Выбрать главу

‘Je bent gewoon moe,’ zei Gawein smartelijk. ‘Dat zijn we allemaal.’ ‘Nee,’ zei Brin zacht. ‘Nee, er is méér aan de hand. Ik ben wel eerder moe geweest. Dit is alsof... mijn instincten ineens niet meer Moppen. Ik geef bevelen en pas naderhand zie ik de gebreken, de problemen. Ik...’

‘Dwang,’ zei Egwene verkild. ‘U staat onder Wilsdwang. Ze vallen onze grote kapiteins aan.’

Enkele vrouwen in de tent omhelsden de Bron.

‘Hoe is dat mogelijk?’ wierp Gawein tegen. ‘Egwene, we hebben zusters die het kamp in de gaten houden op zoek naar tekenen dat er iemand geleidt!’

‘Ik weet niet hoe het is gebeurd,’ antwoordde Egwene. ‘Misschien is dit maanden geleden al in gang gezet, voordat de strijd begon.’ Ze wendde zich tot de Gezetenen. ‘Ik stel voor dat de Zaal Garet Brin ontslaat als bevelhebber van onze legers. Het is jullie beslissing, Gezetenen.’

‘Licht!’ riep Yukiri. ‘We... Licht!’

‘Het moet gebeuren,’ zei Doesine. ‘Dit was een sluwe zet, een mogelijkheid om onze legers te vernietigen zonder dat wij de valstrik zagen. We hadden moeten voorzien... De grote kapiteins hadden beter beschermd moeten worden.’

‘Licht!’ zei Faiselle. ‘We moeten een boodschap sturen aan heer Mandragoran en naar Thakan’dar! Dit zou ook invloed op hen kunnen hebben, als de vijand probeert alle vier de fronten tegelijk in een gecoördineerde aanval omver te halen.’

‘Daar zal ik voor zorgen,’ zei Saerin, die naar de uitgang van de tent liep. ‘Voorlopig ben ik het met de Amyrlin eens. Brin moet worden ontslagen.’

Een voor een knikten de anderen. Het was geen formele stemming van de Zaal, maar het zou wel voldoen. Bij de tafel ging Garet Brin op een stoel zitten. Arme man. Hij was ongetwijfeld overstuur, ongerust. Ineens glimlachte hij.

‘Generaal?’ vroeg Egwene.

‘Dank u,’ zei Brin, die ontspannen oogde.

‘Waarvoor?’

‘Ik was bang dat ik gek aan het worden was, Moeder. Ik bleef maar zien wat ik had gedaan... Ik heb duizenden mannen laten sterven... maar dat was ik niet. Dat was ik niet.’

‘Egwene,’ zei Gawein. Hij verborg zijn pijn goed. ‘Het leger. Als Brin gedwóngen was om ons naar het gevaar te leiden, moeten we meteen onze bevelsstructuur veranderen.’

‘Haal mijn bevelvoerders op,’ zei Brin. ‘Ik zal het bevel aan hen overdragen.’

‘En als die ook zijn gecorrumpeerd?’ vroeg Doesine.

‘Je hebt gelijk,’ zei Egwene. ‘Dit stinkt naar het werk van een Verzaker, misschien Moghedien. Heer Brin, als u in dit gevecht zou sneuvelen, zou ze weten dat uw bevelvoerders de volgende zouden zijn om de leiding over te nemen. En die hebben misschien dezelfde gebrekkige instincten als u.’

Doesine schudde haar hoofd. ‘Wie kunnen we vertrouwen? Elke man of vrouw die we de leiding geven, kan onder Dwang staan.’

‘Misschien moeten we ze zelf aanvoeren,’ opperde Faiselle. ‘Een man die niet kan geleiden is eenvoudiger te bewerken dan een zuster, die het geleiden zou bespeuren en een vrouw met het vermogen zou opmerken. Wij zijn er waarschijnlijk vrij van.’

‘Maar wie van ons heeft verstand van slagveldtactieken?’ vroeg Ferane. ‘Ik denk dat ik belezen genoeg ben om strategieën te overzien, maar ze opstellen?’

‘Wij zijn beter dan iemand die mogelijk onder Wilsdwang staat,’ hield Faiselle vol.

‘Nee,’ besloot Egwene, die zich optrok aan Gaweins arm.

‘Wat dan?’ vroeg Gawein.

Egwene beet haar kiezen op elkaar. Wat dan? Ze kende maar één man van wie ze eropaan kon dat hij niet onder Dwang stond, in ieder geval niet door Moghedien. Een man die ongevoelig was voor saidar en saidin. ‘We zullen het bevel over onze legers moeten overdragen aan Martrim Cauton,’ zei ze. ‘Moge het Licht over ons waken.’

32

Een gele bloemenspin

De damane hield een gat in de vloer open voor Mart. Het bood uitzicht op het slagveld.

