Aan het hoofd van de cirkel stond Androl. Een vreemde keus. Nu Elayne deel uitmaakte van de cirkel, voelde ze zijn kracht. Hij was bijzonder zwak, nog zwakker dan veel vrouwen die werden afgewezen bij de Toren, die de stola niet kregen omdat ze onvoldoende aanleg bezaten.
Elayne en de anderen hadden zich verplaatst naar de andere kant van het slagveld. De rest van de Asha’man hield de aanvallende Trollok-horde tegen, terwijl Androl voorbereidingen trof. Wat hij ook deed, hij zou het snel moeten doen. Elayne kon nog steeds maar moeilijk geloven dat er nog iets mogelijk was. Zelfs met zoveel kracht, zelfs met dertien mannen en veertien vrouwen die samenwerkten.
‘Licht,’ fluisterde Androl, die tussen haar paard en dat van Logain in stond. ‘Is dit hoe het voelt om een van jullie te zijn? Hoe hanteren jullie zoveel van de Ene Kracht? Hoe zorgen jullie dat het je niet levend verteert?’
Pevara legde haar hand op zijn schouder in een gebaar dat onmiskenbaar teder was. Elayne kon die twee gedachten amper met elkaar rijmen, zo moe als ze was, maar toch merkte ze dat ze geschokt was. Ze had geen genegenheid van een Rode verwacht voor een man die kon geleiden.
‘Haal de soldaten naar achteren,’ zei Androl zachtjes.
Elayne gaf ongerust het bevel. De man naast haar had nog nooit zoveel macht gehanteerd. Zoiets kon iemand naar het hoofd stijgen, dat had ze wel eens zien gebeuren. Het Licht geve dat hij wist wat hij deed.
De soldaten en anderen trokken zich terug en liepen langs Elaynes groep. Enkele vermoeide Ogier knikten in het voorbijgaan naar haar, met hangende schouders en hun armen vol krassen. De Trolloks stroomden naar voren, maar de Asha’man die buiten de cirkel stonden, hielden hun aanval tegen met wevingen van de Ene Kracht.
Het was niet genoeg. Hoewel de Asha’man goed vochten, waren er gewoon zó ontzaglijk veel Trolloks. De Asha’man konden dit getijde niet keren. Wat dacht Logain dat hij kon bereiken?
Androl glimlachte breed en stak zijn handen voor zich uit alsof hij tegen een muur duwde. Hij sloot zijn ogen. ‘Drieduizend jaar geleden maakte de heer Draak de Drakenberg om zijn schande te verbergen. Zijn woede brandt nog altijd heet. Vandaag... breng ik hem bij u, Majesteit.’
Een straal licht van zeker honderd voet hoog spleet de lucht. Maanschaduw deinsde achteruit, en Elayne fronste. Waarom een zuil van licht? Wat zou dat nou...
De lichtstraal begon om zijn eigen as te draaien. Toen pas herkende Elayne het begin van een Poort. Een reusachtige Poort, groot genoeg om gebouwen op te slokken. Ze had een hele vleugel van het paleis in Caemlin door dat ding kunnen verplaatsen!
De lucht voor hen trilde, zoals een Poort er van de achterkant altijd uitzag. Ze kon niet zien waar de Poort naartoe leidde. Hadden ze een leger aan de andere kant klaar staan?
Ze zag de ogen boven de kwijlende bekken van de Trolloks die door de opening keken. Volslagen doodsangst. Ze braken hun aanval af en renden weg, en Elayne voelde een plotselinge, bijna overstelpende hitte.
Er golfde iets uit de Poort, alsof het werd voortgestuwd door een onvoorstelbare kracht. Een stroom lava van honderd voet breed, verzengend heet. De stroom brak op toen de lava omlaag stortte, over het slagveld gutste en er in een rivier overheen stroomde. De Asha’man buiten de cirkel gebruikten wevingen van Lucht om te zorgen dat de lava niet op de cirkel spetterde en om de stroom de juiste kant op te sturen.
De rivier van vuur spoelde over de voorhoede van Trolloks, verteerde ze en vernietigde er in een oogwenk honderden. De lava stond inderdaad onder druk vanaf de andere kant, dat was haar enige verklaring voor de kracht waarmee het uit de gigantische Poort spoot, Trolloks in sintels veranderde en een breed spoor door hun leger brandde.
Androl hield de Poort een paar lange minuten open terwijl het leger van de Schaduw zich terugtrok. Asha’man aan de zijkanten gebruikten windvlagen om het Schaduwgebroed terug te blazen in de steeds breder wordende rivier. Tegen de tijd dat Androl klaar was, lag er een roodgloeiend, dodelijk obstakel tussen Elaynes leger en de grootste groep Trolloks, die met hun rug tegen de noordelijke muren van Cairhien stonden.
