‘Koningin Tenobia,’ zei Agelmar. ‘Ik heb haar het gevaar in gestuurd zonder te begrijpen wat ik deed. Degene die deze gedachten in mijn hoofd heeft gestopt, wilde haar dood hebben!’
Lan vloekte zachtjes, en hij rende het kamp uit en tegen de dichtstbijzijnde heuvel op. De verkenners daar maakten ruimte voor hem toen hij op de top aankwam en zijn kijkglas achter zijn riem vandaan trok. Hij had het ding niet nodig. Hij zag de vlag van de koningin al toen hij over het slagveld tuurde.
Ze was omsingeld. Wat voor ondersteuning ze ook had gedacht te zullen krijgen, die was niet gestuurd. Lan deed zijn mond al open om bevelen te brullen, maar ze stierven op zijn lippen toen de Trolloks over de kleine wit met zilveren vlag heen zwermden. Hij viel op de grond, en binnen enkele tellen zag Lan op dat gedeelte van het slagveld geen enkele levende soldaat meer.
Kilte. Hij kon niets voor Tenobia doen. Dit draaide niet langer om het redden van individuen.
Ze zouden geluk hebben als ze deze dag overleefden met nog wat flarden van een leger.
Mart reed met Tuon zuidwaarts naar het slagveld, langs de oevers van de rivier die de westelijke grens van Arafel vormde.
En waar Tuon ging, daar ging Selucia. En nu Min ook. Tuon wilde haar nieuwe Doemziener te allen tijde aan haar zijde hebben. Tuon bleef vragen om visioenen, en Min bleef schoorvoetend vertellen wat ze zag.
Mart had geprobeerd Min over te halen te zeggen dat ze een hoed om Marts hoofd zag zweven. Dan zou Tuon vast wel ophouden met pogingen om van zijn geliefde hoed af te komen, toch? Dat zou beter zijn geweest dan dat Min uitleg gaf over het oog op de weegschaal, en de dolk, en al die andere verrekte dingen die ze bij Mart had gezien.
Waar Tuon ging, gingen ook honderd doodswachtgardisten. En Galgan en Courtani, die zich berispt voelden omdat ze Mart niet snel genoeg hadden geholpen. In ieder geval was Furyk Karede er ook bij, als leider van de doodswachtgarde. Het gezelschap van Karede was ongeveer net zo aangenaam als wanneer je de hand van een andere kerel in je geldbuidel aantrof, maar hij was een goede soldaat. Mart zou wel eens een wedstrijdje staren tussen Karede en Lan willen zien. Dat zou jaren duren.
‘Ik heb een beter uitkijkpunt nodig,’ zei Mart, die over het slagveld tuurde toen ze dichterbij kwamen. ‘Daar.’
Hij wendde Pips en reed naar een heuveltje dicht genoeg bij de plek op de oever van de rivier waar de vijandelijke troepen elkaar vernietigden. Tuon volgde zonder een woord te zeggen. Toen ze allemaal op de heuvel stonden, merkte hij dat Selucia hem vernietigende blikken toewierp.
‘Wat is er?’ vroeg Mart. ‘Ik had verwacht dat je blij zou zijn dat ik terug ben. Nu heb je weer iemand om vinnig naar te kijken.’
‘De Keizerin volgt waar jij heen gaat,’ zei ze.
‘Inderdaad,’ zei Mart. ‘Zoals ik volg waar zij heen gaat, neem ik aan. Hopelijk draaien we niet al te veel in kringetjes rond.’ Hij bekeek de strijd.
De rivier was niet ontzettend breed – misschien vijftig passen -maar hij stroomde snel en was aan weerskanten van de voorde diep. Het water vormde een mooie barrière, en niet alleen voor Trolloks. Maar de voorde verschafte een eenvoudige oversteek. Het water daar was kniediep en breed genoeg om minstens twintig rijen ruiters tegelijkertijd te laten oversteken.
Verder weg, in het midden van het Sharaanse leger, zat een man op een schitterend wit paard. Mart kon hem door zijn kijkglas net zien. Het glinsterende pantser van de man leek op niets wat Mart kende, hoewel het door de afstand moeilijk was om bijzonderheden te ontwaren. ‘Ik neem aan dat dat onze Verzaker is?’ vroeg hij, gebarend met zijn ashandarei.
‘Hij lijkt te roepen om de Herrezen Draak,’ zei Galgan. Demandreds stem schalde op dat ogenblik over het slagveld, versterkt door de Ene Kracht. Hij eiste dat de Draak naar hem toe kwam om het tegen hem op te nemen in een tweegevecht.
Mart bekeek die kerel door zijn kijkglas. ‘Demandred, hè? Is hij een beetje kierewiet geworden, of hoe zit het?’ Nou, Mart wist nu bij welk deel van het slagveld hij weg moest blijven. Hij had zich niet aangemeld om tegen Verzakers te vechten. Of eigenlijk, voor zover hij zich herinnerde had hij zich hier helemaal niet voor aangemeld. Hij was verdomme elke stap hierheen geronseld. Meestal met geweld, en altijd door het ene of andere vrouwmens.
