Boogschutters zouden hen wel zien en alarm slaan, misschien de Trolloks nog lang genoeg op afstand kunnen houden om de andere reservetroepen de kans te geven bij te springen. Maar als de boogschutters daar weg zijn en de oostelijke reservetroepen zijn elders bezig, en de vijand kan om onze oostelijke flank heen komen om onze achterhoede aan te vallen... dan zou ons hele leger vastzitten tegen de rivier. Daarna zou het alleen nog maar een kwestie van tijd zijn.’ ‘Heer Mandragoran,’ zei prins Kaisel, die zijn paard een stukje naar voren dreef. Hij keek om zich heen alsof hij zich schaamde. ‘Ik kan mijn oren niet geloven. U verdenkt heer Agelmar er toch niet van dat hij ons verraadt?’
‘We kunnen het ons niet veroorloven om wie dan ook boven verdenking te stellen,’ antwoordde Lan grimmig. ‘Een waarschuwing waar ik beter naar had moeten luisteren. Misschien is het niets. Misschien.’
‘We zullen het nu al moeilijk genoeg krijgen om uit deze positie weg te komen,’ zei Andère fronsend. ‘Als we worden vastgepind tegen de rivier...’
‘Oorspronkelijk was de strategie dat de lichte reservecavalerie de aftocht zou dekken,’ zei Lan. ‘De infanterie kon zich dan eerst terugtrekken, de rivier te voet oversteken, en dan konden we de zware cavalerie door Poorten laten gaan. De rivier stroomt niet snel, dus de paarden van de lichte cavalerie kunnen hem oversteken, terwijl Trolloks dat niet durven, althans niet zonder heel veel dwang. Die strategie was best goed.’
Behalve als ze onder te veel druk stonden om de voetsoldaten uit de strijd los te maken. Dan zou alles instorten. En als ze omsingeld werden, dan kon Lan onmogelijk zijn leger weg krijgen. Ze hadden
niet genoeg geleiders om het hele leger te verplaatsen. De enige mogelijkheid zou zijn om de voetsoldaten achter te laten, de helft van zijn leger te laten afslachten. Nee, hij ging nog liever dood dan dat hij dat liet gebeuren.
‘Alles wat heer Agelmar de laatste tijd doet is op zich goed doordacht,’ zei Baldhere indringend. ‘Goed genoeg om geen verdenking te wekken, maar niet goed genoeg om te winnen. Lan... er is iets mis met hem. Ik ken hem al jaren. Alsjeblieft. Ik geloof nog steeds dat hij alleen maar moe is, maar hij maakt wél fouten. Ik heb gelijk, ik wéét het.’
Lan knikte. Hij liet Baldhere op zijn post achter en reed met zijn wacht naar de achterhoede en de bevelstent.
Het gevoel van angst dat over Lan heen kwam, bleef als een kiezel in zijn keel steken. Die wolken leken lager te hangen dan voorheen. Ze rommelden. Het tromgeroffel van de Duistere, gekomen om het leven van mensen op te eisen.
Tegen de tijd dat Lan de bevelstent bereikte, had hij honderd goede mannen achter zich. Toen hij dichterbij kwam, zag Lan een jonge Nhienaraanse boodschapper – zonder pantser, met een fladderende knot – naar zijn paard rennen.
Op een gebaar van Lan draafde Andère naar de man toe, pakte de teugels van zijn paard en hield ze stevig vast. De boodschapper fronste. ‘Dai Shan?’ vroeg hij, saluerend toen Lan kwam aanrijden.
‘Bezorg je bevelen voor heer Agelmar?’ vroeg Lan, die afsteeg.
‘Ja, heer.’
‘Welke bevelen?’
‘De oostelijke Kandoraanse boogschutters,’ zei de boodschapper.
‘Hun heuvel ligt te ver van het hoofdgedeelte van het slagveld en heer Agelmar vindt dat ze beter naar voren kunnen komen om salvo’s af ie vuren op de Gruwheren.’
De boogschutters dachten waarschijnlijk dat de Saldeaanse lichte cavalerie nog steeds daar achter was. De Saldeanen dachten dat de boogschutters zouden blijven. De reserves dachten dat ze allebei zouden standhouden nadat zij waren ingezet.
Het kon nog steeds toeval zijn. Agelmar stond ontzettend onder druk, of hij had een strategie die verder reikte dan de andere generaals konden overzien. Je mocht een man er nooit van beschuldigen dat hij een aanval de nek omdraaide, behalve als je bereid was hem ter plekke met je eigen zwaard te doden.
