Выбрать главу

Mart haalde zijn schouders op. Wat kon hij anders? Misschien, als die damane van hem was, zou hij haar kunnen vrijlaten of zoiets.

‘Ik zal de officier die je hebt verheven laten overplaatsen naar je persoonlijke wacht,’ zei Tuon. ‘Hij heeft een goede staat van dienst, misschien wel te goed. Hij had die taak bij de voorde gekregen omdat hij... mogelijk deel uitmaakt van een groepering die zich tegen ons zou hebben gekeerd. Maar nu steekt hij de loftrompet over je af. Ik weet niet wat je hebt gedaan om zijn mening te veranderen. Je schijnt daar behoorlijk bedreven in te zijn.’

‘Laten we maar hopen dat ik even goed ben in het terughalen van de overwinning,’ gromde Mart. ‘Dit is erg, Tuon.’

‘Je bent de enige die dat denkt.’ Ze zei die woorden behoedzaam, niet echt om hem tegen te spreken. Alleen maar als feit.

‘Toch heb ik gelijk. Ik wou dat het niet zo was, maar ik heb gelijk. Echt.’

‘Zo niet, dan zal ik invloed verliezen.’

‘Het komt wel goed met je,’ zei Mart, die met ferme gang vooropging, terug naar het Seanchaanse kamp een paar mijl ten noorden van hen. ‘Misschien stuur ik je af en toe de verkeerde kant op, maar je kunt er zeker van zijn dat ik uiteindelijk altijd een veilige weddenschap ben.’

30

Zo gaat een roofdier te werk

Perijn en Gaul liepen nog een sombere ronde door Egwenes kamp, of althans, het weinige ervan dat in de wolfsdroom werd weerspiegeld. Haar leger was ver naar het oosten gedwongen en de tenten hadden niet lang genoeg bij de rivier gestaan om sterk door te komen in de wolfsdroom.

De wolven hadden Graendal hier gezien, maar Perijn had haar niet kunnen betrappen op wat ze dan ook aan het doen was.

Al drie keer had Slachter geprobeerd de Bres aan te vallen en hadden de wolven Perijn gewaarschuwd. Elke keer had Slachter zich teruggetrokken voordat Perijn aankwam. Die man probeerde hen uit. Zo ging een roofdier te werk: hij speurde de kudde af op zoek naar de zwakste.

In ieder geval had Perijns strategie met de wolven gewerkt. De tijd verstreek langzaam in de Bres, en dus werd Slachter – uit noodzaak -vertraagd terwijl hij probeerde bij Rhand te komen. Dat gaf Perijn een mogelijkheid om hem nog op tijd te bereiken.

‘We moeten de anderen waarschuwen voor Graendal,’ zei Perijn, die midden in het kamp bleef staan. ‘Ze communiceert vast met Duistervrienden in onze kampen.’

‘Misschien kunnen we naar de mensen bij de Bres gaan? Je kon daar met Nynaeve Sedai praten.’

‘Misschien,’ zei Perijn. ‘Ik weet niet of het wel goed is om Nynaeve weer af te leiden, als je nagaat wat ze aan het doen is.’ Perijn draaide zich om en keek naar de dekenrollen die flikkerden en verdwenen in de wolfsdroom. Hij en Gaul hadden in Merrilor gekeken of er een Poort was, maar dat was op het ogenblik niet zo. Als hij terug wilde naar de wakende wereld, zou hij uren moeten wachten, en dat leek hem tijdverspilling.

Kon hij er maar achter komen hoe hij zichzelf terug kon verplaatsen naar de echte wereld. Lanfir had aangegeven dat hij die truc mogelijk kon leren, maar zijn enige aanwijzing voor hoe dat moest lag bij Slachter. Perijn probeerde zich het ogenblik te herinneren toen die man zich hier weg had verplaatst. Had Perijn iets gevoeld? Was er iets geweest waaruit hij kon afleiden hoe Slachter deed wat hij deed?

Hij schudde zijn hoofd. Hij had dit al talloze keren overpeinsd en geen antwoorden gevonden. Met een zucht tastte hij naar de wolven.

Is er al een spoor van Hartszoeker? vroeg hij hoopvol.

De wolven lachten. Hij vroeg het ze te vaak.

Hebben jullie dan kampen van tweepoters gezien? stuurde Perijn hun toe.

Dat leverde een vaag antwoord op. Wolven letten alleen op mensen om ze te ontlopen. In de wolfsdroom maakte dat niet veel uit, maar toch hadden de wolven geleerd ook hier afstand te houden, want overal waar mensen zich verzamelden, kwamen veelvuldig nachtmerries voor.