Egwene mocht zich om Demandred bekommeren, of misschien de Asha’man. Rhand zei dat de Asha’man niet gek meer werden, maar dat was een belofte die niet veel voorstelde. Elke man die de Ene Kracht wilde hanteren was al gek, wat Mart betrof. Nog meer gekte zou net zoiets zijn als thee inschenken in een al overvolle kom.
In ieder geval hielden Tuons damane die Sharaanse geleiders bezig. Hun vuurgevecht scheurde de grond aan weerskanten van de rivieroevers open. Het was alleen onmogelijk om een duidelijk beeld te krijgen van wat daar gebeurde. Er was gewoon te veel verwarring.
Mart richtte zijn kijkglas weer zuidwaarts langs de rivier. Hij fronste. Er stond een legerkamp opgesteld, een paar honderd meter tegenover de voorde, maar het was niet de rommelige opstelling van de tenten die zijn aandacht trok. Aan de oostelijke rand van het kamp zag hij een groot aantal soldaten met hun paarden, maar ze stónden daar gewoon. Hij zag een gestalte ijsberen voor de verzameling, iemand die uitstraalde dat ze in een pestbui was. Mart miste dan misschien een oog, maar hij herkende Tylee meteen.
Hij liet het kijkglas zakken. Hij wreef over zijn kin, verschoof zijn hoed en legde zijn ashandarei op zijn schouder. ‘Geef me vijf minuten alleen,’ zei hij, en hij dreef Pips in galop de heuvel af, in de hoop dat Tuon hem alleen zou laten gaan. Voor één keer deed ze dat, hoewel hij haast kon voelen hoe ze hem van daarboven nieuwsgierig nakeek. Ze leek alles wat hij deed belangwekkend te vinden.
Mart galoppeerde langs de rivier naar Tylee toe. Er klonken oorverdovende ontploffingen, die aankondigden dat hij het hart van de strijd naderde.
Hij dreef Pips naar links en reed recht op de ijsberende generaal af. ‘Tylee, door het Licht verblinde dwaas! Waarom hang je hier nog rond in plaats van je nuttig te maken?’
‘Hoogheid,’ zei Tylee, die zich op haar knieën liet zakken, ‘we hebben het bevel gekregen om hier te blijven totdat we werden opgeroepen.’
‘Wie heeft je dat verteld? En sta op.’
‘Generaal Brin, Hoogheid,’ antwoordde ze terwijl ze overeind kwam. Hij hoorde de ergernis in haar stem, maar ze hield haar gezicht in de plooi. ‘Hij zei dat we alleen maar een reservetroep waren en dat we onder geen beding hier weg mochten totdat hij het bevel gaf. Hij zei dat er vele levens van afhingen. Maar kijk, u kunt het zelf zien,’ zei ze, gebarend naar de rivier, ‘de strijd gaat niet goed.’
Mart was te zeer in beslag genomen door Tylee om de toestand aan de overkant van het water op te merken, maar nu overzag hij het slagveld eens goed.
Hoewel de damane nog altijd stand leken te houden tegen de Sharaanse geleiders, hadden de gewone soldaten het overduidelijk moeilijk. De verdedigingen stroomafwaarts aan Brins linkerflank waren volledig ingestort en de soldaten daar werden bestookt door Sharanen.
Waar was de cavalerie? Die hoorde de flanken te verdedigen. En, zoals Mart al had voorspeld, Sharaanse boogschutters waren het veld op gekomen en schoten met pijlen op de rechterflank van Brins cavalerie. Het leek wel alsof er een steenpuist werd uitgeknepen, en Brins troepen waren de puist die op het punt stond te barsten.
‘Dit slaat helemaal nergens op, verdomme,’ schold Mart. ‘Dit wordt een steeds grotere ramp. Waar is de generaal nu, Tylee?’
‘Ik zou het niet kunnen zeggen, Hoogheid. Ik heb mensen op pad gestuurd om hem te zoeken, maar ik heb nog niets gehoord. Ik heb wel verslagen gekregen dat onze kant even ten zuiden van hier een grote tegenslag te verwerken heeft gehad. Twee grote cavalerie-eenheden van generaal Brin zijn weggevaagd door de Sharanen, even beneden de heuvels op de grens. Ik heb gehoord dat ze daarheen waren gestuurd om de marath’damane op de heuvels af te lossen.’
‘Bloed en bloedas.’ Mart overpeinsde die nieuwe feiten. ‘Goed, Tylee, we kunnen niet langer wachten. Dit gaan we doen. Laat baandergeneraal Makoti met de Tweede Banier helemaal naar het midden gaan. Hij moet zich om onze troepen heen werken die daar in gevecht zijn en die Sharanen achteruitdrijven. Jij neemt de Derde Banier mee en rijdt eromheen naar de rechterflank. Schakel die boogschutters uit, en alle andere geitenmelkers die je pad kruisen. Ik ga met de Eerste Banier naar de linkerflank om het gat in de verdediging dicht te stoppen. Opschieten, Tylee!’