Выбрать главу

‘Het gaat best,’ zei Lan. ‘Hoe gaat het met de strijd?’

‘Ik heb goede moed,’ antwoordde Agelmar. ‘Als we het voor elkaar kunnen krijgen om die Gruwheren een uur of twee op te houden, denk ik dat we best een goede mogelijkheid hebben om de Trolloks te verdrijven.’

‘Vast niet,’ zei Lan. ‘Het zijn er zoveel.’

‘Het gaat niet om aantallen,’ zei Agelmar, die Lan wenkte en naar een kaart wees. ‘Lan, hier is iets wat weinig mensen begrijpen. Legers kunnen breken, en dat gebeurt ook vaak, terwijl ze groter zijn in aantal, het grotere voordeel op het slagveld en een goede mogelijkheid om te winnen hebben.

Als je een tijdlang het bevel voert, ga je een leger zien als één geheel. Een reusachtig beest met duizenden ledematen. Dat is een vergissing. Een leger bestaat uit mensen – of, in dit geval, Trolloks – die stuk voor stuk op het slagveld staan en stuk voor stuk doodsbang zijn. Als soldaat draait het erom dat je die angst beheerst. Het beest vanbinnen wil alleen maar vluchten.’

Lan hurkte neer en bekeek de kaarten. De toestand was zo ongeveer als hij die had gezien, behalve dat Agelmar de Saldeaanse lichte cavalerie nog altijd bij de oostelijke flank op de kaart had staan. Een vergissing? Lan had zelf gezien dat ze daar niet meer waren. Hadden er geen boodschappers moeten komen om Agelmar te vertellen dat de kaart niet meer klopte? Of leidde hij hen soms af, zodat ze het niet in de gaten hadden?

‘Ik zal je vandaag iets laten zien, Lan,’ zei Agelmar zachtjes. ‘Ik zal je laten zien wat de kleinste man op het oefenterrein moet leren als hij wil overleven. Je kunt de grotere vijand breken als je hem ervan overtuigt dat hij zal sterven. Sla hard genoeg toe en hij zal op de vlucht slaan en niet meer terugkeren uit angst dat je het nog eens doet, zelfs al ben je daar eigenlijk te zwak voor.’

‘Dus dat is je strategie voor vandaag?’ vroeg Lan.

‘De Trolloks zullen breken als we hun een krachtsvertoon laten zien dat ze bang maakt,’ zei Agelmar. ‘Ik weet dat het kan lukken. Ik hoop dat we de leider van die Gruwheren kunnen uitschakelen. Als de Trolloks denken dat ze gaan verliezen, zullen ze op de vlucht slaan. Het zijn laffe beesten.’

Wiil Agelmar zei, klonk allemaal aannemelijk. Misschien zag Lan gewoon niet het hele plaatje. Misschien was de grote kapitein gewoon slimmer dan hen allemaal. Had hij er wel goed aan gedaan om het bevel om de boogschutters te verplaatsen ongedaan te maken?

De boodschapper die Lan eerder had gestuurd, kwam terug galopperen naar het bevelscentrum. Een lid van Lans Hoge Wacht was bij hem en hield zijn arm vast, waar een pijl met zwarte veren uit stak. ‘Een gigantisch leger van Schaduwgebroed!’ meldde de boodschapper. ‘Ze komen vanuit het oosten! Dai Shan, u had gelijk!’

Ze wisten dat ze van die kant moesten komen, dacht Lan. Ze konden niet eenvoudigweg hebben gezien dat we ons daar niet goed verdedigden, niet met die heuvels overal rondom. Het is te snel gegaan. De Schaduw moet dit hebben gehoord, of moet hebben geweten wat hij kon verwachten. Hij keek Agelmar aan.

‘Ónmogelijk!’ riep Agelmar. ‘Wat krijgen we nou? Waarom hebben de verkenners dat niet gezien?’

‘Heer Agelmar,’ zei een van zijn bevelvoerders. ‘U had de verkenners in het oosten teruggestuurd om bij de rivier te gaan kijken, weet u nog? Ze moesten de voorde voor ons bekijken. U zei dat de boogschutters...’ De bevelhebber verbleekte. ‘De boogschutters!’

‘De boogschutters zijn nog op hun plek,’ zei Lan, die opstond. ‘Ik wil dat de voorste gelederen beginnen zich terug te trekken. Haal de Saldeanen uit de gevechten zodat ze de voetsoldaten kunnen helpen bij hun aftocht. Haal de Asha’man terug. We zullen Poorten nodig hebben.’

‘Heer Mandragoran,’ zei Agelmar. ‘Deze nieuwe ontwikkelingen kunnen we gebruiken. Als we uiteenwijken en ze tussen ons pletten, kunnen we...’

‘U bent van uw taak ontheven, heer Agelmar,’ zei Lan zonder de man aan te kijken. ‘En ik moet helaas verzoeken dat u onder toezicht wordt gehouden totdat ik kan uitzoeken wat er is gebeurd.’

