Выбрать главу

‘Ik ben stoutmoedig,’ antwoordde Slachter, die naar voren beende. ‘En ik ben het bang zijn beu. In dit leven heb je roofdieren en prooien. Vaak worden de roofdieren zelf voedsel voor iemand anders. Als je wilt overleven, zul je naar de top van de keten moeten komen, de jager moeten worden.’

‘Is dat de reden waarom je wolven doodt?’

Slachter glimlachte gevaarlijk, zijn gezicht in schaduwen gehuld. Met de stormwolken boven hen en de hoge muren van water om hen heen was het hier beneden donker, hoewel het vreemde licht van de wolfsdroom ook hier doordrong, al was het gedempt.

‘Wolven en mannen zijn de beste jagers in deze wereld,’ zei Slachter zacht. ‘Dood ze, en je stelt jezelf boven hen. We hebben niet allemaal het voorrecht gehad om op te groeien in een fijn huis met een warme haard en lachende broertjes en zusjes.’

Perijn en Slachter cirkelden om elkaar heen, hun schaduwen vermengden zich en bliksemflitsen van boven schenen door het water.

‘Als je mijn leven zou kennen,’ zei Slachter, ‘zou je janken. De hopeloosheid, de smart... Ik vond al snel mijn weg. Mijn kracht. Hier ben ik een koning.’

Hij sprong razendsnel naar voren. Perijn bereidde zich voor om uit te halen, maar Slachter trok zijn zwaard niet. Hij beukte tegen Perijn aan, waardoor ze allebei door de wand van water gingen. De zee kolkte en borrelde om hen heen.

Duisternis. Perijn maakte licht door de rotsen aan zijn voeten te laten gloeien. Slachter had met de ene hand Perijns mantel vastgegrepen en haalde naar hem uit in het donkere water, en hoewel er een spoor van luchtbellen achter zijn zwaard aan kwam, bewoog het nog even snel als in de lucht. Toen Perijn brulde, kwamen er luchtbellen uit zijn mond. Hij probeerde de slag te blokkeren, maar zijn armen waren te traag.

In dat verstarde ogenblik probeerde Perijn zich voor te stellen dat het water hem niet belemmerde, maar zijn geest verwierp die gedachte. Het was onnatuurlijk. Het kon niet.

In wanhoop, toen Slachters zwaard bijna dichtbij genoeg was om hem te raken, bevroor Perijn het water om hen allebei heen. Hij werd bijna zelf door het ijs verpletterd, maar het hield Slachter een kostbaar ogenblik lang stil terwijl Perijn zich herpakte. Hij liet zijn mantel verdwijnen, zodat hij Slachter niet mee kon trekken, en verplaatste zich.

Perijn landde op het rotsige strand bij een steile helling die half was afgebrokkeld door de kracht van de zee. Hij viel hijgend op zijn handen en knieën. Het water stroomde uit zijn baard. Zijn hoofd voelde... verdoofd. Het kostte hem moeite om het water weg te denken en zichzelf af te drogen.

Wat gebeurt er, vroeg hij zich bevend af. Om hem heen rukte de razende storm de bast van boomstammen waar de takken al van af waren. Hij was zo... moe. Uitgeput. Hoe lang had hij al niet meer geslapen? Er waren weken verstreken in de echte wereld, maar hier waren toch nog geen weken voorbij? Het...

De zee kookte en borrelde. Perijn draaide zich om. Hij had zijn hamer nog, en die hief hij nu ter voorbereiding op Slachter.

Het water bleef bewegen, maar er kwam niets uit. Ineens spleet de heuvel achter hem in tweeën. Perijn voelde dat hij door iets zwaars tegen zijn schouder werd geraakt, alsof hij een stomp kreeg. Hij viel op zijn knieën, draaide zich om en zag de gespleten heuvel met Slachter aan de andere kant, die weer een pijl op zijn boog zette.

Perijn verplaatste zich wanhopig, terwijl de pijn zich nu pas langs zijn zij en door zijn lichaam omhoogverspreidde.

‘Ik zeg alleen maar dat er veldslagen worden geleverd,’ zei Mandevwin, ‘en dat wij er niet bij zijn.’

‘Er worden altijd wel érgens veldslagen geleverd,’ antwoordde Vanin, leunend tegen de buitenmuur van een pakhuis in Tar Valon. Faile luisterde met een half oor naar hen. ‘Wij hebben ons aandeel ook geleverd. Ik zeg alleen maar dat ik blij ben dat ik niet bij deze hoef te zijn.’

‘Er sterven mensen,’ zei Mandevwin afkeurend. ‘Dit is niet alleen maar een veldslag, Vanin. Het is Tarmon Gai’don!’

‘Wat betekent dat niemand ons betaalt,’ zei Vanin.

