Bij het Licht, hij had nog een boek af te maken voordat hij ging!
Mart stond in het Seanchaanse bevelsgebouw, omgeven door sceptische generaals. Min was meegevoerd en net pas teruggekeerd, gehuld in schitterende Seanchaanse kleding. Tuon was ook vertrokken in een of andere keizerinnelijke taak te verrichten.
Terwijl hij naar de kaarten keek, had Mart weer zin om te vloeken.Kaarten, kaarten en nog meer kaarten. Stukken papier. De meeste waren getekend door Tuons klerken in het vervagende licht van de vorige avond. Hoe moest hij nou weten of ze klopten? Mart had een keer ’s avonds in Cacmlin een straatkunstenaar een mooie vrouw zien natekenen, maar die tekening had voor goud kunnen worden verkocht als volmaakte afbeelding van Cen Buin in een gewaad.
Steeds meer begon hij te denken dat slagveldkaarten ongeveer even nuttig waren als een dikke jas in Tyr. Hij moest de slag kunnen zién, niet hoe iemand anders dacht dat de slag eruitzag. Een kaart was te beperkt.
‘Ik ga een kijkje nemen op het slagveld,’ verklaarde Mart.
‘Wat?’ vroeg Courtani. De Seanchaanse baandergeneraal was ongeveer net zo aantrekkelijk als een bundel takken met een pantser eromheen. Mart had de indruk dat ze een keer iets heel zuurs moest hebben gegeten en dat ze – toen ze merkte dat haar grimas handig was om vogels mee te verjagen – had besloten haar gezicht zo te houden.
‘Ik ga een kijkje nemen op het slagveld,’ herhaalde Mart. Hij legde zijn hoed neer, reikte achter zijn hoofd en greep het achterpand van zijn weelderig versierde, wijde Seanchaanse mantel vast. Hij trok het kledingstuk, met onhandige schouderstukken en al, met een geruis van zijde en kant over zijn hoofd en smeet het opzij.
Nu droeg hij alleen nog zijn halsdoek, zijn medaillon en de vreemde zwarte Seanchaanse broek, die nogal stijf aanvoelde. Min trok haar wenkbrauw op bij het zien van zijn blote borst, en hij bloosde. Maar wat maakte het uit? Ze hoorde bij Rhand, dus dat maakte haar nagenoeg zijn zus. Goed, Courtani was er ook, maar Mart was er niet van overtuigd dat ze een vrouw was. Hij was er niet eens van overtuigd dat ze een mens was.
Mart rommelde wat onder de tafel en trok er een ransel onder vandaan die hij daar eerder had neergelegd, en toen stond hij weer op. Min sloeg haar armen over elkaar. Haar nieuwe kleding stond haar heel mooi: een gewaad dat bijna even druk versierd was als dat van Tuon. Mins gewaad was gemaakt van glanzende donkergroene zijde met zwart borduursel en wijde mouwen, zo wijd dat je je hoofd erin kon steken. Ze hadden haar haar opgestoken en er zilveren dingetjes met vuurdruppels in gehangen. Het waren er honderden. Als die baan van Doemziener toch niets voor haar bleek te zijn, kon ze misschien werk vinden als kroonluchter.
Eigenlijk was ze best mooi in die kleding. Vreemd. Mart had Min altijd nogal jongensachtig gevonden, maar nu zag ze er aantrekkelijk uit. Niet dat hij daarop lette.
De Seanchanen in de kamer leken stomverbaasd dat Mart zich ineens tot op het middel had ontkleed. Hij zag niet in waarom. Hun bedienden droegen nog veel minder. Licht, maar zo was het.
‘Ik kom in de verleiding om hetzelfde te doen als jij,’ mompelde Min, die het voorpand van haar gewaad vastpakte.
Mart verstijfde en sputterde. Hij had zeker een vlieg ingeslikt of zoiets. ‘Ik mag branden,’ zei hij, terwijl hij het hemd aantrok dat hij uit de ransel had gehaald. ‘Ik geef je honderd Tar Valonse marken als je het doet, gewoon zodat ik het verhaal kan vertellen.’
Dat leverde hem een kwade blik op, al snapte hij niet waarom. Zij was degene die begon over rondlopen als een verrekte Aielse Speervrouwe op weg naar de zweettent.
Min deed het niet, en dat bedroefde hem bijna. Bijna. Hij moest oppassen met Min. Hij was ervan overtuigd dat een glimlach op het verkeerde ogenblik hem niet alleen een messteek van haar zou opleveren, maar ook van Tuon, en Mart had het liefst maar één mes tegelijk in zijn lijf.
De vossenkop lag rustig op zijn huid – het Licht zij dank dat Tuon had begrepen dat hij dat ding nodig had – terwijl hij zijn jas aantrok, die hij ook uit de ransel had gehaald.
