De hellebaardiers hieven schilden. Ze konden niet vechten terwijl ze die vasthielden, maar ze droegen ze aan riemen op hun rug voor het geval ze nodig waren. De vallende pijlen werden groter in aantal en tuimelden door de ietwat mistige nachtlucht.
De storm rommelde boven hen, maar de windvindsters waren weer aan het werk gegaan om hem op afstand te houden. Ze beweerden dat er een paar ogenblikken waren geweest waarin het leger slechts tellen verwijderd was geweest van een razende, vernietigende storm. Het had een tijdje gehageld, met hagelstenen zo groot als mannenvuisten, voordat ze de storm weer in bedwang hadden.
Als dat hun wachtte als de windvindsters hun Schaal niet gebruikten, dan had Ituralde liever dat ze met hun werk doorgingen. De Duistere gaf er niet om hoeveel Trolloks hij met een sneeuwstorm of orkaan vernietigde, als de mensen tegen wie ze vochten maar het leven lieten.
‘Ze verzamelen zich voor een volgende opmars naar de opening van de pas!’ riep iemand door de nacht, en dat werd gevolgd door bevestigende kreten. Ituralde tuurde door de mist, geholpen door het licht van de vuren. De Trolloks hergroepeerden zich inderdaad.
‘Trek het zevende en negende infanterie-eskader terug,’ beval Ituralde. ‘Ze zijn al te lang bezig. Haal het vierde en vijfde uit de reserve en laat die de flankposities innemen. Laat meer pijlen komen en...’ Hij brak fronsend zijn zin af. Wat déden die Trolloks toch? Ze waren verder achteruitgegaan dan hij had verwacht, tot helemaal terug in de duisternis van de pas. Ze zouden zich toch niet terugtrekken?
Een donkere golf gleed uit de opening van de pas. Myrddraal. Honderden en nog eens honderden. Zwarte mantels die niet wapperden, ondanks de straffe wind. Gezichten zonder ogen, lippen die sneerden, zwarte zwaarden. Die schepsels bewogen zich als palingen, lenig en gestroomlijnd.
Ze gaven hem geen tijd voor bevelen, geen tijd voor een reactie. Ze stroomden over de vierkante formaties van de verdedigers heen en gleden tussen pieken door, zwaaiend met dodelijke zwaarden.
‘Aiel!’ brulde Ituralde. ‘Haal de Aiel erbij! Allemaal, en geleiders! Iedereen behalve degenen die de Doemkrocht bewaken! Opschieten, opschieten!’
Boodschappers renden weg. Ituralde keek vol afgrijzen toe. Een léger van Myrddraal. Licht, dat was even erg als zijn nachtmerries!
De zevende infanterie stortte ineen onder de aanval en hun formatie brak op. Ituralde deed zijn mond al open om de voornaamste reserves die zijn positie verdedigden steun te laten verlenen. De
cavalerie moest uitrijden om de druk op de voetsoldaten te verlichten.
Hij had niet veel cavalerie. Hij had ermee ingestemd dat de meeste ruiters werden toegewezen aan andere fronten. Maar hij had er nog een paar. Die zouden hier heel belangrijk zijn.
Maar...
Hij kneep zijn ogen dicht. Licht, wat was hij uitgeput. Hij kon niet fatsoenlijk nadenken.
Terugtrekken voor de aanval, leek een stem tegen hem te zeggen. Terugtrekken naar de Aiel, en daar dan standhouden.
‘Terugtrekken...’ fluisterde hij. ‘Terug...’
Maar iets daaraan voelde helemaal verkeerd. Waarom drong zijn geest er zo op aan?
Kapitein Tihera, probeerde Ituralde te fluisteren. U hebt het bevel. Het wilde niet over zijn lippen komen. Iets fysieks leek zijn mond dicht te houden.
Hij hoorde mannen schreeuwen. Wat gebeurde er? Tientallen mannen konden sterven in een gevecht tegen één enkele Myrddraal. In Maradon was hij een heel eskader boogschutters – honderd man -verloren aan twee Schimmen die ’s nachts de stad in waren geglipt. Zijn defensieve eskaders waren bedoeld om Trolloks aan te pakken, de pezen door te snijden, tegen de grond te werken.
De Schimmen zouden die vierkante piekeniersformaties openbreken als eieren. Niemand zou nog doen wat er gebeuren moest.
‘Heer Ituralde?’ vroeg kapitein Tihera. ‘Heer, wat wilde u zeggen?’
