Выбрать главу

‘Ik vertrouw erop dat hij altijd problemen kan vinden,’ zei Egwene. ‘Ik vertrouw erop dat hij drank en gokspellen kan vinden overal waar hij gaat.’

‘Vertrouw je hem de leiding van een leger toe?’ vroeg Min.

Egwene aarzelde. Deed ze dat?

Min boog zich naar voren en keek even naar de doodswachtgardisten, die niet op het punt leken te staan haar nog dichter bij Egwene te laten komen. ‘Egwene,’ zei ze zacht, ‘Mart denkt dat Brin je leger naar de vernietiging leidt. Hij zegt... Hij denkt dat Brin een Duistervriend is.’

Gawein begon te lachen.

Egwene schrok. Ze had eerder woede van hem verwacht, of verontwaardiging. ‘Garet Brin?’ vroeg Gawein. ‘Een Duistervriend? Ik zou nog eerder geloven dat mijn eigen moeder een Duistervriend was. Zeg tegen Cauton dat hij van de keizerlijke brandewijn af moet blijven. Hij heeft duidelijk te veel gedronken.’

‘Ik denk dat ik het met Gawein eens ben,’ zei Egwene langzaam.

Toch kon ze de onregelmatigheden in de leiding van het leger niet negeren.

Dat zou ze nog wel uitzoeken. ‘Mart bekommert zich altijd om mensen die dat niet nodig hebben,’ vervolgde ze. ‘Hij wil me alleen maar beschermen. Zeg maar tegen hem dat we de... waarschuwing op prijs stellen.’

‘Moeder,’ zei Min. ‘Hij leek overtuigd. Dit is geen grapje. Hij wil dat je je legers aan hem overdraagt.’

‘Mijn legers,’ zei Egwene vlak.

‘Ja.’

‘In de handen van Martrim Cauton.’

‘Eh... ja. Ik moet wel zeggen dat de Keizerin hem het bevel heeft gegeven over alle Seanchaanse troepen. Hij is nu krijgsmaarschalk Cauton.’

Ta’veren. Egwene schudde haar hoofd. ‘Mart is een goede tacticus, maar om hem nu de legers van de Witte Toren te overhandigen... Nee, dat is onmogelijk. Bovendien zijn het niet mijn legers en kan ik ze niet aan hem geven. De Zaal van de Toren heeft het gezag erover. Goed. Hoe kunnen we die heren om je heen er nu eens van overtuigen dat je veilig met mij mee kunt?’

Hoezeer het Egwene ook tegenstond om het toe te geven, ze had de Seanchanen nodig. Ze wilde hun bondgenootschap niet op het spel zetten om Min te redden, vooral aangezien het er niet op leek dat ze onmiddellijk gevaar liep. Maar als de Seanchanen beseften dat Min in Falme hun gelofte had afgelegd en vervolgens was gevlucht...

‘Maak je geen zorgen om mij,’ zei Min grimassend. ‘Ik geloof dat ik beter af ben bij Fortuona. Ze is... op de hoogte van een zeker talent van me, dankzij Mart, en misschien kan ik haar daarmee helpen. En jou.’

Die verklaring had vele betekenissen. De doodswachtgardisten waren te nuchter om zichtbaar te reageren op Mins gebruik van de naam van de Keizerin, maar ze leken wel iets te verstarren en hun gezichten verhardden. Pas op, Min, dacht Egwene. Je bent omringd door doornstruiken.

Min leek er niet mee te zitten. ‘Wil je in ieder geval nadenken over wat Mart zegt?’

‘Dat Garet Brin een Duistervriend is?’ vroeg Egwene. Het was echt belachelijk. ‘Ga maar naar Mart toe en laat hem zijn strijdvoorstellen aan ons voorleggen, als het dan moet. Nu moet ik op zoek naar mijn bevelvoerders om onze volgende stappen voor te bereiden.’

Garet Brin, waar zit je?

Een salvo zwarte pijlen rees bijna onzichtbaar de lucht in en viel toen als een brekende golf omlaag. Ze raakten Ituraldes leger aan de ingang van de pas naar de vallei van Thakan’dar. Sommige ketsten af op schilden, terwijl andere vlees raakten. Een ervan viel op een paar duim van de rotspunt waar Ituralde op stond.

Ituralde kromp niet ineen. Hij bleef met zijn handen op zijn rug kaarsrecht staan. Hij mompelde echter weclass="underline" ‘We laten het wel een beetje dichtbij komen, hè?’

Binde, de Asha’man die in het donker naast hem stond, trok een grimas. ‘Het spijt me, heer Ituralde.’ Hij had als taak om de pijlen weg te houden. Tot nu toe had hij het goed gedaan, maar soms kreeg hij ineens een glazige blik in zijn ogen en begon hij te mompelen dat ‘ze’ probeerden ‘zijn handen te stelen’.

