Выбрать главу

Ze belandde met haar gezicht in de modder. Mart had geen tijd om haar eruit te trekken, want ineens stond hij tegenover tientallen Sharanen. Tien van Marts soldaten kwamen om hem heen staan, en hij drong zich naar voren. Die Sharanen hadden alleen zwaarden. Mart weerde hen af met een draaiende kling en schacht, en hij en de Seanchanen streden fel.

Het gevecht werd een waas van maaiende wapens. Zijn ashandarei sproeide klodders modder de lucht in. Twee van Marts mannen grepen de vrouw die op haar buik was beland, zodat ze niet zou verdrinken in de smurrie.

Mart drong zich naar voren.

Mannen schreeuwden om versterking.

Voorzichtige stappen, maar onophoudelijk naar voren.

De grond begon rood te kleuren.

Sharaanse soldaten vervingen degenen die waren gesneuveld, en de lichamen van de doden zonken dieper weg in de modder. Soldaten waren vaak grimmig volk, maar elk van die Sharanen leek persoonlijk vastberaden om hem te doden, totdat ze ineens niet meer kwamen. Mart keek om zich heen. Er stonden nog maar vier Seanchanen aan zijn zijde.

Ondanks de chaos van de strijd had Mart het gevoel dat hij nu helderder zag dan ooit. En de onderbreking in de gevechten gaf hem de mogelijkheid om zich weer als een bevelhebber op te stellen.

‘Bind de handen van die vrouw op haar rug,’ zei Mart hijgend tegen de mannen om hem heen, ‘en bind een doek voor haar ogen zodat ze niks kan zien.’ Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd. Licht, het was voldoende voor een tweede rivier. ‘We gaan terug naar de voorde met onze gevangene. Ik zal kijken of ik nog een paar van die verrekte damane kan vinden om in de strijd te gooien. De Sharanen hebben een fout gemaakt door een van hun geleiders in haar eentje op het slagveld achter te laten. Maar laten we hier weggaan voordat er nog meer komen.’

Mart schudde met zijn hand. Hij had zijn nagel gebroken en de mooie lak was gebarsten. Hij wendde zich tot een Seanchaanse officier, een van de mannen die aan zijn zijde had gevochten. De man keek hem vol ontzag aan, alsof hij naar de verrekte Herrezen Draak zelf keek. Mart keek naar de grond. De gezichtsuitdrukking van die man beviel hem niet, maar eigenlijk was zijn uitzicht op de met bloed vermengde blubber vol Sharaanse lijken niet veel beter. Hoeveel had Mart er gedood?

‘Hoogheid...’ zei de officier. ‘Heer, geen man in dienst van het Keizerrijk zou het ooit wagen de Keizerin, moge zij eeuwig leven, in twijfel te trekken. Maar als iemand zich nog had verwonderd over sommige van haar keuzes, dan zou hij dat nu niet langer doen. Prins van de Raven!’ Hij hief zijn zwaard, wat gejuich ontlokte aan de mannen achter hen.

‘Zorg dat jullie paalwapens krijgen,’ zei Mart. ‘Die stomme zwaarden halen zo goed als niks uit tegenover voetsoldaten in deze strijd.’ Hij beet een stukje van zijn gescheurde nagel af en spuugde het uit. ‘Jullie hebben goed werk verricht. Heeft iemand mijn paard gezien?’

Pips was vlakbij, en dus pakte hij de teugels van zijn rijdier en leidde het terug naar de voorde. Hij wist zich zelfs van andere schermutselingen afzijdig te houden, grotendeels. Die Seanchaanse kapitein deed hem iets te veel denken aan Talmanes, en Mart had al genoeg mensen die hem overal volgden. Ik vraag me af of hij dobbelt, dacht Mart terloops, terwijl hij in het water stapte. Zijn laarzen waren goed, maar alle laarzen gingen uiteindelijk lekken, en zijn voeten sopten in zijn kousen terwijl hij met Pips de voorde overstak.

Er was iets gaande op de oever een eind rechts van hem. Zo te zien was er een groep Aes Sedai aan de overkant van de rivier bezig met geleiden op het slagveld. Maar Mart was niet van zins zijn neus in hun zaken te steken. Hij had belangrijkere dingen aan zijn hoofd.

Verderop zag Mart een man bij een boom staan, gekleed in een wijde broek en een bekend uitziende jas. Hij liep naar de man toe en na een kort gesprek ruilden de twee van kleding. Blij dat hij zijn Tweewaterse jas weer droeg, hees Mart zich in het zadel, zijn benen nog druipend van het water, en reed terug naar Tuon.

Zijn mannen hadden die Sharaanse geleider meegenomen. Op zijn bevel hadden ze haar een blinddoek voor en een prop in haar mond gedaan. Licht, wat moest hij met haar? Ze zou waarschijnlijk als damane eindigen.

