Mart verkilde. Twee derde? Licht! Dat was een van de beste legers geweest die het Licht had. ‘Lan?’
‘Heer Mandragoran leeft nog,’ zei Saerin.
Nou, dat was al iets. ‘En hoe zit het met dat leger in de Verwording?’
‘Heer Ituralde is gesneuveld in de strijd,’ antwoordde Saerin. ‘Niemand schijnt te weten wat er met hem is gebeurd.’
‘Dit was heel goed voorbereid,’ zei Mart, terwijl zijn gedachten tolden. ‘Bloed en bloedas. Ze hebben geprobeerd alle vier de fronten tegelijk te verpletteren. Ik kan me niet voorstellen hoeveel coördinatie dat moet hebben gekost...’
‘Zoals ik al zei,’ zei Egwene zachtjes, ‘moeten we heel goed oppassen. Hou die vos van je te allen tijde bij je.’
‘Wat wil Elayne doen?’ vroeg Mart. ‘Heeft zij niet de leiding?’ ‘Elayne Sedai helpt de Grenslanders,’ antwoordde Saerin. ‘Ze heeft ons verteld dat Shienar zo goed als verloren is, en ze laat de Asha’man heer Mandragorans leger naar een veilige plek brengen. Morgen wil ze haar leger door Poorten verplaatsen en de Trolloks tegenhouden in de Verwording.’
Mart schudde zijn hoofd. ‘We moeten verenigd verzet bieden.’ Hij aarzelde. ‘Kunnen we haar door een van die Poorten hierheen halen? Of in ieder geval contact met haar opnemen?’
Daar leek niemand iets tegen te hebben. Korte tijd later opende er een volgende Poort naar de tent met Egwene en de Gezetenen. Elayne beende erdoor, met een behoorlijk bolle zwangere buik en ogen die haast vuur spoten. Achter haar ving Mart een glimp op van soldaten in ingezakte houdingen, ploeterend over een schemerig veld.
‘Licht,’ zei Elayne, ‘Mart, wat wil je?’
‘Heb je je strijd gewonnen?’ vroeg Mart.
‘Op het nippertje, ja. De Trolloks in Cairhien zijn vernietigd. De stad is veilig.’
Mart knikte. ‘Ik moet me terugtrekken van onze positie daar.’ ‘Best,’ zei Elayne. ‘Misschien kunnen we ons leger laten samengaan met wat er over is van de Grenslanders.’
‘Ik wil meer doen, Elayne,’ zei Mart, die naar voren stapte. ‘Die truc die de Schaduw heeft geprobeerd... dat was slim, Elayne. Verdómde slim. We zijn gehavend en bijna gebroken. We kunnen het ons niet meer veroorloven om op meerdere fronten tegelijk te vechten.’
‘Wat dan?’
‘Een laatste verdediging,’ zei Mart zachtjes. ‘Wij allemaal samen, op één plek waar het terrein ons voordeel biedt.’
EIayne zweeg, en iemand bracht haar een stoel zodat ze naast Egwene kon zitten. Ze had nog altijd de houding van een koningin, maar haar warrige haar en de brandgaten in haar kleding bewezen wat ze had doorstaan. Mart rook de brandlucht die van haar slagveld kwam, omdat de Poort ernaartoe nog openstond.
‘Dat klinkt wanhopig,’ zei Elayne uiteindelijk.
‘We zijn ook wanhopig,’ zei Saerin.
‘We moeten onze bevelvoerders vragen...’ Elayne liet haar stem wegsterven. ‘Als er nog bevelvoerders zijn van wie we erop kunnen vertrouwen dat ze niet onder Dwang staan.’
‘Er is er maar één,’ zei Mart grimmig, kijkend in haar ogen. ‘En die vertelt jullie nu dat het afgelopen met ons is als we doorgaan zoals we tot nu toe hebben gedaan. De eerdere strategie was goed genoeg, maar na wat we vandaag hebben verloren... Elayne, we zijn dood als we niet één plek uitkiezen om stand te houden, ons te verzamelen en gezamenlijk te strijden.’
Eén laatste worp van de dobbelstenen.
Elayne bleef een tijdje stil zitten. ‘Waar?’ vroeg ze uiteindelijk.
‘Tar Valon?’ opperde Gawein.
‘Nee,’ zei Mart. ‘Dat zouden ze alleen maar belegeren en dan verder trekken. Het mag geen stad zijn waar ze ons kunnen insluiten. We hebben een terrein nodig dat ons tot voordeel strekt, in een land waar de Trolloks geen voedsel kunnen vinden.’
