Hij is naar me toe gekomen in de Steen van Tyr, dacht ze. Al had hij natuurlijk óók geprobeerd haar te redden van de Aes Sedai toen hij niet wilde geloven dat ze de Amyrlin was.
Dus wat was dit dan? Verdronk ze, of niet?
Hoeveel vertrouwen heb je in Martrim Cauton? had Min gevraagd. Licht. Ik vertrouw hem. Dwaas dat ik ben, maar ik vertrouw hem. Mart kon zich vergissen. Hij vergiste zich wel vaker.
Maar als hij gelijk had, redde hij levens.
Egwene dwong zichzelf om op te staan. Ze wankelde, en Gawein kwam meteen naar haar toe. Ze gaf hem een klopje op zijn arm en stapte bij hem weg. Ze wilde niet dat het leger zag dat hun Amyrlin zo zwak was dat ze zich door iemand moest laten ondersteunen. ‘Welke verslagen hebben we van de andere fronten?’
‘Niet veel, vandaag,’ antwoordde Gawein. Hij fronste. ‘Eigenlijk is het nogal stil geweest.’
‘Elayne zou strijden bij Cairhien,’ zei Egwene. ‘Dat was een belangrijke slag.’
‘Misschien heeft ze het te druk om bericht te sturen.’
‘Ik wil dat je er een boodschapper heen stuurt via een Poort. Ik moet weten hoe die strijd verloopt.’
Gawein knikte en haastte zich weg. Toen hij vertrokken was, liep Egwene rustig door totdat ze Silviana vond, die stond te praten met een paar Blauwe zusters.
‘Brin?’ vroeg Egwene.
‘In de keukentent,’ zei Silviana. ‘Ik heb het net pas gehoord. Ik heb een renner naar hem toe gestuurd om te zeggen dat hij daar moet blijven tot jij er bent.’
‘Kom.’
Ze liep naar de tent toe, veruit het grootste onderkomen in het kamp, en zag hem meteen toen ze binnenkwam. Hij zat niet te eten, maar had zijn kaarten op de reistafel van de kok uitgespreid. De tafel rook naar uien, die daar waarschijnlijk al heel vaak waren gesneden. Yukiri had een Poort geopend in de vloer, met uitzicht op het slagveld. Ze sloot hem toen Egwene aankwam. Ze lieten de Poort niet lang open, niet nu de Sharanen ernaar uitkeken en klaar waren om er wevingen doorheen te sturen.
Egwene wendde zich tot Silviana en fluisterde heel zachtjes: ‘Roep de Zaal van de Toren bijeen. Haal Gezetenen op die eventueel aan liet strijden zijn. Haal ze allemaal hierheen, naar deze tent, zo gauw mogelijk.’
Silviana knikte. Haar gezicht verraadde niets van de verwarring die ze ongetwijfeld voelde. Ze haastte zich weg en Egwene ging in de tent zitten.
Siuan was er niet. Die hielp waarschijnlijk weer bij het Helen. Dat was mooi. Ze had dit niet willen proberen terwijl Siuan naar haar loerde. Egwene maakte zich toch al zorgen om Gawein. Hij hield van Brin als van een vader, en zijn ongerustheid stroomde door de binding.
Ze zou dit heel voorzichtig moeten aanpakken, en ze wilde pas beginnen als de Zaal erbij was. Ze kon Brin niet beschuldigen, maar zc kon ook Mart niet negeren. Hij was een schurk en een dwaas, en toch vertrouwde ze hem. Het Licht helpe haar, maar het was zo. Ze zou hem haar leven toe vertrouwen. En er waren vreemde dingen gebeurd op het slagveld.
De Gezetenen verzamelden zich vrij snel. Zij hadden de leiding over de oorlogsinspanningen, en ze ontmoetten elkaar vaak ’s avonds om verslagen te ontvangen en zich tactieken te laten uitleggen door lirin en zijn bevelvoerders. Brin leek het niet vreemd te vinden dat ze nu naar hem toe kwamen en ging door met zijn werk.
Veel van de vrouwen wierpen Egwene bevreemde blikken toe toen ze binnenkwamen. Ze knikte naar hen en probeerde de gewichtigheid van de Amyrlin Zetel uit te stralen.
Uiteindelijk waren er voldoende Gezetenen aangekomen en besloot Egwene dat ze moest beginnen. De tijd tikte door. Ze moest Marts beschuldigingen voor eens en altijd uit haar hoofd zetten, of er anders iets mee doen.
‘Generaal Brin,’ zei Egwene. ‘Gaat het u goed? We hebben nogal moeite gehad om u te vinden.’
Hij keek op en knipperde met zijn ogen. Ze waren rood. ‘Moeder,’ zei hij. Hij knikte naar de Gezetenen. ‘Ik ben moe, maar waarschijnlijk niet meer dan u. Ik ben overal op het slagveld geweest om me om allerlei kleinigheden te bekommeren. U weet hoe het is.’
