer Ramsin – haar nieuwe echtgenoot – sprak met een groepje bevelvoerders. Een sluw ogende kerel in de kleren van een verkenner reed vlak langs Lan toen die aankwam, om bevelen over te brengen. Doorgaans gaf heer Agelmar geen bevelen aan de afzonderlijke eskaders, maar richtte hij zich op de strijd in zijn geheel. Hij vertelde zijn bevelvoerders wat hij wilde dat ze bewerkstelligden, maar hij liet de bijzonderheden van hoe ze dat wilden bereiken aan hen zelf over.
Er zat een stevige vrouw met een rond gezicht naast de koningin, rustig met haar in gesprek. Ze merkte Lan op en knikte. Vrouwe Serailla was de voornaamste raadsvrouwe van de koningin. Lan en zij hadden in het verleden... meningsverschillen gehad. Hij eerbiedigde haar, voor zover hij dat kon opbrengen bij iemand die hij af en toe wel kon wurgen.
‘Dai Shan,’ zei de koningin met een hoofdknik. Ramsin, die een stukje verderop stond, zwaaide. De donder rommelde. Het regende niet, en ondanks de hoge luchtvochtigheid verwachtte Lan ook geen regen. ‘Bent u gewond? Laat me een van de Helers roepen.’
‘Die zijn elders nodig,’ zei Lan gespannen terwijl haar wachters hem groetten. Elke man droeg een borstplaat met een groene tabberd met het Rode Paard erop geborduurd eroverheen, en aan elke lans hingen rode en groene linten. Hun helmen waren voorzien van stalen tralies om het gezicht te beschermen, anders dan Lans brede, open Malkierse helm. ‘Mag ik heer Baldhere even van u lenen, Majesteit? Ik wil hem iets vragen.’
‘Natuurlijk, Dai Shan,’ antwoordde koningin Ethenielle, hoewel vrouwe Serailla hem met samengeknepen ogen aankeek. Het was duidelijk dat ze zich afvroeg wat hij van de zwaarddrager van de Kandoraanse koningin wilde.
Baldhere kwam naar Lan toe, waarbij hij het Zwaard van Kirukan naar zijn andere arm verplaatste zodat het gevest naar zijn koningin bleef wijzen. Het was een formaliteit, maar Baldhere was een formeel man. Andère en prins Kaisel kwamen dichterbij, en Lan stuurde hen niet weg.
‘Heer Agelmar heeft zeker een kwart van onze reservetroepen ingezet voor een kleine opening in onze gelederen,’ zei Lan zo zacht dat alleen Baldhere, Andère en Kaisel hem konden verstaan. ‘Ik denk niet dat die allemaal nodig waren.’
‘Hij heeft net bevel gegeven om onze Saldeaanse lichte cavalerie terug te trekken van de oostelijke flank,’ vertelde Baldhere, ‘en een verrassingsaanval uit te voeren op de linkerflank van de Trolloks, ver achter hun front. Hij zegt dat hij de aandacht van de Gruwheren wil spreiden en beweert dat onze verdediging dan zwakker lijkt dan hij is, waardoor ze mogelijk in de verleiding komen om een fout te maken.’
‘Wat denkt u ervan?’ vroeg Lan.
Het is een goede zet,’ antwoordde Baldhere, ‘als je wilt afdwingen dat de strijd lang duurt. Op zich zou ik me er niet zoveel zorgen over maken, zolang de Saldeanen er heelhuids weer weg kunnen komen. Maar dat van die reservetroepen had ik niet gehoord. Dat laat ons aan de oostkant onverdedigd achter.’
‘Laten we eens stellen,’ zei Lan zachtjes en behoedzaam, ‘dat je de nu de mogelijkheid had om het hele leger te saboteren. Laten we eens stellen dat je dat zou willen, maar dat je het heel onopvallend zou willen doen, zodat niemand iets vermoedt. Wat zou je dan doen?’
‘Ons met de rug naar de rivier opstellen,’ zei Baldhere langzaam. ‘Een positie innemen op hoog terrein, maar het gevaar laten bestaan dat we worden omsingeld. De troepen inzetten voor een dodelijk gevecht en dan een opening in onze verdediging laten ontstaan, zodat we worden opgesplitst. Al die stappen doordacht laten lijken.’
‘En uw volgende stap?’ vroeg Lan.
Baldhere dacht erover na en keek verontrust. ‘Je zou de boogschutters van de heuvels ten oosten van hier moeten weghalen. Het land is daar ruig, en dus zou het Schaduwgebroed om onze verkenners heen kunnen sluipen – vooral als ieders ogen op het front gericht zijn – en dichtbij kunnen komen.