Mandevwin sputterde. ‘Betaling... Om te strijden in de Laatste Slag... Jij schurk! Deze strijd draait om het leven zélf.’

Faile glimlachte terwijl ze de registerboeken bekeek. De twee Roodarmen hingen rond bij de deur, terwijl bedienden met de Vlam van Tar Valon Failes wagens laadden. Achter hen verrees de Witte Toren boven de stad.

Aanvankelijk had ze zich geërgerd aan het geruzie tussen de mannen, maar zoals Vanin de andere man bleef sarren deed haar denken aan Gilber, een van de kwartiermeesters van haar vader in Saldea.

‘Nou, Mandevwin,’ zei Vanin, ‘zo klink je niet bepaald als een huurling! Stel dat heer Mart je hoorde?’

‘Heer Mart zal vechten,’ antwoordde Mandevwin.

‘Als hij moet,’ zei Vanin. ‘Wij hoeven niét. Luister, deze voorraden zijn belangrijk, ja? En iemand moet ze bewaken, ja? Nou, dat doen wij.’

‘Ik snap alleen niet waarom wij voor dit werk nodig zijn. Ik zou Talmanes moeten helpen de Bond te leiden, en jullie zouden heer Mart moeten beschermen...’

Faile hoorde bijna de rest van die zin, hetzelfde als wat ze allemaal dachten: Jij zou heer Mart moeten beschermen tegen die Seanchanen.

De soldaten hadden zich over Marts verdwijning, en vervolgens zijn verschijnen bij de Seanchanen, heen gezet. Kennelijk verwachtten ze dit soort gedrag van ‘heer’ Martrim Cauton. Faile had vijftig van de beste mannen van de Bond, onder wie kapitein Mandevwin, luitenant Sandip en enkele Roodarmen die van harte waren aanbevolen door Talmanes. Geen van hen was op de hoogte van hun werkelijke doel, namelijk het bewaken van de Hoorn van Valere.

Ze zou tien keer dat aantal hebben meegenomen als ze kon. Maar vijftig man was al verdacht genoeg. Die vijftig waren de allerbesten van de Bond, sommigen van hen weggehaald van bevelsposities. Faile zou het ermee moeten doen.

We gaan niet ver weg, dacht Faile, kijkend naar de volgende bladzijde van het registerboek. Ze moest doen alsof ze zich zorgen maakte om hun voorraden. Waarom was ze zo bezorgd?

Ze hoefde de Hoorn alleen maar door een Poort naar de Akker van Merrilor te brengen, nu Cauton daar eindelijk was verschenen. Ze was al met drie karavanen en dezelfde wachters vanuit andere plekken daarheen geweest, dus haar huidige tocht zou helemaal geen verdenking wekken.

Ze had de Bond heel opzettelijk uitgekozen. In de ogen van de meesten waren dat maar huurlingen, en dus de minst belangrijke en minst betrouwbare troepen in het leger. Maar ondanks al haar geklaag over Mart – ze kende hem misschien niet goed, maar Perijn had het vaak genoeg over hem gehad – riep hij wel trouw op in zijn mannen. De mannen die naar Cauton toe getrokken werden, waren net als hij. Ze probeerden zich te onttrekken aan hun plicht en hielden zich liever bezig met gokken en drinken dan met nuttige dingen, maar als het erop aankwam vochten ze ieder met de kracht van tien mannen.

In Merrilor zou Cauton een goede reden hebben om te gaan kijken bij Mandevwin en zijn mannen. Daar kon Faile hem dan de Hoorn geven. Al had ze natuurlijk ook enkele leden van Cha Faile bij zich. Ze wilde een paar mensen hebben van wie ze erop aankon dat ze hen kon vertrouwen.

Verderop kwam Laras – de potige Meesteres der Keukens uit Tar Valon – uit het pakhuis, zwaaiend met haar vinger naar een paar jonge diensters. De vrouw liep naar Faile toe, gevolgd door een slungelige jongeman die mank liep en een gehavende kist droeg.

‘Iets voor u, vrouwe.’ Laras gebaarde naar de kist. ‘De Amyrlin zelf heeft het als bijgedachte aan uw zending toegevoegd. Iets over een vriend van haar, van vroeger?’

‘Het is Martrim Cautons tobak,’ zei Faile grimassend. ‘Toen hij ontdekte dat de Amyrlin nog wat Tweewaterse tobak had, wilde hij het met alle geweld van haar kopen.’

‘Tobak, in een tijd als deze.’ Laras schudde haar hoofd en veegde haar handen af aan haar schort. ‘Ik herinner me die jongen nog wel. Dat soort jongens heb ik wel vaker gekend, altijd rondsluipend bij de keukens als een zwerfkat op zoek naar restjes. Iemand zou hem eens iets nuttigs te doen moeten geven.’