Androl haalde diep adem, sloot de Poort, draaide zich om en maakte er toen snel na elkaar nog twee, de ene naar het zuidoosten en de andere naar het zuidwesten.
Een tweede en derde stroom lava spoten naar buiten, maar deze waren kleiner, aangezien Androl overduidelijk vermoeid raakte. Deze lavastromen kropen over het land ten oosten en westen van Cairhien, verschroeiden dood onkruid en veroorzaakten dichte rookwolken. Een deel van het Trollok leger had zich teruggetrokken, maar vele andere waren omgekomen, opgesloten tegen de stadsmuren met lava overal om ze heen. Het zou enige tijd duren voordat de Schimmen de overlevenden zodanig konden organiseren dat ze hun aanvallen op Elaynes troepen konden hervatten.
Androl liet de Poort dichtgaan. Hij zakte ineen, maar Pevara ving hem op.
‘Alstublieft, heer. Eén wonder,’ zei Androl zachtjes, alsof het hem moeite kostte. ‘Zoals verzocht. Dat zou ze wel een paar uur moeten ophouden. Is dat lang genoeg?’
‘Lang genoeg,’ zei Elayne. ‘We zullen ons kunnen hergroeperen en projectielen kunnen halen voor de draken. Daarnaast wil ik zo veel mogelijk Aes Sedai uit Mayene ophalen om onze mannen te Helen en hun vermoeidheid weg te nemen. Daarna kunnen we gaan kijken wie er sterk genoeg zijn om door te gaan en onze gelederen opnieuw opstellen.’
‘Wilt u blijven vechten?’ vroeg Androl verbaasd.
‘Ja,’ zei Elayne. ‘Ik kan amper staan, maar ja. We kunnen het ons niet veroorloven om die horde Trolloks hier ongeschonden te laten blijven. Jij en je mannen leveren ons een voordeel op, Logain. Dat zullen we gebruiken, en al het andere wat we hebben, en we zullen ze vernietigen.’
31
Een storm van water
Egwene keek over de rivier naar de strijd tussen haar troepen en het Sharaanse leger. Ze was terug in haar kamp aan de Arafelse kant van de voorde. Ze stond te popelen om zich weer aan te sluiten bij de strijd tegen de Schaduw, maar ze moest ook met Brin praten over wat er in de heuvels was gebeurd. Maar toen ze aankwam, was de bevelstent verlaten.
Het kamp bleef vollopen met Aes Sedai en de overlevende boogschutters en piekeniers die door Poorten van de heuveltoppen in het zuiden kwamen. De Aes Sedai hepen rond en spraken op nogal dringende toon met elkaar. Ze leken allemaal doodmoe, maar uit hun regelmatige blikken naar de slag die aan de overkant van de rivier plaatsvond bleek dat ze net als Egwene graag weer mee wilden doen.
Egwene riep de boodschapper die voor de bevelstent stond bij zich. ‘Laat de zusters weten dat ze minder dan een uur hebben om te rusten. Die Trolloks waar we tegen streden, zullen zich wel aansluiten bij hun trawanten bij de rivier nu wij uit de heuvels weg zijn.’
Ze zou de Aes Sedai stroomafwaarts aan deze kant plaatsen en dan van de overkant van het water aanvallen als de monsters over de velden kwamen om haar soldaten te bestoken. ‘Zeg tegen de boogschutters dat ze ook met ons meegaan,’ voegde ze eraan toe. ‘Ze kunnen de pijlen die ze nog hebben net zo goed nuttig inzetten totdat we nieuwe voorraad voor ze kunnen halen.’
Terwijl de boodschapper weg draafde, wendde Egwene zich tot Leilwin, die met haar echtgenoot HaiIe Donion verderop stond. ‘Leilwin, dat lijken me Seanchaanse cavalerietroepen aan de overkant van de rivier. Weet jij daar iets van?’
‘Ja, Moeder, dat zijn Seanchanen. De man die daar staat...’ Ze wees naar een man met kaalgeschoren slapen die bij een boom dicht bij de rivier stond. Hij droeg een wijde broek en, vreemd genoeg, een rafelige bruine jas die eruitzag alsof hij uit Tweewater had kunnen komen. ‘Hij zei tegen me dat een legioen onder bevel van luitenant-generaal Khirgan van het Seanchaanse kamp was gekomen, en dat ze waren opgeroepen door generaal Brin.’
‘Hij vertelde ook dat ze worden vergezeld door de Prins van de Raven,’ zei Domon.