‘Hoe kan het dat u die nog hebt?’ vroeg kapitein-generaal Galgan. ‘Ik had de indruk dat uw kleding was verbrand, Ravenprins.’ Galgan zag er belachelijk uit met dat ene streepje wit haar op zijn hoofd, maar Mart zei dat maar niet. Het was gebruik bij de Seanchanen. Mensen deden soms vreemd, maar hij twijfelde er niet aan dat Galgan zijn mannetje stond in een strijd, ongeacht zijn uiterlijk.
‘Dit?’ vroeg Mart, gebarend naar zijn jas en hemd. ‘Ik zou het echt niet weten. Ze lagen daar gewoon. Ik sta paf.’ Hij was heel blij geweest te ontdekken dat de Seanchaanse wachters – ondanks hun strakke gezichten en veel te rechte ruggen – net zo gevoelig waren voor omkoping als ieder ander.
leder ander, behalve die doodswachtgardisten. Mart had al ontdekt dat hij het bij hen niet hoefde te proberen. De blikken die ze hem hadden toegeworpen hadden hem doen inzien dat als hij het nog eens probeerde, hij met zijn gezicht in de modder zou eindigen. Misschien was het beter als hij maar niet eens meer met doodswachtgardisten praatte, want het was vrij duidelijk dat er met geen van allen te lachen viel.
Maar als het erop aankwam, wist hij wel aan wie hij Tuons veiligheid zou toevertrouwen.
Mart beende de deur uit en griste onderweg zijn ashandarei mee. Courtani en Min volgden hem naar buiten. Het was jammer dat Tylee zo goed was in wat ze deed. Mart had liever haar bij zich gehouden en die vogelverschrikker op pad gestuurd. Misschien had hij dat moeten doen. Misschien zouden de Trolloks haar aanzien voor een van hen.
Hij moest wachten terwijl een verzorger wegrende om Pips te gaan halen, helaas, en dat gaf iemand de tijd om Tuon te waarschuwen. Hij zag haar aankomen. Nou, ze had toch al gezegd dat ze niet lang weg zou blijven, dus hij had ook niet echt verwacht dat hij een confrontatie met haar zou kunnen vermijden.
Min schuifelde heen en weer en vervloekte zachtjes haar rokken.
‘Probeer je nog steeds te bedenken of je ervandoor moet gaan?’ vroeg Mart haar zachtjes terwijl Tuon dichterbij kwam.
‘Ja,’ zei Min zuur.
‘De bedden hier zijn goed, weet je. En ze weten hoe ze een vent moeten behandelen, zolang ze hem althans niet onthoofden. Ik ben er nog steeds niet achter hoe je dat voorkomt.’
‘Geweldig.’
Mart keek haar aan. ‘Je beseft vast wel dat als Rhand hier was, hij je waarschijnlijk zou vragen te blijven.’
Min keek hem kwaad aan.
‘Het is gewoon de waarheid, Min. De verdomde waarheid. Ik was erbij toen Rhand hen aan zijn zijde schaarde, en ik kan je vertellen dat hij zich zorgen maakte. De Seanchanen en de Aes Sedai kunnen het niet zo goed met elkaar vinden, voor het geval je het niet in de gaten had.’
‘Dat is ongeveer net zo duidelijk als jouw trots, Mart.’
‘Au. En ik probeer je alleen maar te helpen. Luister, Min. Hoe opgelucht denk je dat Rhand zou zijn als hij wist dat iemand die hij vertrouwde het oor van Tuon had? Iemand die haar kon aansporen om lief samen te werken met de Aes Sedai door op het juiste ogenblik de juiste “voortekenen” te geven? Natuurlijk kun je ook teruggaan naar het kamp om water te halen en boodschappen te vervoeren. Dat is ongetwijfeld net zo nuttig als hier blijven, een oogje op de buitenlandse monarch houden, haar aanmoedigen om de Herrezen Draak te eerbiedigen en een brug van vriendschap bouwen tussen haar en de rest van de naties.’
Min bleef even zwijgend staan. ‘Ik haat je, jij rotzak van een Mart Cauton.’
‘Dat is beter,’ zei Mart, die naar Tuon zwaaide. ‘Zo, en nu eens kijken wat voor uitsteeksel ze van me afhakt omdat ik haar mooie kleren heb weggesmeten.’ Dat was wel jammer. Die mantel had mooi borduursel. Een man had een beetje borduursel nodig voor de vei fijning. Toch was hij niet van zins om die stapel textiel naar een strijd
te dragen. Hij zou nog gemakkelijker kunnen vechten terwijl hij Pips op zijn rug meedroeg.
De anderen begonnen met het gebruikelijke buigen en slijmen toen Tuon aan kwam lopen, hoewel ze maar een paar minuten weg was geweest. Mart knikte naar haar.