‘Ja, Hoogheid. Maar u wilt toch niet zo dicht bij de strijd komen?’
‘Ja, dat wil ik wel. En nu opschieten, Tylee!’
‘Alstublieft, als ik een nederig voorstel mag doen, Hoogheid? U bent onbeschermd. Laat me u dan in ieder geval wat fatsoenlijke bepantsering lenen.’
Mart dacht even na, maar toen moest hij toegeven dat haar voorstel verstandig was. Je zou gewond kunnen raken daarbuiten, met al die rondvliegende pijlen en maaiende klingen.
Tylee riep een van haar hogere officiers, die ongeveer even groot leek als Mart, en liet de man zijn pantser uittrekken. Het was bijzonder kleurrijk en bestond uit overlappende groene, gouden en roodgelakte platen met zilveren randen. Het gezicht van de officier stond nogal verbaasd toen Mart hem in ruil zijn jas overhandigde en zei dat hij die aan het eind van de dag ongeschonden terug wilde hebben.
Mart trok het pantser aan. Het bedekte zijn borst, de achterkant van zijn armen en de voorkant van zijn bovenbenen en zat niet eens onprettig. Toen de officier echter zijn helm uitstak, negeerde Mart die en verzette alleen zijn breedgerande hoed terwijl hij zich tot Tylee wendde.
‘Hoogheid, nog één ding. De marath’damane...’
‘Ik bekommer me zelf om die geleiders,’ zei Mart.
Ze gaapte hem aan alsof hij krankzinnig was. Bloed en as, dat was hij waarschijnlijk ook.
‘Hoogheid!’ zei Tylee. ‘De Keizerin...’ Ze brak haar zin af toen ze Marts gezicht zag. ‘Laten we dan in ieder geval een paar damane hierheen halen om u te beschermen.’
‘Ik kan best op mezelf passen, dank je feestelijk. Die verrekte vrouwen zouden me alleen maar in de weg lopen.’ Hij grijnsde. ‘Ben je er klaar voor, Tylee? Ik wil dit heel graag achter de rug hebben voordat het tijd is voor mijn slaapmutsje.’
Ten antwoord draaide Tylee zich om en riep: ‘Opstijgen!’ Licht, ze had wel sterke longen! Daarop sprongen duizenden mannen in hun zadels, met een klap die door het hele legioen galmde, en alle soldaten bleven, met rechte rug en hun blik vooruit, zitten. Hij moest de Seanchanen één ding nageven: ze leidden verdomd goede soldaten op.
Tylee blafte een reeks bevelen, draaide zich weer om naar Mart en zei: ‘Op uw bevel, Hoogheid.’
Mart haalde diep adem en riep: ‘Los caba’drin!’ Woorden die de meeste mannen hier niet verstonden, maar waarvan ze instinctief wisten dat ze betekenden: ‘Ruiters voorwaarts!’
Terwijl Mart Pips aanspoorde en met de ashandarei boven zijn hoofd het water van de voorde in reed, hoorde hij de grond beven toen de Eerste Banier de rangen rondom hem sloot. De schelle Seanchaanse hoorns achter hen gaven het teken voor de aanval, elke hoorn met een iets andere toon, wat een knarsend, dissonant geluid veroorzaakte dat bedoeld was om over grote afstanden hoorbaar te zijn. Verderop keken soldaten van de Witte Toren over hun schouders bij het lawaai, en in de paar tellen die het Mart en de Seanchanen kostte om de oversteek te maken, doken soldaten uit de weg om de ruiters door te laten.
Een kort bochtje naar links, en de Seanchanen stonden plotseling midden tussen de Sharaanse cavalerie die zich een weg door Egwenes voetsoldaten had gebaand. De snelheid van hun aankomst stelde de Seanchaanse voorhoede in staat om hard tegen de Sharanen aan te beuken. Hun geoefende strijdrossen steigerden en trappelden met hun voorbenen de vijand tegen de grond. Sharanen en hun rijdieren vielen, en velen werden geplet terwijl de Seanchaanse cavalerie meedogenloos bleef oprukken.
De Sharanen leken goed opgeleid, maar dit was zware cavalerie, met stevige pantsers en lange lansen. Deze eenheid was volmaakt geschikt voor het uitschakelen van voetsoldaten die met hun rug tegen de muur stonden, maar op zo korte afstand waren ze in het nadeel tegenover een zeer beweeglijke lichte cavalerie.