Als ze zich terugtrokken, zouden de Trolloks hen omsingelen. Ze moesten standhouden.
Ituraldes lippen weken vaneen om het bevel tot de aftocht te geven. ‘Trek de...’
Wolven.
Wolven verschenen als schaduwen in de mist. Ze sprongen grauwend op de Myrddraal af. Ituralde schrok en draaide zich met een ruk om toen er een man in een bontmantel bij hem op de rotsrichel klom.
Tihera ging struikelend achteruit en riep om de wachters. De nieuwkomer in zijn bontkleding dook naar Ituralde toe en duwde hem van de rotsen af.
Ituralde verzette zich niet. Wie die man ook was, Ituralde was hem dankbaar en voelde zelfs een ogenblik van overwinning terwijl hij viel. Hij had geen bevel tot terugtrekken gegeven.
Niet veel lager raakte hij de grond, waardoor de lucht uit zijn Iongen werd geperst. De wolven pakten zijn armen voorzichtig in hun bek en trokken hem de duisternis in, terwijl hij langzaam het bewustzijn verloor.
Egwene zat in het kamp terwijl de strijd om de grens van Kandor doorging.
Haar leger hield de Trolloks op afstand.
De Seanchanen vochten aan de zijde van haar troepen vlak over de rivier.
Egwene zelf had een kopje thee in haar hand.
Licht, dit stak haar. Ze was de Amyrlin! Maar ze had geen fut meer.
Ze had Garet Brin nog steeds niet gevonden, maar dat was niet zo vreemd. Hij liep veel rond. Silviana was naar hem op zoek en zou wel snel iets horen.
Aes Sedai waren met de gewonden naar Mayene gestuurd. De zon hing laag aan de hemel, als een ooglid dat weigerde open te blijven.
Egwenes handen trilden om haar kom. Ze hoorde de strijd nog steeds. Het leek erop dat de Trolloks vannacht wilden doorvechten, om de menselijke legers te pletten tegen de rivier.
In de verte klonk een gebrul als van een kwade menigte, maar de ontploffingen van de geleiders waren afgenomen.
Ze keek naar Gawein. Hij leek helemaal niet moe, hoewel hij wel merkwaardig bleek was. Egwene nam een slokje thee en vervloekte hem in stilte. Dat was niet eerlijk, maar daar zat ze nu niet mee. Ze mocht best mopperen op haar zwaardhand. Daar waren ze toch voor?
Er streek een briesje door het kamp. Ze bevond zich een paar honderd meter ten oosten van de voorde, maar toch rook ze bloed. Verderop spande een eskader boogschutters de bogen en schoot een salvo pijlen af. Even later tuimelden er twee zwartgevleugelde Draghkar naar beneden, die vlak buiten het kamp met doffe ploffen de grond raakten. Er zouden er nog meer komen, want het werd donker en tegen de nachthemel zouden ze minder opvallen.
Mart. Ze werd een beetje misselijk als ze aan hem dacht. Hij was zo’n branieschopper. Een slemper die loerde naar elke knappe vrouw die hij tegenkwam. Die haar behandelde als een schilderij in plaats van een persoon. Hij... hij...
Hij was Mart. Eén keer, toen Egwene een jaar of dertien was, was hij in de rivier gesprongen om Kiem Lewin van de verdrinkingsdood te redden. Al verdronk ze natuurlijk helemaal niet. Ze was alleen maar onder water geduwd door een vriendje, en Mart was aan komen rennen en in het water gesprongen om te helpen. De mannen uit Emondsveld hadden hem daar nog maandenlang mee gepest.
De lente daarna had Mart Jer Alhune uit diezelfde rivier gevist en de jongen zijn leven gered. Daarna hadden de mensen Mart een tijdje niet meer uitgelachen.
Zo was Mart. Hij had de hele winter gemord en gemopperd dat iedereen hem uitlachte en volgehouden dat hij ze de volgende keer gewoon zou laten verdrinken. Maar zodra hij iemand had gezien die in gevaar was, was hij er meteen weer in gedoken. Egwene herinnerde zich nog hoe de slungelige Mart de rivier uit was gewankeld met de angstig hijgende Jer in zijn armen.
Jer was kopje-onder gegaan zonder een kik te geven. Egwene had nooit beseft dat dat kon gebeuren. Mensen die verdronken schreeuwden niet, sputterden niet, riepen niet om hulp. Ze gleden gewoon onder water, terwijl er niets aan de hand leek. Behalve als Mart toekeek.