Выбрать главу

Slachter draaide zich om en wilde vluchten, maar Perijn wist de zoom van zijn mantel te grijpen. Terwijl Slachter probeerde zich te verplaatsen, stelde Perijn zich voor dat hij bleef staan. Hij wist dat ze zouden blijven staan. Het was niet alleen maar een mogelijkheid, het was zo.

Even vervaagden allebei hun omtrekken, maar toen keerden ze terug op de wolk. Slachter gromde, haalde zijn zwaard naar achteren, hakte de punt van zijn mantel af en bevrijdde zich. Hij draaide zich naar Perijn om en wankelde opzij, met zijn zwaard behoedzaam in zijn handen. De wolk trilde onder hen en een schicht fantoombliksem raakte de mistige damp aan hun voeten.

‘Je wordt steeds lastiger, wolfsjong,’ zei Slachter.

‘Je hebt het nog nooit tegen een wolf opgenomen die terug kon vechten,’ zei Perijn. ‘Jij doodt ze van een afstand. Niets meer dan een slachting. Nu probeer je te jagen op een prooi die tanden heeft, Slachter.’

Slachter snoof. ‘Je bent net een jochie met het zwaard van zijn vader. Gevaarlijk, maar je hebt geen flauw benul waarom, of hoe je je wapen moet gebruiken.’

‘We zullen nog wel eens zien wie...’ begon Perijn, maar Slachter sprong naar voren, met zijn zwaard vooruit. ‘Perijn zette zich schrap en stelde zich voor dat het zwaard bot werd, dat de lucht dicht werd en het wapen vertraagde, dat zijn huid zo hard werd dat de kling erop zou afketsen.

Een tel later tuimelde Perijn door de lucht.

Dwaas! dacht hij. Hij had zich zo zeer op de aanval gericht, dat hij er niet op voorbereid was toen Slachter de ondergrond veranderde. Perijn viel door de rommelende wolk en de lucht eronder. De wind gierde door zijn kleding. Hij bereidde zich voor en wachtte op de hagel van pijlen die hem vanuit de wolk omlaag zou volgen. Slachter was soms zo voorspelbaar...

Er kwamen geen pijlen. Perijn viel nog een paar ogenblikken, en toen vloekte hij, draaide zich om en zag een storm van pijlen vanaf de grond omhoogkomen. Hij verplaatste zich slechts een tel voordat ze rakelings langs suisden.

Perijn verscheen honderd voet verderop in de lucht weer, nog steeds vallend. Hij deed geen moeite om zichzelf af te remmen. Toen hij de grond raakte, versterkte hij zijn lichaam om de klap op te vangen. De grond barstte en een wolk van stof vloog rondom hem op.

De storm was veel erger dan voorheen. De grond hier – ze waren ergens in het zuiden, met woekerende struiken en boomstammen gehuld in verstrikte lianen – zat vol gaten en scheuren. Bliksems schoten omlaag, zo vaak dat hij amper tot drie kon tellen voordat de volgende alweer insloeg.

Het regende niet, maar het landschap verbrokkelde. Hele heuvels stortten zonder waarschuwing in. De heuvel een stukje links van Perijn loste op in een reusaehlige stapel stof en een sliert aarde en zand werd meegevoerd op de wind.

Perijn sprong door de gruizige lucht en achtervolgde Slachter. Had de man zich weer verplaatst naar Shayol Ghul? Nee. Nog twee pijlen schoten door de lucht, op weg naar Perijn. Slachter was er heel goed in zijn pijlen onbevattelijk te maken voor de wind.

Hij sloeg de pijlen opzij en schoot op Slachter af. Hij zag de man op een rotspunt staan, waar de grond aan weerskanten van hem afkalfde en de lucht in werd getrokken.

Perijn kwam met zwaaiende hamer omlaag. Slachter verplaatste zich natuurlijk weer, en de hamer raakte het steen met een geluid als van de donder. Perijn grauwde. Slachter was te snel!

Maar Perijn was ook snel. Vroeg of laat zou een van hen een fout maken. En één foutje zou genoeg zijn.

Hij zag Slachter wegspringen en zette de achtervolging weer in. Toen Perijn van de volgende heuveltop sprong, braken de stenen achter hem en werden ze meegesleurd door de wind. Het Patroon begon te verzwakken. Daarnaast was zijn wil veel sterker nu hij hier lijfelijk was. Hij hoefde zich niet langer zorgen te maken dat hij zich te sterk manifesteerde in de droom en zichzelf verloor. Hij was hier nu zo sterk als maar kon.