‘Nou, een plek in de Grenslanden zou daar geschikt voor moeten zijn,’ zei Elayne grimassend. ‘Lans leger heeft bijna elke stad en akker waar ze langs zijn gekomen platgebrand om te zorgen dat de Schaduw geen middelen heeft.’
‘Kaarten,’ zei Mart met een wenkend gebaar. ‘Laat iemand kaarten brengen. We hebben een plek nodig in zuidelijk Shienar of Arafel. Zo dichtbij dat de Schaduw het verleidelijk zal vinden om erheen te gaan. Een plek waar hij het tegen ons allemaal tegelijk moet opnemen...’
‘Mart...’ begon Elayne. ‘Geven we ze dan niet wat ze willen? Een mogelijkheid om ons uit te roeien?’
‘Ja,’ zei Mart zachtjes terwijl de Aes Sedai kaarten stuurden. Er stonden tekens op, en aantekeningen in wat leek op generaal Brins handschrift. ‘We moeten een verleidelijk doelwit vormen. We moeten ze naar ons toe lokken en ze dan ofwel verslaan, ofwel verpletterd worden.’
Een langdurig gevecht zou de Schaduw dienen. Zodra er eenmaal genoeg Trolloks in de zuidelijke landen aankwamen, zouden ze niet meer te houden zijn. Hij moest snel winnen of verliezen.
Inderdaad, nog een laatste worp van de dobbelstenen.
Mart wees naar een plek op de kaarten, een plek die Brin had aangemerkt. Er was een goede watervoorraad, een mooie overgang tussen heuvels en rivieren. ‘Deze plek. Merrilor? Hebben jullie die als verzamelplaats voor voorraden gebruikt?’
Saerin grinnikte zachtjes. ‘En dus gaan we terug naar waar we begonnen zijn?’
‘Er zijn wat kleine versterkingen,’ antwoordde Elayne. ‘De mannen hebben een palissade aan de ene kant gebouwd, die we zouden kunnen uitbreiden.’
‘Dat is wat we nodig hebben,’ zei Mart, die zich een strijd daar voorstelde.
Merrilor was een plek waar de twee grote Trollok-legers naartoe konden komen in een poging de mensen tussen hen te pletten. Dat zou verleidelijk zijn. Maar Mart zou het terrein prachtig kunnen gebruiken...
Ja. Het zou net zo gaan als bij de slag om de Priyakloof. Als hij boogschutters langs die kliffen zette – nee, draken – en als hij de Aes Sedai een paar dagen rust kon geven... De Priyakloof. Hij had erop gerekend dat hij een brede rivier kon gebruiken om het Hamareaanse leger bij de ingang van de Kloof in te sluiten. Maar toen hij de valstrik wilde laten dichtklappen, was die verrekte rivier ineens opgedroogd. De Hamareanen hadden er aan de andere kant van de Kloof een dam in gezet. Ze waren gewoon over de rivierbedding gelopen en ontkomen. Dat is een lesje dat ik niet licht zal vergeten.
‘Dit voldoet wel,’ zei Mart, die zijn hand op de kaart legde. ‘Elayne?’
‘Laat het maar gebeuren,’ zei Elayne. ‘Ik hoop dat je weet wat je doet, Mart.’
Terwijl ze dat zei, begonnen de dobbelstenen te ratelen in zijn hoofd.
Galad sloot Troms ogen. Hij had het slagveld ten noorden van Cairhien meer dan een uur lang afgezocht om hem te vinden. Trom was doodgebloed, en slechts een paar hoekjes van zijn mantel waren nog wit. Galad trok de officiersknopen van zijn schouder – die waren ongelooflijk genoeg niet besmeurd – en stond op.
Hij voelde zich tot op het bot vermoeid. Hij liep terug over het slagveld, langs hele stapels doden. De kraaien en raven waren al neergestreken. Een golvend, trillend zwart dat de grond bedekte als een laag schimmel. Van een afstand leek het wel alsof de aarde zwartgeblakerd was, zoveel aasvogels waren er.
Af en toe kwam Galad mannen net als hij tegen, die tussen de lijken naar vrienden zochten. Er waren verrassend weinig plunderaars op het slagveld. Elayne had er een paar gesnapt die probeerden uit Cairhien weg te sluipen en had gedreigd hen op te hangen.
Ze wordt harder, dacht Galad op weg terug naar het kamp. Zijn laarzen voelen als lood aan zijn voeten. Dat was goed. Als kind had ze vaak beslissingen genomen vanuit het hart. Nu was ze koningin, en zo gedroeg ze zich ook. Als hij nu alleen haar morele kompas maar recht kon zetten. Ze was geen slecht mens, maar Galad wenste dat ze – en de andere vorsten – even helder kon zien als hij.