Mart wreef over zijn kin, nog steeds onder de indruk, hoewel hij die gaten nu al ongeveer een uur gebruikte. Hij was druk bezig de valstrik tegen te gaan die Brin voor Egwenes legers had opgezet. Hij had aanvullende banieren Seanchaanse cavalerie gestuurd om beide flanken van zijn troepen bij de rivier te versterken. Damane bestreden de Sharaanse geleiders en hielden de vloed van Trolloks tegen die zich op de verdedigers wierp.

Natuurlijk was dit nog niet zo goed als zelf op het slagveld zijn. Misschien moest hij nog even naar buiten om nog een tijdje aan de gevechten mee te doen. Hij keek naar Tuon, die op een troon zat – een reusachtige troon van tien voet hoog – aan de zijkant van het bevelsgebouw. Tuon kneep haar ogen tot spleetjes en keek hem aan alsof ze zijn gedachten kon lezen.

Ze is een Aes Sedai, hield Mart zich voor. O, ze kan niet geleiden... omdat ze zichzelf nog niet heeft toegestaan dat te leren, maar toch is ze er verdomme een. En ik ben met haar getrouwd.

Maar ze was wel ongelooflijk. Hij voelde de spanning elke keer als ze bevelen gaf. Ze deed dat zo natuurlijk. Elayne en Nynaeve konden nog wat van haar leren. Tuon zag er wel heel mooi uit op die troon. Mart liet zijn blik even op haar rusten, waarop ze meteen boos begon te kijken, en dat was gewoon oneerlijk. Als een man zich al niet eens mocht verlustigen aan zijn eigen vrouw, aan wie dan wél?

Mart keek weer naar het slagveld. ‘Mooie truc,’ zei hij, bukkend om zijn hand door het gat te steken. Ze bevonden zich heel hoog. Als hij erdoor viel, zou hij de tijd hebben om drie coupletten van ‘Ze heeft geen enkels voor zover ik kan zien’ te neuriën voordat hij de grond raakte. Misschien nog wel een refrein erbij.

‘Ze heeft het geleerd,’ zei de sul’dam, verwijzend naar haar nieuwe damane, ‘door te kijken naar de wevingen van de Aes Sedai.’ De sul’dam, Catrona, stikte bijna in de woorden ‘Aes Sedai’. Mart kon het haar niet kwalijk nemen. Die naam was soms ook moeilijk over je lippen te krijgen.

Hij keek niet al te veel naar de damane, en ook niet naar de tatoeages van bloeiende takken die vanuit haar nek over haar wangen naar voren kwamen alsof haar gezicht tussen twee handen was gevat. Mart was verantwoordelijk voor het feit dat ze gevangengenomen was. Maar dat was toch beter dan dat ze voor de Schaduw vocht?

Bloed en bloedas, dacht hij. Zo overtuig je Tuon er nooit van om geen damane te gebruiken, Martrim Cauton. Er zelf eentje vangen...

Het was verontrustend om te zien hoe snel de Sharaanse vrouw gewend was geraakt aan haar gevangenschap. De sul’dam hadden er allemaal opmerkingen over gemaakt. Ze had zich nauwelijks verzet en zich daarna volkomen overgegeven. Van een pas gevangen damane werd verwacht dat ze maanden nodig had om fatsoenlijk te worden opgeleid, maar deze was binnen een paar uur klaargestoomd. Catrona straalde bijna, alsof ze persoonlijk verantwoordelijk was voor de gedweeheid van de Sharaanse vrouw.

Dat gat was écht opmerkelijk. Mart stond helemaal aan de rand en keek neer op de wereld, en hij kon de banieren en eskaders tellen terwijl hij ze afvinkte in zijn hoofd. Wat zou Classen Bayor met zo’n ding hebben kunnen doen, vroeg hij zich af. Misschien zou de slag van Kolesar anders zijn afgelopen. Hij zou zijn cavalerie nooit zijn kwijtgeraakt in het moeras, dat zeker niet.

Marts troepen hielden de Schaduw nog steeds op afstand bij de oostelijke grens van Kandor, maar hij was niet blij met de huidige loestand. Brins valstrik was verfijnd geweest, even moeilijk te zien als een gele bloemenspin op een geel bloemblaadje. Daardoor had Mart het geweten. Het had werkelijk militair inzicht vereist om het leger in zulke slechte omstandigheden te brengen zonder dat het iemand opviel. Dat soort dingen gebeurde niet per ongeluk.

Mart had meer mannen verloren dan hij wilde tellen. Zijn mensen stonden op elkaar geperst bij de rivier en Demandred – hoewel hij bleef roepen om de Herrezen Draak beproefde doorlopend Marts

verdedigingen op zoek naar een zwakke plek. Hij stuurde een zware cavalerie-eenheid naar de ene kant en liet de andere kant aanvallen met pijlen van Sharaanse boogschutters en een bestorming van Trolloks. Als gevolg daarvan moest Mart Demandreds bewegingen nauwlettend in de gaten houden om ze op tijd te kunnen tegengaan.