Выбрать главу

Een ogenblik later klapte de Poort dicht.

Faile hijgde toen Mandevwin haar neerzette. Ze staarde naar de plek waar de Poort was geweest.

Eindelijk drongen zijn woorden tot haar door. Het kan me niet schelen waar hij heen leidt... Hij had iets gezien wat zij, in haar paniek om iedereen in veiligheid te brengen, niet had opgemerkt.

De Poort had hen niet naar de Akker van Merrilor gebracht.

‘Waar...’ fluisterde Faile. Ze sloot zich aan bij de anderen, die uitkeken over het verschrikkelijke landschap. Een verzengende hitte, planten met donkere vlekken, een vieze stank in de lucht.

Ze waren in de Verwording.

Aviendha kauwde op haar rantsoenen, taaie rolletjes tarwe vermengd met honing. Ze smaakten goed. De nabijheid van Rhand betekende dat hun voedsel niet langer bedierf.

Ze reikte naar haar waterbuidel, maar toen aarzelde ze. Ze dronk de laatste tijd veel water. Maar zelden dacht ze nog aan de waarde ervan. Was ze de lessen die ze had geleerd tijdens haar terugkeer naar het Drievoudige Land en haar bezoek aan Rhuidean nu alweer vergeten?

Licht, dacht ze, en ze zette de buidel aan haar lippen. Wat maakt het uit? Dit is de Laatste Slag!

Ze zat op de vloer van een grote Aieltent in de vallei van Thakan’dar. Melaine zat naast haar met haar eigen rantsoenen. De vrouw zou haar tweeling nu bijna ter wereld brengen, en haar buik was dik onder haar gewaad en stola. Net zozeer als een Speervrouwe niet mocht vechten als ze zwanger was, mocht Melaine ook geen gevaarlijke dingen doen. Ze was vrijwillig bij Berelains plaats van Heling in Mayene gaan werken, maar ze hield zich regelmatig op de hoogte van het verloop van de strijd. Veel van de gai’shain waren door Poorten gekomen om te helpen waar ze konden, hoewel ze alleen water of aarde konden dragen voor de verdedigingswallen die Ituralde liet bouwen.

Verderop zat een groep Speervrouwen te eten, kletsend in de handtaal. Aviendha had kunnen meeluisteren, maar dat deed ze niet. Dan zou ze alleen maar gaan verlangen dat ze zich bij hen kon aansluiten. Ze was een Wijze geworden en had haar oude leven opgegeven, maar dat betekende nog niet dat ze nu geheel vrij was van afgunst. Ze veegde haar houten kom schoon, stopte hem in haar ransel, stond op en glipte de tent uit.

Buiten was het koel. Het was ongeveer een uur voor zonsopgang en het voelde hier bijna zoals in het Drievoudige Land bij nacht. Aviendha keek naar de berg die boven de vallei uittorende. Ondanks het duister van de vroege ochtend zag ze de ingang van de grot.

Het was nu vijf dagen geleden dat Rhand naar binnen was gegaan. Ituralde was de vorige avond het kamp binnen komen lopen. Hij had het verhaal opgehangen dat hij was tegengehouden door wolven en een man, die beweerde dat Perijn Aybara hem had gestuurd om de grote kapitein te ontvoeren. Ituralde was in hechtenis genomen, maar hij had niet geklaagd.

De Trolloks hadden de vallei de hele dag nog niet aangevallen. De verdedigers hielden nog altijd stand in de pas. De Schaduw leek op iets te wachten. Hopelijk niet weer een aanval van Myrddraal. De laatste had bijna hun verzet gebroken. Aviendha had de geleiders verzameld zodra de Ooglozen waren verschenen, maar die hadden kennelijk in de gaten dat het onverstandig was om zichzelf in grote aantallen bloot te geven. De Myrddraal waren teruggevlucht naar de veiligheid van de pas zodra het geleiden begon.

Hoe dan ook, Aviendha was dankbaar voor dit zeldzame ogenblik van rust tussen de gevechten. Ze staarde naar die opening in de berg, waar Rhand vocht. Er kwam een sterke puls van diep daarbinnen. Ze voelde dat er werd geleid, in golven, heel sterk. Vijf dagen buiten, maar hoe lang binnen? Een dag? Uren? Minuten? Speervrouwen die het pad naar de ingang bewaakten, meldden dat als ze na slechts vier uur van wachtdienst het pad weer af kwamen, ze ontdekten dat er acht uur waren verstreken.

We moeten standhouden, dacht Aviendha. We moeten vechten. Hem zo veel mogelijk tijd geven.

Ze wist in ieder geval dat hij nog leefde. Ze voelde het. En zijn pijn.

Ze wendde haar blik af.

