Terwijl Min haar voortekenen opsomde, ging Mart achteroverzitten in zijn stoel, legde zijn laarzen op de kaartentafel en viste in zijn zak naar zijn pijp. Ze zag er best leuk uit, die soldaat, hoewel hij enkele belangrijke delen niet kon zien. Misschien zou ze wel goed zijn voor Talmanes. Die kerel keek veel te weinig naar vrouwen. Hij was verlegen, die Talmanes.
Mart negeerde de blikken die hij trok toen hij zijn stoel op twee poten achteroverkantelde, zijn hakken op tafel legde en zijn pijp begon te stoppen. Seanchanen konden zo prikkelbaar zijn.
Hij wist niet goed wat hij ervan vond dat zoveel Seanchaanse vrouwen soldaten waren. Velen van hen leken op Birgitte, en dat was nog niet zo slecht. Mart zou liever een avondje met haar in een taveerne zitten dan met de helft van de mannen die hij kende.
‘Jij wordt terechtgesteld,’ Sprak Tuon via Selucia, zich richtend tot de soldaat.
Mart viel bijna achterover. Hij greep de tafelrand vast toen de voorpoten van zijn stoel met een klap de grond raakten.
‘Wat?’ riep Min. ‘Nee!’
‘Je hebt het teken van de witte ever gezien,’ zei Tuon.
‘Ik ken de betekenis daarvan niet!’
‘De ever is het wapen van ene Handoin, een van mijn tegenstrevers in Seanchan,’ legde Tuon geduldig uit. ‘De Witte Ever is een voorteken van gevaar en mogelijk verraad. Deze vrouw werkt voor hem of zal dat in de toekomst gaan doen.’
‘U kunt haar niet zomaar terechtstellen!’
Tuon knipperde één keer met haar ogen en keek recht naar Min. Het leek een beetje donkerder en kouder te worden in de kamer. Mart huiverde. Hij vond het niet prettig als Tuon zo deed. Die starende blik van haar... het leek wel de blik van een vreemde. Iemand zonder mededogen. Een standbeeld bevatte meer leven.
Selucia wiebelde met haar vingers naar Tuon. Tuon keek ernaar en knikte.
‘Jij bent mijn Waarheidsspreker,’ zei ze tegen Min, bijna met tegenzin. ‘Je mag me in het openbaar tegenspreken. Zie je een bezwaar tegen mijn beslissing?’
‘Ja,’ antwoordde Min meteen. ‘U gebruikt mijn vaardigheden niet zoals dat zou moeten.’
‘En hoe zou dat dan moeten?’ vroeg Tuon. De soldaat die de doodstraf had gekregen, lag nog altijd op haar buik. Ze zei niets, want haar rang stond haar niet toe tegen de Keizerin te spreken. Ze stond zo laag dat het al een schending van eer zou zijn als ze in Tuons aanwezigheid tegen iemand anders sprak.
‘Wat iemand mógelijk gaat doen is geen reden om hem of haar te doden,’ zei Min. ‘Ik wil niet oneerbiedig zijn, maar als u mensen gaat doden om wat ik u vertel, zeg ik niets meer.’
‘We kunnen je dwingen te spreken.’
‘Probeer het maar,’ zei Min zachtjes. Mart schrok ervan. Bloed en as, ze oogde nu al even kil als Tuon daarnet. ‘Laat maar eens zien hoe het Patroon u behandelt, Keizerin, als u de brenger van voortekenen foltert.’
Maar in plaats daarvan glimlachte Tuon. ‘Je zult goed in deze rol passen. Leg me uit wat je wilt, brenger van voortekenen.’
‘Ik vertel u wat ik zie,’ zei Min, ‘maar van nu af aan moeten de interpretaties daarvan – of het nu de mijne zijn of wat u zelf in die beelden leest – worden stilgehouden. Het liefst alleen tussen ons twee. U mag iemand in de gaten laten houden om wat ik heb gezegd, maar hem of haar niet straffen, behalve als u diegene ergens op betrapt. Laat die vrouw vrij.’
‘Laat het gebeuren,’ zei Tuon. ‘Je bent vrij,’ Sprak ze via Selucia. ‘Blijf trouw aan de Kristallen Troon. Je zult in de gaten worden gehouden.’
De vrouw maakte een buiging en trok zich met gebogen hoofd uit de kamer terug. Mart zag een zweetdruppeltje langs haar slaap omlaag glijden. Ze was dus toch geen standbeeld.
Hij keek weer naar Tuon en Min. Ze staarden elkaar nog steeds aan. Er was geen mes te zien, maar toch had hij een gevoel alsof er iemand was neergestoken. Kon Min nu maar een beetje eerbied leren. Een dezer dagen zou hij haar aan haar kraag – één stap voor de beul uit – bij de Seanchanen moeten wegslepen.