Elke keer als Perijn bewoog, beefde het landschap om hem heen. Na de volgende sprong zag hij een zee. Ze waren veel verder naar het zuiden gegaan dan Perijn had beseft. Waren ze in Illian? Tyr?

Slachter kwam op het strand terecht, waar het water op rotsen beukte. Het zand – als dat er al ooit was geweest – was weggewaaid. Het land leek terug te keren naar een primitieve toestand. Het gras was uit de grond gerukt en de bodem verweerd, waardoor alleen stenen en beukende golven waren overgebleven.

Perijn landde naast Slachter. Voor één keer verplaatste niemand zich. Beide mannen stortten zich in het gevecht, zwaaiden met hamer en zwaard. Metaal kletterde tegen metaal.

Perijn wist Slachter bijna te raken; zijn hamer schampte langs kleding. Hij hoorde een vloek, maar een oogwenk later draaide Slachter zich met een grote bijl in zijn hand weer naar hem toe. Perijn zette zich schrap en ving het bijblad met zijn zij op, waar hij zijn huid liet verharden.

De bijl verwondde hem niet, doordat hij zichzelf zo had versterkt, maar er zat wel een heleboel kracht achter. Perijn werd van het strand gebeukt.

Een tel later verscheen Slachter boven hem en dook omlaag met zijn bijl. Perijn ving hem op met zijn hamer terwijl hij viel, maar door de kracht van de klap werd hij naar het water geduwd.

Hij beval het water om zich terug te trekken. Het stroomde kolkend en borrelend weg alsof het werd opgestuwd door een harde wind. Perijn draaide zichzelf rechtop tijdens zijn val en landde zo hard op de nog vochtige, rotsige bodem van de baai dat die barstte. Zeewater rees aan weerskanten van hem op, als een gebogen muur van zo’n dertig voet hoog.

Slachter kwam met een klap verderop terecht. De man hijgde van de inspanning van hun strijd. Mooi. Perijns eigen vermoeidheid liet zich voelen als een diepe, brandende pijn in zijn spieren.

‘Ik ben blij dat je er was,’ zei Slachter, die zijn zwaard naar zijn schouder hief en zijn schild liet verdwijnen. ‘Ik had zo gehoopt dat je tussenbeide zou komen als ik de Draak kwam vermoorden.’

‘Wat bén jij, Luc?’ vroeg Perijn behoedzaam. Hij verplaatste zich een stukje opzij en bleef tegenover Slachter in de cirkel van steen omringd door muren van zeewater. ‘Wat ben je echt?’

Slachter sloop opzij en bleef praten – wist Perijn – om zijn prooi af te leiden. ‘Ik heb hem gezien, weet je,’ zei hij zachtjes. ‘De Duistere, de Grote Heer zoals sommigen hem noemen. Die beide benamingen zijn ontzettend, bijna beledigend ontoereikend.’

‘Denk je echt dat hij je zal belonen?’ beet Perijn hem toe. ‘Hoe kun je nou niet beseffen dat zodra je hebt gedaan wat hij van je wil, hij je gewoon zal wegsmijten, net zoals hij al bij zoveel anderen heeft gedaan?’

Slachter lachte. ‘Heeft hij de Verzakers weggegooid toen ze faalden en samen met hem werden gekerkerd? Hij had ze allemaal kunnen afslachten en hun zielen eeuwig kunnen folteren. Heeft hij dat gedaan?’

Perijn antwoordde niet.

‘De Duistere gooit geen nuttig gereedschap weg,’ vervolgde Slachter. ‘Als je hem teleurstelt, straft hij je misschien, maar weggooien doet hij niet. Hij is net een huisvrouw die haar bollen garen met knopen erin en haar kapotte theeketels in manden bewaart, wachtend op het juiste ogenblik om ze weer te gaan gebruiken. Daarin vergis je je, Aybara. Een mens zal een te goede werknemer misschien wegdoen uit angst dat hij een bedreiging zal gaan vormen. Zo doet de Duistere dat niet. Hij zal me belonen.’

Perijn deed zijn mond open om te antwoorden. Slachter dook pal voor hem op om aan te vallen, denkend dat hij afgeleid was. Maar Perijn verdween en Slachter raakte niets. De man draaide zich om en zijn zwaard zoefde door de lucht, maar Perijn had zich verplaatst naar de andere kanl van de holte in het water. Kleine zeedieren met vele armen kronkelden aan zijn voeten, verward over het plotselinge verdwijnen van het water. Iets groots en donkers zwom door het schimmige water achter Slachter.

‘Je hebt mijn vraag niet beantwoord,’ zei Perijn. ‘Wat bén jij?’