Hij wilde graag weten hoe het op de andere fronten ging. Hoe zat het met Elaynes leger, met Perijns mannen, met heer en vrouwe Bashere? Perijn leidde Gaul weg. Ze renden met snelle passen in plaats van rechtstreeks naar bepaalde plekken te springen. Perijn wilde nadenken.

Hoe langer hij lijfelijk in de wolfsdroom bleef, hoe meer hij de indruk kreeg dat hij zou moeten weten hoe hij zich eruit kon verplaatsen. Zijn lichaam scheen te begrijpen dat dit geen natuurlijke omgeving was. Hij had hier niet geslapen, ondanks... Hoe lang waren ze hier al? Hij zou het niet kunnen zeggen. Ze waren bijna door hun rantsoenen heen, ofschoon hij het gevoel had dat Gaul en hij hier pas een paar uur waren. Een deel van dat gevoel werd veroorzaakt door hun vele uitstapjes naar de Bres om bij de droomprikker te gaan kijken, maar het was hier altijd heel gemakkelijk om de tijd uit het oog te verliezen.

Perijn voelde ook steeds meer een pijnlijke vermoeidheid in zijn lijf. Hij wist niet of hij hier zou kunnen slapen. Zijn lichaam verlangde naar rust, maar was vergeten hoe het dat moest vinden. Het deed

hem een beetje denken aan die keer dat Moiraine hun vermoeidheid had weggenomen toen ze zo lang geleden uit Tweewater vluchtten. Twee jaar alweer.

Een heel lange twee jaar.

Perijn en Gaul gingen bij Lans kamp kijken. Dat was nog doorschijnender dan het kamp van Egwene, dus het had geen zin om vanuit de wolfsdroom te proberen de toestand in ogenschouw te nemen. Lan had een heleboel cavalerie om zich heen en trok zich snel terug. Hij en zijn mannen bleven niet lang genoeg op één plek om meer dan heel vluchtig in de wolfsdroom door te komen.

Er waren geen sporen van Graendal. ‘Aan’allein trekt zich ook terug,’ gokte Gaul, kijkend naar de rotsige grond waarvan ze dachten dat het Lans kamp was. Er stonden hier geen tenten, maar er verschenen af en toe heel kort slaapplekken, met een paal in het midden waar de ruiters hun rijdieren aan vastbonden.

Gaul tuurde naar het landschap in het westen. ‘Als ze zich va,n hieruit blijven terugtrekken, komen ze uiteindelijk weer uit op de Akker van Merrilor. Misschien is dat het doel.’

‘Misschien,’ zei Perijn. ‘Ik wil naar Elaynes front en...’

Jonge Stier, riep een wolf naar hem. De ‘stem’ die hem riep, kwam hem om de een of andere reden bekend voor. Ze is hier.

Hier? stuurde Perijn. Hartszoeker?

Kom.

Perijn greep Gaul bij zijn arm en verplaatste hen ver naar het noorden. Was Graendal bij Shayol Ghul? Probeerde ze in te breken en Rhand te vermoorden?

Ze kwamen uit op een richel die uitkeek over de vallei. Hij en Gaul lieten zich meteen op hun buik zakken en tuurden over de rand de vallei in.

Een oude, getaande wolf verscheen naast Perijn. Hij kende die wolf, daarvan was hij overtuigd. Zijn geur was bekend, maar hij kon geen naam bij hem bedenken, en de wolf stuurde hem die ook niet toe.

‘Waar?’ fluisterde Perijn. ‘Is ze in de grot?’

Nee, antwoordde de oude wolf. Daar.

De wolf stuurde hem een beeld van tenten, opeengepakt in de vallei vlak onder de ingang naar de grot. Graendal was niet meer in de vallei gezien sinds die eerste keer dat Perijn haar daar had gesnapt.

Ituraldes troepen hielden hier al zo lang stand dat hun tenten steeds stabieler werden in de wolfsdroom. Perijn verplaatste zich behoedzaam naar beneden. Gaul en de wolf kwamen achter hem aan toen hij naar voren sloop, afgaand op de beelden van de wolf om hem de weg te wijzen.

Daar, zei de wolf, knikkend naar een grote tent in het midden. Perijn had Graendal hier eerder gezien, in deze tent. De tent van Rodel Ituralde.

Hij verstijfde toen de tentflap ruiste. Graendal stapte naar buiten. Ze zag er nog net zo uit als de vorige keer, met een gezicht als een plaat steen.