Выбрать главу

‘Mart?’

‘Maar hij deed wel meer dan hen vergezellen. Hij leidt een van de cavaleriebanieren, die de Sharanen een pak slaag geven aan de linkerflank van ons leger. Hij was er nog net op tijd, want onze piekeniers hadden het heel zwaar voordat hij verscheen.’

‘Egwene,’ zei Gawein, die wees.

Ten zuiden van hen, een paar honderd meter onder de voorde, sleepte een kleine groep soldaten zich uit de rivier. Ze droegen alleen nog hun onderkleding en hadden hun zwaarden op hun rug gebonden. Ze waren te ver weg om ze goed te kunnen zien, maar een van hun leiders kwam haar bekend voor.

‘Is dat Uno?’ Egwene fronste en gebaarde om haar paard. Ze steeg op en galoppeerde samen met Gawein en haar wachters naar de mannen die zich hijgend op de rivieroever hadden laten vallen. Een van hen stond ontzettend hard te vloeken.

‘Uno!’

‘Het zou verdomme eens tijd worden dat er iemand kwam!’ Uno stond op en groette haar beleefd. ‘Moeder, we zijn er slecht aan toe!’

‘Dat heb ik gezien,’ zei Egwene met opeengeklemde kiezen. ‘Ik was in de heuvels toen jullie groep werd aangevallen. We deden wat we konden, maar het waren er gewoon te veel. Hoe zijn jullie weggekomen?’

‘Hoe we daar verdomme weg zijn gekomen, Moeder? Toen de mannen overal om ons heen begonnen om te vallen en we dachten dat we eraan gingen, zijn we daar weggehold alsof we een bliksemschicht tegen de kont hadden gekregen! We zijn naar die verrekte rivier gerend, hebben ons uitgekleed en zijn erin gesprongen om te zwemmen voor ons leven, Moeder!’ Uno’s knot danste heen en weer terwijl hij bleef tieren, en Egwene had durven zweren dat het oog dat op zijn ooglapje geschilderd was een donkerdere kleur rood kreeg.

Uno haalde diep adem en vervolgde op iets rustigere toon: ‘Ik snap het niet, Moeder. Een of andere stomme boodschapper zei tegen ons dat de Aes Sedai op de heuvels in de nesten zaten en dat we de Trolloks die hen aanvielen in de reet moesten schieten. Ik zei, ja, maar wie past er dan op de linkerflank bij de rivier en, wat dat verdomme betreft, onze eigen flank als wij die Trolloks aanvallen. Maar hij zei dat generaal Brin dat al geregeld had, dat er reservecavalerie naar onze plek bij de rivier zou komen en dat de Illianers onze verrekte flanken in de gaten zouden houden. Ja, die boden lekker veel bescherming, zeg. Eén eskader, verdomme, alsof een vlieg verdomme probeert een valk te verslaan! Ze stonden gewoon op ons te wachten alsof ze wisten dat we zouden komen. Nee, Moeder, dit kan niet het werk zijn van Garet Brin. We zijn erin geluisd door een of andere laffe verrader!’

‘Dat kan ik niet geloven, Uno. Ik heb net gehoord dat generaal Brin er een legioen Seanchaanse cavalerie bij had gehaald. Misschien kwamen die gewoon te laat aan. We zoeken het allemaal wel uit als ik de generaal heb gevonden. Breng intussen je mannen terug naar het kamp zodat ze kunnen uitrusten. Het Licht weet dat jullie het verdiend hebben.’

Uno knikte, en Egwene wendde haar paard en galoppeerde terug naar het kamp.

Met Vora’s sa’angreaal weefde Egwene Lucht en Water en verstrengelde ze. Een trechter van water spoot omhoog uit de rivier. Egwene stuurde haar tornado van water naar de Trolloks die een aanval begonnen op haar linkerflank aan de Kandoraanse kant van de rivier. I laar watervloed golfde over hen heen. Hij was niet sterk genoeg om ze de lucht in te zuigen – daar had ze de kracht niet voor – maar het water dreef ze met hun handen voor hun gezicht achteruit.

Achter haar en de andere Aes Sedai, opgesteld aan de Arafelse kant van de rivier, schoten boogschutters salvo’s pijlen de lucht in. Ze verduisterden de hemel niet zozeer als haar lief was – zoveel waren het er niet – maar ze schakelden met elk salvo wel meer dan honderd Trolloks uit.

Aan de zijkant lieten Pylar en een paar andere Bruinen – allemaal vaardig met wevingen van Aarde – de grond onder de aanstormende Trolloks ontploffen. Naast haar weefden Mijrelle en een grote groep Groenen vuurbollen die ze over het water in dicht opeengepakte groepen Trolloks schoten, die vaak nog een behoorlijk stuk doorrenden voordat ze brandend als een fakkel tegen de grond gingen.