Gawein haastte zich naar binnen. ‘Egwene,’ zei hij, met een bleek gezicht. ‘Problemen.’
‘Wat?’
‘Ik...’ Hij haalde diep adem. ‘Generaal Bashere heeft zich tegen Elayne gekeerd. Licht! Hij is een Duistervriend. De strijd zou verloren zijn geweest als de Asha’man niet waren gekomen.’
‘Wat?’ vroeg Brin, die opkeek van zijn kaarten. ‘Bashere, een Duistervriend?’
‘Ja.’
‘Ónmogelijk,’ zei Brin. ‘Hij is maandenlang de metgezel van de Draak geweest. Ik ken hem niet goed, maar... een Duistervriend? Dat kan niet.’
‘Het is wel enigszins onredelijk om aan te nemen...’ begon Saerin.
‘Je kunt de koningin zelf spreken, als je wilt,’ zei Gawein, die zijn rug rechtte. ‘Ik heb het van haar persoonlijk gehoord.’
Het werd stil in de tent. Gezetenen keken elkaar met ongeruste blikken aan.
‘Generaal,’ zei Egwene tegen Brin, ‘waarom had u twee eenheden cavalerie gestuurd om ons te verdedigen tegen de Trolloks op de heuvels ten zuiden van hier? Ze reden een valstrik in en lieten de linkerflank van het hoofdleger onverdedigd achter.’
‘Waarom, Moeder?’ vroeg Brin, die haar aankeek. ‘Het was overduidelijk dat u op het punt stond onder de voet gelopen te worden, dat zag iedereen. Ja, ik heb ze bij de linkerflank weggehaald, maar ik heb de Illiaanse reserves daarheen verplaatst. Toen ik zag dat die Sharaanse cavalerie-eenheid zich afsplitste om Uno’s rechterflank aan te vallen, heb ik de Illianers erheen gestuurd om ze te onderscheppen. Dat was het beste. Ik wist niet dat er zoveel Sharanen zouden zijn!’ Zijn stem was een schreeuw geworden, maar nu zweeg hij, en zijn handen trilden. ‘Ik heb een fout gemaakt. Ik ben niet volmaakt, Moeder.’
‘Dit was méér dan een fout,’ zei Faiselle. ‘Ik heb net overleg gevoerd met Uno en de andere overlevenden van dat bloedbad. Uno zei dat hij een valstrik rook zodra hij en zijn mannen naar het zuiden reden, maar dat u hem hulp had beloofd.’
‘Ik zei al, ik had hem versterkingen gestuurd, maar ik had niet verwacht dat de Sharanen met zo’n grote groep zouden komen. Bovendien had ik alles in de hand, want ik had een Seanchaans cavalerielegioen ingeschakeld om onze troepen te ondersteunen, en die hadden met die Sharanen moeten afrekenen. Ik had ze aan de overkant van de rivier geplaatst, maar ze hadden niet zo laat moeten komen!’ ‘Ja,’ zei Egwene, en haar stem verhardde. ‘Die mannen – duizenden mannen – zijn geplet tussen de Trolloks en de Sharanen, met geen enkele hoop op ontsnapping. U hebt ze verspeeld, zonder goede reden.’
‘Ik moest de Aes Sedai daar weg krijgen!’ wierp Brin tegen. ‘Die zijn ons waardevolste hulpmiddel. Vergeef me, Móéder, maar datzelfde hebt u me ook al eens voorgehouden.’
‘De Aes Sedai hadden kunnen wachten,’ zei Saerin. ‘Ik was erbij. Ja, we moesten daar weg – we stonden onder druk – maar we hielden nog stand, en we hadden nog wel wat langer stand kunnen houden.
U hebt duizenden goede mannen laten sterven, generaal Brin. En weet u wat het ergste is? Het was onnodig. U liet al die Seanchanen aan de overkant van de voorde staan, soldaten die redding hadden kunnen bieden, wachtend op uw bevel om aan te vallen. Maar dat bevel kwam nooit, hè, generaal? U hebt ze in de steek gelaten, net zoals u onze cavalerie in de steek hebt gelaten.’
‘Maar ik had ze bevolen om aan te vallen, en ze gingen uiteindelijk toch ook? Ik had een boodschapper gestuurd. Ik... Ik...’
‘Nee. Als Mart Cauton er niet was geweest, zouden ze nog steeds aan deze kant van de rivier staan te wachten, generaal!’ Egwene wendde zich van hem af.
‘Egwene,’ zei Gawein, die haar arm pakte. ‘Wat zeg je nou eigenlijk? Alleen omdat...’
Brin drukte zijn hand tegen zijn hoofd. Toen zakte hij in elkaar alsof zijn benen hem ineens niet meer konden dragen. ‘Ik weet niet wat me scheelt,’ fluisterde hij hol. ‘Ik blijf maar fouten maken, Moeder. Het zijn fouten waar een man zich van kan herstellen, en dat blijf ik mezelf maar voorhouden. Maar dan maak ik wéér een fout en moet ik weer van alles doen om hem recht te zetten.’