Een Poort spleet de lucht aan de kant van de kamer die Tuon ervoor had aangewezen. Ineens schoot het Mart te binnen waarom ze haar troon had verplaatst. Als die damane gevangen was genomen en was gedwongen te vertellen waar Tuon zat, had een Aes Sedai een Poort kunnen openen op de plaats van haar troon en haar in tweeën kunnen hakken. Het was zo onwaarschijnlijk dat het lachwekkend was – een Aes Sedai zou nog eerder vliegen dan iemand doden die geen Duistervriend was – maar Tuon hield met alles rekening.
De Poort opende en onthulde de Zaal van de Toren in een tent. Achteraan zat Egwene, op een grote stoel. De Amyrlin Zetel zelf, besefte Mart. Bloed en as... ze heeft hem laten ophalen.
Egwene oogde uitgeput, hoewel ze het goed verborg. De anderen waren er al niet beter aan toe. De Aes Sedai waren tot het uiterste beproefd. Als ze een soldaat was geweest, zou hij haar nooit de strijd in sturen. Bloed en bloedas... als Mart een soldaat had met zo’n kleur op zijn gezicht en zo’n blik in zijn ogen, zou hij die kerel naar bed sturen om een week te slapen.
‘We zijn benieuwd naar het doel van dit overleg,’ zei Saerin rustig.
Silviana zat in een kleinere stoel naast Egwene en de andere zusters waren ingedeeld volgens hun Ajah. Er ontbraken er een paar, ook een van de Gelen, voor zover Mart kon inschatten.
Tuon knikte naar Mart. Hij moest deze vergadering voorzitten. Hij lichtte zijn hoed naar haar, wat werd beloond met een half opgetrokken wenkbrauw. Haar gevaarlijke blik was verdwenen, hoewel ze nog steeds keizerlijk oogde.
‘Aes Sedai,’ zei Mart, die opstond en zijn hoed lichtte naar de Gezetenen. ‘De Kristallen Troon stelt het op prijs dat jullie bij zinnen zijn gekomen en ons nu die verrekte slag laten leiden.’
Silviana’s ogen puilden uit alsof iemand haar op de tenen had getrapt. Vanuit zijn ooghoeken ving Mart een flauw glimlachje om Tuons lippen op. Bloed en bloedas, die vrouwen zouden beter moeten weten dan hem zo aan te moedigen.
‘Je bent weer welbespraakt als altijd, Mart,’ zei Egwene droogjes. ‘Heb je je tamme vos nog?’
‘Ja. Hij zit lekker warm op zijn plek.’
‘Zorg goed voor hem,’ zei Egwene. ‘Ik zou niet willen dat je hetzelfde lot ondergaat als Garet Brin.’
‘Dus het was echt Wilsdwang?’ vroeg Mart. Egwene had hem een boodschap gestuurd.
‘Voor zover we kunnen bepalen,’ antwoordde Saerin. ‘Nynaeve Sedai kan de wevingen over iemands geest zien liggen, heb ik gehoord, maar wij kunnen dat niet.’
‘Onze Helers onderzoeken Brin,’ vertelde een gedrongen Domaanse Aes Sedai. ‘Voorlopig kunnen we geen enkele strategie vertrouwen die hij heeft aangeraakt, in ieder geval niet tot we weten hoe lang hij al onder de duim van de Schaduw zat.’
Mart knikte. ‘Dat lijkt me goed. En we moeten onze troepen terugtrekken van de voorde.’
‘Waarom?’ wilde Lelaine weten. ‘De toestand daar is stabiel.’
‘Niet stabiel genoeg,’ zei Mart. ‘Dit terrein bevalt me niet, en we zouden niet moeten vechten waar we dat niet willen.’
‘Ik wil liever geen duim toegeven aan de Schaduw,’ zei Saerin.
‘Een pas grond die we nu opgeven, kan ons er bij zonsopgang twee opleveren,’ antwoordde Mart.
Generaal Galgan mompelde instemmend, en Mart besefte dat hij iets van Haviksvleugel had geciteerd.
Saerin fronste. De anderen leken haar de leiding te hebben gegeven. Egwene hield zich er grotendeels buiten en zat met verstrengelde handen achterin.
‘Ik moet je waarschijnlijk vertellen,’ zei Saerin, ‘dat onze grote kapitein niet het enige doelwit was. Davram Bashere en heer Agelmar probeerden hun legers ook in de vernieling te helpen. Elayne Sedai heeft het goed gedaan in haar strijd en een groot Trollok-leger vernietigd, maar dat heeft ze alleen kunnen bewerkstelligen dankzij hulp van de Zwarte Toren. De Grenslanders zijn verpletterd en zijn bijna twee derde van hun mannen kwijt.’