‘Scherp blijven,’ zei Ituralde.

Zijn hoofd bonsde. Hij had eerder vanavond weer dromen gehad, heel echt lijkende dromen. Trolloks hadden zijn familieleden levend opgegeten, maar hij was te zwak geweest om hen te redden. Hij had geworsteld en gehuild toen ze Tamsin en zijn kinderen verslonden, maar tegelijkertijd had hij zich aangetrokken gevoeld tot de geuren van gekookt en verbrand vlees. Aan het einde van de droom had hij zich bij de monsters aangesloten in hun feestmaal.

Zet dat uit je hoofd, dacht hij. Maar het viel niet mee. De dromen waren zo levensecht geweest. Hij was blij toen hij werd gewekt omdat de Trolloks aanvielen.

Ituralde was hier klaar voor geweest. Zijn mannen staken brandstapels aan op de barricades. De Trolloks waren eindelijk door zijn blokkades van doornen heen gekomen, maar ze hadden grote verliezen geleden. Nu vochten Ituraldes mannen aan de ingang van de pas om het getijde tegen te houden dat de vallei wilde binnenkomen.

Ze hadden de dagen dat de Trolloks zich door de lastige doornen naar de opening van de pas hadden gewerkt goed benut. De ingang naar de vallei was nu versterkt met een reeks borsthoge aarden wallen. Die zouden uitstekend dekking bieden aan de kruisboogschutters als Ituraldes piekeniers ooit te ver naar achteren werden gedwongen.

Voorlopig had Ituralde zijn leger opgesplitst in groepen van ongeveer drieduizend man elk en die in vierkante formaties van pieken, haken en kruisbogen opgesteld. Hij gebruikte bereden kruisboogschutters als frontsoldaten en op de flanken, en hij had een voorhoede – ongeveer zes rijen dik – van piekeniers gevormd. Grote pieken, twintig voet lang. Hij had in Maradon geleerd dat je afstand moest zien te houden van de Trolloks.

Pieken werkten uitstekend. Ituraldes vierkante piekeniersformaties konden draaien en in alle richtingen vechten als ze werden omsingeld. Myrddraal konden Trolloks dwingen in gelederen te vechten, maar die vierkanten – als ze op de juiste wijze werden toegepast – konden die gelederen opbreken. En als de Trollok-gelederen eenmaal waren doorbroken, konden de Aiel naar hartenlust doden.

Achter de rijen piekeniers zette hij voetsoldaten met kapmessen en hellebaarden. Soms vochten Trolloks zich door de piekeniers heen door hun wapens opzij te duwen of ze tegen de grond te trekken. De mannen met de kapmessen kwamen dan tussen de piekeniers naar voren en sneden de Trolloks de pezen door. Dat gaf de voorste voetsoldaten de tijd om achteruit te gaan en zich te hergroeperen, terwijl de volgende soldaten – nog meer voetsoldaten met pieken – naar voren kwamen om zich op de Trolloks te storten.

Het werkte, tot nu toe. Hij had twaalf van die vierkanten met soldaten tegenover de Trolloks gezet. Ze vochten verdedigend en deden er alles aan om het getijde op te breken. De Trolloks wierpen zichzelf op de piekeniers en probeerden hen te overrompelen, maar elk vierkant handelde onafhankelijk van de rest. Ituralde maakte zich geen zorgen over de Trolloks die ertussendoor kwamen, want die zouden worden weggeruimd door de Aiel.

Hij moest zijn handen op zijn rug houden om niet te verraden dat ze trilden. Niets was nog hetzelfde sinds Maradon. Hij had veel bijgeleerd, maar hij had een hoge prijs betaald voor die lessen.

Die rothoofdpijn, dacht hij. En die rottige Trolloks.

Drie keer had hij bijna het bevel gegeven om zijn legers in een rechtstreekse aanval naar voren te sturen en de vierkante formaties op te geven. Hij kon zich voorstellen hoe ze zouden slachten, doden. Geen uitstel meer. Hij wilde bloed zien.

Elke keer had hij zichzelf tegengehouden. Ze waren hier niet voor bloed, ze waren hier om stand te houden. Om die man in de grot de tijd te geven die hij nodig had. Daar draaide dit allemaal om... toch? Waarom kostte het hem de laatste tijd zoveel moeite om dat te onthouden?

Een volgende golf Trollok-pijlen viel boven op Ituraldes mannen. De Schimmen hadden er een paar op de hellingen boven de pas gezet, op plaatsen waar voorheen Ituraldes eigen boogschutters hadden gestaan. Het moest nogal een onderneming zijn geweest om ze daar te krijgen, want de wanden van de pas waren heel steil. Hoeveel waren er te pletter gevallen bij die poging? Trolloks waren geen goede boogschutters, maar dat hoefde ook niet, als je op legers schoot.