Выбрать главу

De drie mannen keken in stomme verbazing op, hoewel Aviendha niet veel van hun gezichten kon zien.

Toen vielen ze haar aan.

Aviendha vloekte en sprong achteruit toen hun speren naar voren kwamen en een van hen een mes naar haar toe gooide. Aielse Duistervrienden? Wat was ze toch een dwaas. Ze had beter moeten weten.

Ze bereidde zich voor om de Bron te omhelzen. Als er een vrouwelijke Gruwheer in de buurt was, zou die voelen wat Aviendha deed, maar daar viel niets aan te doen. Ze moest deze drie mannen overleven.

Maar toen Aviendha naar de Ene Kracht reikte, sprong er iets tussen haar en de Bron in. Een schild, gemaakt met wevingen die ze niet kon zien.

Een van deze mannen kon geleiden! Aviendha’s reactie was instinctief. Ze duwde haar paniek weg, staakte haar wanhopige pogingen om de Bron te bereiken en sprong op de dichtstbijzijnde man af. Ze sloeg zijn speer opzij met haar ene hand – en negeerde de pijn toen de speerpunt langs haar ribben schampte en trok hem naar voren om haar mes in zijn nek te steken.

Een van de andere twee vloekte, en ineens werd Aviendha in wevingen van Lucht gewikkeld en kon ze niet meer praten of zich verroeren. Bloed trok in haar hemd en stroomde langs haar gewonde zij. De man die ze had gestoken, lag hijgend en stuiptrekkend op de grond te sterven. De andere twee maakten geen aanstalten om hem te helpen.

Een van de Duistervrienden stapte soepel naar voren, bijna onzichtbaar in het donker. Hij bracht zijn gezicht heel dicht bij haar en wuifde toen met zijn hand. Er verscheen een zacht licht naast hem, waardoor ze haar beter konden bekijken, en zij hen. Ze droegen róde sluiers, maar deze man had zijn sluier omlaag gedaan voor het gevecht. Waarom? Wat was dit? Geen enkele Aiel die zij kende, zou dat doen. Waren dit Shaido? Hadden ze zich bij de Schaduw geschaard?

Een van de mannen maakte een paar gebaren tegen de anderen. Het was handtaal. Niet de handtaal van de Speervrouwen, maar iets wat erop leek. De andere man knikte.

Aviendha verzette zich tegen haar onzichtbare boeien. Ze beukte met haar wilskracht tegen het schild, knauwde op de prop van Lucht in haar mond. De rechter Aiel – de langste van de twee, waarschijnlijk degene die haar schild in stand hield – gromde. Ze had het gevoel dat ze met haar vingertoppen aan de rand van een bijna dichte deur peuterde, met licht, warmte en kracht aan de andere kant. Maar die deur gaf geen duimbreed mee.

De lange Aiel kneep zijn ogen tot spleetjes. Hij liet het licht dat hij had opgeroepen uitgaan en ze werden weer in duisternis gedompeld. Aviendha hoorde hem een speer pakken.

Er klonk een voetstap vlakbij. De roodsluiers hoorden het ook en draaiden zich met een ruk om. Aviendha tuurde uit alle macht, maar ze kon niet zien wie eraan kwam.

De mannen bleven doodstil staan.

‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg een vrouwenstem. Cadsuane. Ze stapte met een lantaarn in haar hand naar voren. Aviendha ging met een ruk achteruit toen de man die haar wevingen vasthield haar in de schaduwen trok, en Cadsuane scheen haar niet te zien. Cadsuane zag alleen de andere man, die dichter bij het pad stond.

De Aielman stapte uit de schaduwen tevoorschijn. Hij had zijn sluier ook laten zakken. ‘Ik dacht iets te horen bij de tenten hier, Aes Sedai,’ zei hij. Hij had een vreemde tongval, die niet helemaal klopte. Een heel klein beetje. Een natlander zou het verschil niet horen.

Dit zijn geen Aiel, dacht Aviendha. Ze zijn iets anders. Haar geest had moeite met die gedachte. Aiel die geen Aiel waren? Mannen die konden geleiden?

De mannen die wij hebben weggestuurd, besefte ze met afgrijzen. Als er onder de Aiel mannen werden ontdekt met het vermogen om te geleiden, werden ze weggestuurd om te proberen de Duistere te doden. Ze gingen in hun eentje naar de Verwording. Niemand wist wat er daarna met hen gebeurde.

Aviendha begon zich weer te verzetten en probeerde geluid te maken – wat voor geluid dan ook – om Cadsuane te waarschuwen. Haar pogingen haalden niets uit. Ze hing stevig in de lucht, in het donker, en Cadsuane keek haar kant niet op.

