Perijn vormde een dunne, beschilderde wand om zichzelf achter te verstoppen, maar die moeite had hij zich kunnen besparen. Graendal maakte meteen een Poort en stapte erdoor naar de wakende wereld. Het was daar nacht, hoewel de tijd hier dicht bij de Bres zo vreemd verliep dat dat misschien voor de rest van de wereld niet veel betekende.
Perijn zag dezelfde tent in het donker aan de andere kant van de Poort, met twee Domaanse wachters ervoor. Graendal zwaaide met haar hand, en allebei rechtten ze hun rug en groetten haar.
De Poort begon dicht te gaan toen Graendal de tent in glipte. Perijn aarzelde, maar toen verplaatste hij zich tot vlak voor de Poort. Hij had nog een tel om te besluiten. Volgen?
Nee. Hij moest een oogje houden op Slachter. Maar nu hij zo dichtbij was, voelde hij iets... een bewustzijn. Als hij door die Poort stapte, zou dat net zoiets zijn als...
Als wakker worden.
De Poort klapte dicht. Perijn voelde even wat spijt, maar hij wist dat het beter was om in de wolfsdroom te blijven. Rhand was hier zo goed als machteloos tegenover Slachter en zou Perijns hulp nodig hebben.
‘We moeten een waarschuwing sturen,’ zei Perijn.
Ik zou de boodschap voor je kunnen vervoeren, Jonge Stier, stuurde de naamloze wolf hem toe.
Perijn verstarde en draaide zich toen met een ruk om. ‘Elyas!’
Hier ben ik Langtand, Jonge Stier. Elyas stuurde hem vermaak.
‘Ik dacht dat je zei dat je hier nooit kwam.’
Ik zei dat ik deze plek vermeed. Het is hier vreemd en gevaarlijk. Ik heb al genoeg vreemdheid en gevaar in mijn leven in de andere wereld. De wolf ging zitten. Maar iemand moest bij je komen kijken, dwaze welp.
Perijn glimlachte. Elyas’ gedachten waren een merkwaardige mengeling van wolf en mens. Zijn verstuurde gedachten waren erg wolf-achfig, maar zijn kijk op zichzelf was te persoonlijk, te ménselijk.
‘Hoe gaat het gevecht?’ vroeg Perijn gretig. Gaul ging verderop staan, om een oogje in het zeil te houden voor het geval Graendal of Slachter verscheen. Het veld dat voor hen lag, de bodem van de vallei, was voor de verandering rustig. De wind was gaan liggen en het stof op de zandige grond werd in kleine heuveltjes en rimpelingen opgestuwd, als water.
Ik weet niets van de andere slagvelden, stuurde Elyas hem toe, en wij wolven blijven ver weg bij de tweepoters. We vechten hier en daar, aan de randen van de strijd. We vallen voornamelijk de Ontaarden en Nooitgeborenen aan vanaf de overkant van de Kloof, waar geen andere tweepoters dan die vreemde Aiel zijn. Het is een slopend gevecht. Schaduwdoder moet snel opschieten. We houden nu al vijf dagen stand, maar mogelijk niet veel langer.
Vijf dagen hier in het noorden. Veel langer in de rest van de wereld sinds Rhand de grot van de Duistere was binnengegaan. Rhand zelf bevond zich zo dicht bij de Bres dat er voor hem waarschijnlijk pas uren of misschien zelfs minuten waren verstreken. Perijn voelde dat de tijd anders verliep als hij dicht bij de plek kwam waar Rhand vocht.
‘Ituralde,’ zei Perijn, krabbend in zijn baard. ‘Hij is een van de grote kapiteins.’
Ja, zei Elyas met een geur van vermaak. Sommigen noemen hem ‘Kleine Wolf’.
‘Bashere is bij Elaynes leger,’ zei Perijn. ‘En Garet Brin is bij Egwene. Agelmar is bij de Grenslanders en Lan.’
Dat weet ik niet.
‘Het is zo. Vier fronten. Vier grote kapiteins. Dat doet ze.’
‘Graendal?’ vroeg Gaul.
‘Ja,’ zei Perijn, die kwaad werd. ‘Ze doet iets met ze, stookt in hun geest, corrumpeert ze. Ik heb haar horen zeggen... Ja, dat is het, ik weet het zeker. In plaats van tegen onze legers te vechten met haar eigen legers, wil ze de grote kapiteins onderuithalen. Elyas, weet jij hoe een mens zich lijfelijk in en uit de wolfsdroom kan verplaatsen?’
Zelfs als ik dat zou weten – wat niet zo is – zou ik het je niet leren, zei Elyas met een grom. Heeft niemand je verteld dat het iets vreselijks en gevaarlijks is?