Terwijl ze dat deed, merkte ze iets op. Er geleidde een vrouw in het kamp. Het was zwak, maar Aviendha fronste haar voorhoofd. Op dit uur, terwijl er niet werd gevochten, zou er alleen nog geleid moeten worden op het Reisterrein, maar dit kwam van de andere kant.

Mompelend liep ze door het kamp. Het was waarschijnlijk weer een van de windvindsters. Ze werkten om beurten mee in de groep die met behulp van de Schaal der Winden doorlopend bezig was om de storm op afstand te houden. Die taak werd uitgevoerd boven op de valleiwand ten noorden van hen, onder bewaking van een grote groep leden van het Zeevolk. Ze moesten er met Poorten naartoe om elkaar af te lossen.

Als de windvindsters niet aan het werk waren met de Schaal, kampeerden ze bij de rest van het leger. Aviendha had hun al zo vaak verteld dat ze in de vallei niét mochten geleiden zonder goede reden. Je zou denken, na al die jaren waarin ze hun krachten verborgen hadden gehouden voor de Aes Sedai, dat ze zich beter zouden kunnen beheersen! Als Aviendha weer een windvindster betrapte op het gebruik van de Ene Kracht om thee te zetten, zou ze haar naar Sorilea sturen voor een lesje. Dit moest een veilig kamp zijn.

Aviendha verstijfde. Het kwam mét van de kleine kring van tenten waar de windvindsters sliepen.

Had ze misschien een indringer betrapt? Een Gruwheer of Verzaker zou waarschijnlijk aannemen dat in een zo groot kamp vol Aes Sedai, windvindsters en Wijzen niemand het zou merken als er hier en daar een klein beetje werd geleid. Aviendha dook ineen bij een tent, buiten de kring van licht van een lantaarn op een paal. Het geleiden begon weer, heel zwak. Ze sloop naar voren.

Als dit toch iemand blijkt te zijn die water opwarmt voor een bad...

Ze sloop tussen de tenten door, over de harde aarde. Toen ze dichterbij kwam, deed ze haar laarzen uit en liet ze staan, en toen trok ze haar dolk uit de schede. Ze kon de Bron niet omhelzen, anders zou ze zichzelf verraden aan haar prooi.

Het kamp was niet echt in slaap. De strijders die niet aan het werk waren, hadden moeite om hier te slapen en de vermoeidheid, ook bij de Speervrouwen, begon een probleem te worden. Ze klaagden over verschrikkelijke nachtmerries.

Aviendha sloop op geruisloze voeten verder, glipte tussen tenten door en ontweek de tenten waar licht brandde. Deze plek was verontrustend voor hen allemaal, dus was ze niet verbaasd over nare dromen te horen. Hoe zouden ze rustig kunnen slapen, zo dicht bij het verblijf van de Duistere?

Logisch bezien wist ze dat de Duistere niet vlakbij was, niet echt. Dat was niet wat de Bres was. Hij wóónde hier niet. Hij bestond buiten het Patroon, in zijn kerker. Toch was het als je hier ging slapen net zoiets als proberen te slapen met een moordenaar naast je bed, die met een mes in zijn hand naar je stond te kijken.

Daar, dacht ze, en ze vertraagde. Het geleiden hield op, maar Aviendha was vlakbij. Na aanvallen van Draghkar en vanwege het gevaar dat Myrddraal hier ’s nachts zouden kunnen binnenglippen, hadden de kampleiders de officiers door het kamp verspreid, in tenten waaraan niet te zien viel welke van een bevelhebber was en welke van een gewone voetsoldaat. Maar Aviendha wist dat dit de tent was van Darlin Sisnera.

Darlin had het bevel over dit slagveld gekregen nu Ituralde was gevallen. Hij was geen generaal, maar het Tyreense leger vormde het overgrote deel van de verdediging, met de Verdedigers van de Steen als elite-eenheden. Hun bevelhebber, Tihera, was een bekwaam tacticus, en Darlin luisterde goed naar de voorstellen van die man. Tihera was geen grote kapitein, maar hij was heel slim. Hij, Darlin en Rhuarc hadden hun strategieën opgesteld na Ituraldes val...

In de duisternis zag Aviendha bijna de drie gestalten over het hoofd die ineengedoken vlak voor Darlins tent zaten. Ze gebaarden zwijgend naar elkaar en Aviendha kon weinig van hen zien, zelfs niet hun kleding. Ze hief haar mes al, maar toen spleet een bliksemschicht de hemel en kon ze een van hen beter bekijken. De man droeg een sluier. Aiel.

Zij hebben de indringer ook opgemerkt, dacht ze, terwijl ze naar hen toe sloop en haar hand hief om te zorgen dat ze haar niet aanvielen. Ze fluisterde: ‘Ik voelde iemand geleiden, en ik denk niet dat het iemand van ons is. Wat hebben jullie gezien?’