‘En, heb je iets gevonden?’ vroeg Cadsuane aan de man.

‘Nee, Aes Sedai.’

‘Ik zal met de wachters gaan praten,’ zei Cadsuane op ontevreden toon. ‘We moeten waakzaam zijn. Als een Draghkar – of erger nog, een Myrddraal – hier naar binnen zou glippen, zou hij tientallen mensen kunnen doden voordat hij werd ontdekt.’

Cadsuane draaide zich om om te gaan. Aviendha schudde haar hoofd en tranen van frustratie sprongen in haar ogen. Zo dichtbij!

De roodsluier die met Cadsuane had gepraat, stapte de schaduwen weer in en kwam naar Aviendha toe. Bij een bliksemflits zag ze een glimlach om zijn lippen, net als bij de man die haar nog altijd vasthield.

De roodsluier haalde een dolk achter zijn riem vandaan, en ze keek er hulpeloos naar toen hij het mes naar haar keel bracht.

Ze voelde iemand geleiden.

Meteen waren de boeien die haar vasthielden verdwenen en viel ze op de grond. Aviendha pakte de meshand van de man terwijl ze viel, en zijn ogen werden groot. Hoewel ze de Bron omhelsde vanuit een rauw, waanzinnig instinct, waren haar handen al in beweging gekomen. Ze verdraaide zijn pols en brak zijn botten. Met haar andere hand greep ze zijn mes en stak het in zijn oog zodra hij begon te schreeuwen van pijn.

De schreeuw brak af. De roodsluier viel aan haar voeten, en ze keek ongerust naar de man naast haar, die haar had vastgehouden met wevingen. Hij lag dood op de grond.

Hijgend rende ze naar het pad terug en zag Cadsuane daar staan.

‘Het is heel eenvoudig om het hart van een man te laten stilstaan,’ zei Cadsuane met haar armen over elkaar geslagen. Ze oogde nors. ‘Het lijkt veel op Heling, en toch is het gevolg het tegenovergestelde.

Misschien is het wel iets kwaadaardigs, maar ik zie niet in waarom het erger zou zijn dan simpelweg iemand tot as verbranden met Vuur.’

‘Hoe?’ vroeg Aviendha. ‘Hoe wist je wat die twee waren?’

‘Ik ben geen half opgeleide wilder,’ antwoordde Cadsuane. ‘Ik had ze het liefst meteen willen uitschakelen toen ik aankwam, maar ik moest zekerheid hebben voordat ik iets kon doen. Toen die ene je met dat mes bedreigde, wist ik het.’

Aviendha ademde een paar keer diep in en uit en probeerde haar hartslag te laten bedaren.

‘En dan was er natuurlijk nog die andere,’ zei Cadsuane. ‘Die geleidde. Hoeveel mannelijke Aielstrijders kunnen in het geheim geleiden? Was dit een anomalie, of heeft je volk hen verborgen?’

‘Wat? Nee! Dat doen we niet. Of althans, dat deden we niet.’ Aviendha wist niet zeker wat ze zouden gaan doen nu de Bron was gereinigd. Er zouden nu geen mannen meer in hun eentje moeten worden weggestuurd om tot de dood tegen de Duistere te strijden. ‘Weet je het zeker?’ vroeg Cadsuane op vlakke toon.

‘Ja!’

‘Jammer. Dat zou ons nu groot voordeel hebben kunnen opleveren.’ Cadsuane schudde haar hoofd. ‘Ik zou er niet eens verbaasd over zijn geweest, na de ontdekking van die windvindsters. Dus dit waren gewoon doorsnee Duistervrienden, en een van hen had zijn vermogen om te geleiden verborgen gehouden? Wat deden ze hier?’ ‘Dit zijn allesbehalve doorsnee Duistervrienden,’ zei Aviendha zachtjes, terwijl ze de lijken bekeek. Rode sluiers. De mannelijke geleider had tanden die tot punten waren gevijld, maar de andere twee niet. Wat betekende dat?

‘We moeten het kamp waarschuwen,’ vervolgde Aviendha. ‘Het is mogelijk dat deze drie gewoon naar binnen zijn gelopen. Veel natlanderwachters houden geen Aiel staande. Ze gaan ervan uit dat we allemaal de Car’a’carn dienen.’

Voor veel natlanders was een Aiel een Aiel. Dwazen. Maar... om eerlijk te zijn had Aviendha bij het zien van de Aiel ook meteen gedacht dat het bondgenoten waren. Wanneer was dat veranderd? Nog geen twee jaar geleden zou ze meteen hebben aangevallen als ze onbekende algai’d’siswai had zien rondsluipen.