Het werd stil in de bevelstent. Alle dienaren, boodschappers en officiers keken Lan aan.

‘Nou, Lan,’ zei Agelmar. ‘Dat klónk alsof je me in hechtenis laat nemen.’

‘Dat doe ik ook,’ antwoordde Lan, die de Hoge Wacht wenkte. Ze kwamen de tent in en gingen op wacht staan, zodat niemand kon ontsnappen. Enkele mannen van Agelmar reikten naar zwaarden, maar de meesten leken verward en legden alleen hun handen op het gevest.

‘Dit is een schande!’ sputterde Agelmar. ‘Doe niet zo dwaas. Dit is geen tijd om...’

‘Wat wil je dan dat ik doe, Agelmar?’ blafte Lan, die zich naar hem omdraaide. ‘Moet ik je dit leger te gronde laten richten? Zodat de Schaduw ons kan verslaan? Waarom doe je dit? Waaróm?’

‘Je overdrijft, Lan,’ zei Agelmar, die met overduidelijke moeite kalm wist te blijven, hoewel zijn ogen fonkelden van woede. ‘Wat gaat er door je hoofd? Licht!’

‘Waarom heb je de boogschutters van de oostelijke heuvels gehaald?’

‘Omdat ik ze elders nodig had!’

‘En vind je dat lógisch?’ wilde Lan weten. ‘Zei je niet zelf dat het bewaken van die flank van het allergrootste belang was?’

‘Ik...’

‘Je hebt de verkenners daar ook weggehaald. Waarom?’

‘Ze... Het...’ Agelmar drukte zijn hand tegen zijn hoofd. Hij keek naar de kaart en zijn ogen werden groot.

‘Wat is er met je aan de hand, Agelmar?’ vroeg Lan.

‘Ik weet het niet,’ zei de man. Hij knipperde met zijn ogen en staarde naar de kaarten aan zijn voeten. Er verscheen een uitdrukking van afgrijzen op zijn gezicht en zijn mond viel open. ‘O, Licht! Wat heb ik gedaan?’

‘Geef mijn bevelen door!’ zei Lan indringend tegen zijn Hoge Wacht. ‘Haal heer Baldhere naar de bevelstent, en ook koningin Ethenielle en koning Easar.’

‘Lan, je moet de...’ Agelmar brak zijn zin af. ‘Licht! Ik kan het niet zeggen. Als ik nadenk over wat we moeten doen, komen de verkeerde gedachten in mijn hoofd! Ik probeer ons nog steeds te dwarsbomen. Ik heb ons verdoemd.’ Met grote ogen reikte hij naar zijn korte zwaard en trok het uit de schede.

Lan pakte het zwaard bij de handbeschermer en hield het tegen voordat Agelmar het in zijn eigen maag kon steken. Er sijpelde bloed tussen Lans vingers door toen hij zich sneed aan de scherpe rand van de kling.

‘Laat me eervol sterven,’ smeekte Agelmar. ‘Ik... Ik heb ons allemaal vernietigd. Door mij hebben we deze oorlog verloren, Lan.’

‘Niet de oorlog, alleen de veldslag,’ zei Lan. ‘Er is iets mis met je. Een ziekte, een vermoeidheid, of iets van de Schaduw. Ik vermoed dat er iemand met je geest heeft gerommeld.’

‘Maar...’

‘Je bent soldaat!’ brulde Lan. ‘Gedraag je dan ook zo!’

Agelmar verstijfde. Hij keek Lan in de ogen, en toen knikte hij eenmaal. Toen Lan zijn hand van de kling haalde, stak Agelmar het zwaard terug in de schede. De grote kapitein ging in kleermakerszit in de aloude Shienaraanse meditatiehouding zitten, met zijn ogen dicht.

Lan beende weg en riep bevelen. Prins Kaisel rende naar hem toe, overduidelijk bang. ‘Wat gebeurt er, heer Mandragoran?’

‘Dwang, waarschijnlijk,’ zei Lan. ‘Wij zaten als konijnen in een strik, en het touw werd langzaam maar zeker om onze nek aangesnoerd. Laat iemand me alsjeblieft vertellen dat de Asha’man nog genoeg kracht hebben voor Poorten! En breng me nieuws over de oostelijke flank! Die boogschutters zullen ondersteuning nodig hebben. Zet de rest van de reservetroepen in voor hun bescherming.’

Prins Kaisel ging met grote ogen en zijn hand op zijn zwaard achteruit. Hij keek met een bleek gezicht naar Agelmar. ‘Hebben we echt verloren?’ vroeg hij aan Lan zodra de bevelen gegeven waren en boodschappers wegrenden om ze over te brengen.

‘Ja,’ zei Lan. ‘We hebben verloren.’

‘Lan!’ riep Agelmar ineens, en hij opende zijn ogen.

Lan draaide zich naar hem om.