‘Stel dat bevel uit,’ zei Lan kil. ‘Stuur in plaats daarvan de Saldeaanse verkenners door die oostelijke heuvels. Zeg dat ze moeten uitkijken naar een groep Schaduwgebroed die naar binnen wil sluipen om ons aan te vallen. Waarschuw de boogschutters, zodat ze voorbereid zijn om te schieten, kom dan hier terug en breng verslag uit. Schiet op, maar vertel dit aan niemand behalve de verkenners en de boogschutters zelf.’
De man keek verward, maar hij salueerde. Agelmar was de generaal van dit leger, maar Lan – als Dai Shan – had het laatste woord over alle bevelen, en het enige gezag dat hoger was dan het zijne in deze oorlog was dat van Elayne.
Lan knikte naar een paar mannen van de Hoge Wacht. Washim en Geral waren allebei Malkieri die hij in hun weken van gezamenlijk strijden bijzonder was gaan waarderen.
Licht, duurt het pas een paar weken? Het lijken wel maanden...
Hij zette die gedachte van zich af terwijl de twee Malkieri de boodschapper volgden om na te gaan of hij deed wat hem was opgedragen. Lan zou de gevolgen van wat hier gebeurde overpeinzen als hij alle feiten kende.
Niet eerder.
Loial wist niet veel van oorlogvoeren. Je hoefde er ook niet veel van te weten om in te zien dat Elaynes kant verloor.
Hij en de andere Ogier vochten tegen een horde van duizenden en nog eens duizenden Trolloks: het tweede leger dat vanuit het zuiden om de stad heen was getrokken. Kruisboogschutters uit het Legioen van de Draak flankeerden de Ogier en schoten het ene na het andere salvo af. Ze hadden zich teruggetrokken van het front toen de Trolloks zich op hun gelederen stortten. De vijand had de zware cavalerie van het Legioen, uitgeput als de mannen waren geweest, uiteengeslagen. Groepen piekeniers hielden wanhopig stand tegen het getijde, en de Wolvengarde stond nog min of meer in het gelid op de andere heuvel.
Hij had flarden gehoord van wat er op andere delen van het slagveld gebeurde. Elaynes legers hadden het noordelijke Trollok-leger afgeslacht. Terwijl de Ogier de draken bewaakten die vanaf de heuvel boven hen vuurden, kwamen er steeds meer soldaten naar het nieuwe front. Maar ze kwamen bebloed, uitgeput en zwak aan.
Dit nieuwe leger van Trolloks zou hen verpletteren.
De Ogier zongen een rouwlied. Het was de klaagzang die ze zongen voor bossen die moesten worden omgehakt of voor grote bomen die stierven in een storm. Het was een lied van verlies, van spijt, van onvermijdelijkheid. Hij zong zachtjes het laatste deel mee.
Hij stak een grauwende Trollok neer, maar een andere beet hem diep in zijn been. Hij brulde en brak zijn lied af terwijl hij de Trollok bij de nek greep. Hij had zichzelf nooit sterk gevonden, niet naar de maatstaven van de Ogier, maar hij tilde de Trollok op en smeet hem boven op zijn kameraden.
Mensen – die kwetsbare mensen – lagen links en rechts dood aan zijn voeten. Hun sterven deed hem pijn. Ze hadden allemaal zo’n korte tijd gehad om te leven. Sommigen leefden nog, vochten nog. Hij wist dat ze in hun eigen ogen groter waren dan feitelijk het geval was, maar hier op het slagveld – met Ogier en Trolloks – leken het wel kinderen.
Nee. Hij zou ze niet zo zien. Die mannen en vrouwen vochten met moed en hartstocht. Geen kinderen, maar helden. Toch gingen zijn oren er plat van liggen toen hij ze zo gebroken zag. Hij begon weer te zingen, luider nu, maar deze keer niet het rouwlied. Het was een lied dat hij nooit eerder had gezongen, een lied van groei, maar niet de boomliederen die zo vertrouwd voor hem waren.
Hij brulde het lied kwaad uit, om zich heen hakkend met zijn bijl. Aan alle kanten werd het gras groen en ontsproten tentakels van leven. Uit de schachten van de paalwapens van de Trolloks begonnen bladeren te groeien, en veel van die beesten grauwden en lieten geschrokken hun wapens vallen.
Loial vocht door. Dit lied was geen overwinningslied. Het was een lied van het leven. Loial was niet van zins te sterven hier op deze heuvel.