‘Herhaaldelijk,’ zei Perijn. ‘Licht! We moeten Bashere waarschuwen. Ik moet...’
‘Perijn Aybara!’ riep Gaul wijzend. ‘Hij is er!’
Perijn draaide zich met een ruk om en zag een donker waas naar dc ingang van de Doemkrocht schieten. Wolven jankten en stierven.
Andere huilden en begonnen de jacht. Deze keer ging Slachter niet achteruit.
De werkwijze van een roofdier: twee of drie snelle uithalen om de zwakte in te schatten, en dan voluit aanvallen.
‘Wakker worden!’ riep Perijn naar Elyas, terwijl hij de helling op rende. ‘Waarschuw Elayne, Egwene, iedereen die je ziet! En als dat niet kan, hou dan hoe dan ook Ituralde tegen. De grote kapiteins worden gecorrumpeerd. Een Verzaker stuurt hun gedachten, dus hun tactieken zijn niet te vertrouwen!’
Ik zal het doen, Jonge Stier, beloofde Elyas, die vervaagde.
‘Ga naar Rhand, Gaul!’ brulde Perijn. ‘Bewaak de weg naar hem toe! Laat geen van die roodsluiers langs je heen komen!’
Perijn riep zijn hamer op in zijn handen, wachtte niet op antwoord en verplaatste zich naar Slachter toe.
Rhand vocht met Moridin, staand voor de duisternis die het wezen was van de Duistere. Die koude vlakte was tegelijkertijd oneindig en leeg.
Rhand hield zoveel van de Ene Kracht vast dat hij bijna barstte. Hij zou die kracht nodig hebben in het komende gevecht. Voorlopig weerstond hij Moridin zwaard tegen zwaard. Hij hanteerde Callandor als een fysiek wapen, vocht ermee als met een zwaard gemaakt van het licht zelf en pareerde Moridins aanvallen.
Bij elke stap die Rhand verzette, droop er bloed op de grond. Nynaeve en Moiraine hielden zich vast aan stalagmieten alsof er iets tegen hen aan beukte: een wind die Rhand niet voelde. Nynaeve had haar ogen gesloten. Moiraine staarde recht vooruit, vastbesloten om niet weg te kijken, ongeacht wat het van haar vergde.
Rhand weerde Moridins nieuwste aanval af, en de vonken sloegen van hun klingen. Hij was in de Eeuw der Legenden altijd de betere zwaardvechter van hen twee geweest.
Hij was zijn hand kwijt, maar dankzij Tam maakte dat niet meer zoveel uit als voorheen. En hij was ook gewond. Deze plek... deze plek veranderde. De stenen op de grond leken te bewegen, en hij struikelde vaak. De lucht was afwisselend muf en droog en dan weer vochtig en schimmelig. De tijd stroomde als een riviertje om hem lieen. Rhand had haast het gevoel dat hij het kon zien. Elke slag van zijn zwaard duurde slechts een paar tellen, maar buiten verstreken er meerdere uren.
Hij raakte Moridins arm, en het bloed sproeide tegen de wand.
‘Mijn bloed en dat van jou,’ zei Rhand. ‘De wond in mijn zij heb ik aan jou te danken, Elan. Je dacht dat je de Duistere was, hè? Heeft hij je daar al voor gestraft?’
‘Ja,’ grauwde Moridin. ‘Hij heeft me weer tot leven gewekt.’ Moridin kwam snel op hem af, met twee handen zwaaiend met zijn zwaard.
Rhand stapte achteruit en ving de klap op met Callandor, maar hij misrekende de helling van de vloer. Of de helling veranderde ineens. Hij struikelde en werd op één knie gedwongen.
Kling tegen kling. Rhands been gleed naar achteren en raakte de duisternis achter hem, die lag te wachten als een vijver vol inkt.
Alles werd zwart.
Het verre lied van de Ogier stelde Elayne gerust terwijl ze onderuitgezakt in haar zadel zat, op een heuvel even ten noorden van Cairhien.
De vrouwen om haar heen waren er al niet beter aan toe dan zij. Elayne had alle Kinsvrouwen verzameld die nog saidar konden vasthouden – hoe zwak of moe ze ook waren – en had twee cirkels met hen gevormd. Ze had er twaalf bij zich in haar eigen cirkel, maar hun gezamenlijke sterkte in de Kracht was op het ogenblik nauwelijks meer dan die van één enkele uitgeruste Aes Sedai.
Elayne was opgehouden met geleiden om de vrouwen even te laten uitrusten. Velen van hen hingen onderuit in hun zadel of zaten op de grond. Voor hen strekte zich een rafelige slagorde uit. Mannen vochten wanhopig voor de Cairhiense heuvels en probeerden stand te houden tegenover de zee van Trolloks.