De Trolloks jankten en brulden, maar ze bleven onophoudelijk oprukken tegen de verdedigers langs de oever van de rivier. Op een bepaald ogenblik kwamen enkele rijen Seanchaanse cavaleristen uit de verdedigingslinie naar voren en vielen de Trolloks frontaal aan. Het ging zo snel dat veel Trolloks geen gelegenheid hadden om hun speren te heffen voordat de ruiters er al waren. Grote groepen vijanden in de voorhoede gingen neer. De Seanchanen reden in een boog rond en sloten zich weer aan bij hun gelederen langs de rivier.

Egwene ging door met geleiden, dwong zichzelf door te gaan ondanks haar uitputting. Maar de Trolloks braken niet. Ze werden woedend en vielen vol razernij op de mensen aan. Egwene hoorde hun gebrul duidelijk boven het geraas van wind en water uit.

O, dus de Trolloks werden kwaad? Nou, ze zouden pas woede kennen als ze die van de Amyrlin Zetel hadden gevoeld. Egwene putte meer en meer Kracht, totdat ze het uiterste van haar vermogen bereikte. Ze voerde hitte toe aan haar storm, zodat het gloeiend hete water brandde in de ogen, handen en harten van de Trolloks. Ze merkte dat ze schreeuwde en Vora’s sa’angreaal als een speer voor zich uitgestoken hield.

Het leek wel of er uren verstreken. Uiteindelijk, uitgeput, liet ze zich door Gawein ompraten om zich een tijdje terug te trekken. Gawein ging haar paard halen, en toen hij terugkeerde keek Egwene over de rivier.

Er was geen twijfel mogelijk: de linkerflank van haar leger was nu al dertig meter verder naar het noorden geduwd. Zelfs met de hulp van de Aes Sedai verloren ze deze strijd.

Het werd hoog tijd dat ze op zoek ging naar Garet Brin.

Toen Egwene en Gawein terugkwamen in het kamp, stapte ze van haar paard en gaf het aan Leilwin, met de mededeling dat ze het kon gebruiken om gewonden te vervoeren. Er waren meer dan genoeg soldaten die over de voorde naar de veiligheid waren gesleept, bebloede soldaten die ondersteund werden door hun vrienden.

Helaas had Egwene zelf niet de kracht om te Helen, laat staan voor een Poort om de gewonden naar Tar Valon of Mayene te sturen. De meeste Aes Sedai die niet op de rivieroever bezig waren, zagen eruit alsof het hen al niet beter verging.

‘Egwene,’ zei Gawein zacht. ‘Ruiter. Een Seanchaanse. Lijkt me een adellijke vrouwe.’

Iemand van het Bloed? Egwene stond op en keek door het kamp naar de plek waar Gawein naar wees. Hij had in ieder geval nog voldoende kracht om te blijven opletten. Ze kon niet begrijpen waarom sommige vrouwen het vrijwillig zonder zwaardhand stelden.

De vrouw die naderde, droeg prachtige zijden Seanchaanse kleding, en Egwenes maag verkrampte toen ze dat zag. Die mooie kleding bestond dankzij slavengeleiders die gedwongen gehoorzaam waren aan de Kristallen Troon. Die vrouw was beslist een lid van het Bloed, want ze werd begeleid door een groep doodswachtgardisten. Je moest wel heel belangrijk zijn als...

‘Licht!’ riep Gawein uit. ‘Is dat Min?’

Egwenes mond viel open. Ze was het inderdaad.

Min kwam fronsend aanrijden. ‘Moeder,’ groette ze, en ze boog haar hoofd. Ze werd omringd door wachters met onbewogen gezichten, gehuld in donkere pantsers.

‘Min... gaat het wel goed met je?’ vroeg Egwene. Oppassen, niet te veel laten blijken. Was Min een gevangene? Ze kon zich toch zeker niet bij de Seanchanen hebben aangesloten?

‘O, het gaat wel goed,’ zei Min zuur. ‘Ik ben in de watten gelegd, ik ben in dit gewaad gepropt en ik heb allerlei nogal verfijnde etenswaren aangeboden gekregen. Hoewel ik daarbij kan zeggen dat verfijnd bij de Seanchanen niet noodzakelijk betekent dat het ook lekker smaakt. Je zou eens moeten zien wat ze allemaal drinken, Egwene.’

‘Ik weet het,’ zei Egwene, die de kilte niet uit haar stem kon weren.

‘O ja, dat zal ook wel. Moeder, we hebben een probleem.’

‘Wat voor probleem?’

‘Nou, dat hangt ervan af in hoeverre je Mart vertrouwt.’