De Eerste Banier was een vakkundige eenheid die een grote verscheidenheid aan wapentuig gebruikte, en de mannen waren opgeleid om in teams te werken. Speren die door de voorste ruiters met dodelijke nauwkeurigheid werden gegooid, belandden achter de vizieren van de Sharanen, en een verrassend aantal speren ging door de sleuven en raakte gezichten. Achter hen kwamen ruiters met tweehands zwaarden met gebogen klingen, waarmee ze inhakten op de kwetsbare plek tussen de helm en het lichaamspantser. Indien nodig hakten ze in op de borstkas van met pantsers beklede Sharaanse rijdieren, waardoor hun ruiters tegen de grond gingen. Andere Seanchanen gebruikten paalwapens met haken om Sharanen uit het zadel te trekken, waarna hun kameraden de vijanden met puntige vlegels bewerkten en zoveel deuken in hun pantsers maakten dat hun bewegingen ernstig belemmerd werden. En als de Sharanen op de grond lagen en overeind probeerden te krabbelen, doken de stekers boven op hen: lichtbepantserde Seanchanen die als taak hadden de vizieren van gevallen soldaten omhoog te trekken en hun een dunne dolk in de ogen te steken. De lansen van de Sharanen haalden onder deze omstandigheden niets uit. Eigenlijk waren ze alleen maar een belemmering, en vele Sharanen stierven voordat ze hun lansen voor zwaarden konden verruilen.
Mart stuurde een van zijn cavalerie-eskaders langs de rivieroever naar de uiterste linkerkant van het slagveld en om de Sharaanse cavalerie heen. Nu ze niet langer werden overstelpt door Sharaanse lansen, konden de voetsoldaten van de Witte Toren links in het midden nu hun pieken en hellebaarden weer gebruiken. Samen met de Seanchaanse Tweede en Derde Banier herstelden ze langzaam de verdedigingen bij de voorde. Het was smerig, glibberig werk, aangezien de grond binnen enkele honderden meters langs de rivier omgewoeld raakte en één grote moddervlakte werd. Maar de troepen van het Licht hielden stand.
Mart werd meegesleept in het strijdgewoel en zijn ashandarei hield geen ogenblik op met draaien. Hij merkte echter al snel dat zijn wapen niet erg handig was. Een paar van zijn uithalen raakten kwetsbaar vlees, maar meestal ketste zijn kling af op de pantsers van zijn tegenstanders. Hij was herhaaldelijk gedwongen te duiken en te draaien in het zadel om niet door een Sharaanse kling te worden geraakt.
Hij baande zich langzaam een weg vooruit door de gevechten en was bijna bij de achterhoede van de Sharaanse cavalerie toen hij besefte dat drie van zijn metgezellen niet langer in het zadel zaten. Vreemd, net waren ze er nog. Twee anderen verstijfden en keken om zich heen, en plotseling vlogen ze allebei in brand. Ze schreeuwden van pijn, vielen op de grond en bleven slap liggen. Mart keek naar rechts, net op tijd om een Seanchaan te zien die honderd voet door de lucht achterover werd gesmeten door een ongeziene kracht.
Toen hij zich weer omdraaide, ontmoette Mart de blik van een ontzettend mooie vrouw. Ze was merkwaardig gekleed in een zwartzijden gewaad dat wijd om haar lichaam viel en dat was versierd met witte linten. Ze was een donkere schone, net als Tuon, maar er was niets fijns aan haar brede, hoge jukbeenderen en haar sensuele mond met pruilende lippen. Totdat ze opkrulden in een glimlach, maar het was een glimlach die niet bedoeld was om hem gerust te stellen.
Terwijl ze hem aanstaarde, werd zijn medaillon koud. Mart ademde uit.
Tot nu toe leek het geluk met hem te zijn, maar hij wilde het niet te veel op de proef stellen, net zomin als je je beste renpaard op de proef wilde stellen. Hij zou dat geluk nog meer dan genoeg nodig hebben in de dagen die kwamen.
Mart steeg af en liep naar haar toe, terwijl de vrouw een kreet slaakte en met grote ogen van verbazing een andere weving probeerde. Hij draaide de ashandarei om, zwaaide ermee en mepte haar voeten onder haar vandaan. Terwijl ze viel, haalde hij de steel terug naar rechts en sloeg haar op het achterhoofd.