Hij liet zijn soldaten achter en reed naar de wachters, nu opgesteld aan de voet van het heuveltje, zonder echt naar hen te kijken. Hij zag het slagveld nu voor zijn geestesoog, niet langer als tekeningetjes op een vel papier. Hij zag het veld, hoorde de mannen vechten, rook de smerige adem van de Trolloks. Nu was het écht.

‘De Keizerin,’ zei Selucia toen hij de top van de heuvel bereikte, ‘wil graag weten – tot in de bijzonderheden – waarom het je gepast leek om jezelf zo onverantwoordelijk in het gevecht te storten. Je leven is niet langer je eigen bezit, Prins van de Raven. Je kunt er niet meer zo achteloos mee omspringen als je voorheen misschien deed.’

‘Ik moest het weten,’ zei Mart, uitkijkend over het terrein. ‘Ik moest de hartslag van de strijd voelen.’

‘De hartslag?’ vroeg Selucia. Tuon praatte via haar door als zo’n verrekte Speervrouwe met haar vingers te wiebelen. Ze praatte niet rechtstreeks tegen hem. Slecht teken.

‘Elke strijd heeft een hartslag, Tuon,’ zei Mart, nog steeds voor zich uit starend. ‘Nynaeve... Soms voelde ze aan iemands polsslag dat er iets mis was met zijn benen. Dit is hetzelfde. In de strijd stappen, de beweging ervan voelen, hem leren kennen...’

Een dienaar met een half kaalgeschoren hoofd stapte naar Tuon toe en fluisterde iets tegen haar en Selucia. Hij was van de voorde gekomen.

Mart bleef voor zich uit kijken, terugdenkend aan de kaarten, maar nu kon hij er een beeld van de werkelijke strijd overheen leggen. Brin die Tylee niet had ingezet, de linkerflank van zijn verdediging onbeschermd had achtergelaten bij de voorde en zijn cavalerie een valstrik in had gestuurd.

De veldslag opende zich voor Mart en hij zag tactieken tien stappen vooruit op wat er nu gebeurde. Het was net zoiets als de toekomst lezen, zoals wat Min zag, maar dan met vlees, bloed, zwaarden en strijdtrommels.

Mart gromde. ‘Huh. Garet Brin is een Duistervriend.’

‘Hij wat?’ sputterde Min.

‘Deze veldslag is zo goed als gedoemd,’ zei Mart tegen Tuon. ‘Ik heb nu meteen de volledige macht over onze legers nodig. Geen geruzie meer met Galgan. Min, je moet een boodschap aan Egwene sturen om haar te waarschuwen dat Brin probeert deze strijd te verliezen. Tuon, ze zal er zelf heen moeten gaan. Ik denk niet dat Egwene naar iemand anders zal luisteren.’

Iedereen keek Mart stomverbaasd aan. Iedereen behalve Tuon, die hem een van die verpletterende blikken schonk waar ze zo goed in was. Die waardoor hij het gevoel kreeg dat hij een muis was, gevangen in een verder onberispelijke kamer. Zo’n blik die hem nog meer liet zweten dan de strijd.

Kom op, dacht hij. We hebben hier geen tijd voor. Hij zag het nu, als een groot spel stenen Brins zetten waren ingewikkeld en verfijnd geweest, maar uiteindelijk zouden ze leiden tot de vernietiging van Egwenes leger.

Mart kon daar iets tegen doen. Maar dan moest hij het wel nu doen.

‘Het is gebeurd,’ zei Tuon.

Die opmerking veroorzaakte bijna evenveel verbazing als Marts uitspraak. Kapitein-generaal Galgan keek alsof hij liever zijn eigen laarzen opat dan Mart het bevel te geven. Min werd met een geërgerde kreet weggeleid door een groep dienaren en soldaten.

Tuon stuurde haar paard dichter naar dat van Mart toe. ‘Ik heb gehoord,’ zei ze zachtjes, ‘dat je in de strijd zo-even niet alleen een marath’damane voor jezelf hebt opgeëist, maar ook een van je officiers hebt verheven tot het lagere Bloed.’

‘O ja?’ vroeg Mart onthutst. ‘Dat herinner ik me niet.’

‘Je hebt hem je nagel gegeven.’

‘O. Dat... Best, misschien heb ik dat inderdaad gedaan. Per ongeluk. En die geleider... bloed en as, Tuon. Ik wilde haar niet... geloof ik. Nou, je mag haar hebben.’

‘Nee,’ zei Tuon. ‘Het is goed dat je er een voor jezelf hebt genomen. Je kunt haar natuurlijk niet opleiden, maar er zijn vele sul’dam die dat graag voor je zullen doen. Het komt maar heel zelden voor dat een man persoonlijk een damane gevangenneemt op het slagveld, echt heel zelden. Hoewel ik op de hoogte ben van je voordeel, weten anderen dat niet. Dit zal je faam bijzonder versterken.’