Aviendha ging door met haar inspectie van de dode mannen. Ze hadden ieder een mes, speren en bogen, maar verder niets veelzeggends. Haar gedachten fluisterden haar echter toe dat ze iets over het hoofd zag.
‘De vrouwelijke geleider,’ zei ze ineens, en ze keek op. ‘Ik kwam hiernaartoe omdat ik een vróuw de Ene Kracht voelde gebruiken, Aes Sedai. Was jij dat?’
‘Ik begon pas te geleiden toen ik die man doodde,’ antwoordde Cadsuane.
Aviendha nam een strijdhouding aan en stapte in de schaduwen. Wat zou ze nu weer aantreffen? Wijzen die de Schaduw dienden? Cadsuane keek haar fronsend na terwijl Aviendha verder verkende. Ze kwam langs Darlins tent, waar soldaten buiten om lampen heen zaten en schaduwen wierpen die op het canvas dansten. Ze zag soldaten die in hechte groepen zwijgend over de paden liepen. De mannen droegen fakkels bij zich, waardoor ze niets konden zien in het nachtelijke duister om hen heen.
Aviendha had Tyreense officiers horen zeggen dat het fijn was om zich een keer niet druk te hoeven maken dat hun schildwachten zouden indommelen terwijl ze dienst hadden. Met die bliksems, de trommels van de Trolloks in de verte en af en toe een aanval van Schaduwgebroed dat probeerde het kamp binnen te glippen, wisten de soldaten dat ze op hun hoede moesten zijn. De ijzige lucht rook naar houtvuren, met af en toe een vlaag stank van de Trollok-kampen.
Uiteindelijk gaf ze haar jacht op en liep terug over het pad, waar ze zag dat Cadsuane stond te praten met een groepje soldaten. Aviendha wilde net naar haar toe lopen, toen haar een donkere vlek opviel. Meteen werd ze alert. Die donkere vlek is aan het geleiden.
Aviendha weefde snel een schild. De persoon in het donker riep Vuur en Lucht op en stuurde het op Cadsuane af. Aviendha liet haar weving los en haalde in plaats daarvan uit met Geest, waarmee ze de vijandelijke weving doorhakte op het ogenblik dat hij werd vrijgegeven.
Aviendha hoorde een vloek, en een snelle weving van Vuur kwam haar kant op. Ze hurkte neer toen hij over haar heen schoot, sissend in de koude lucht. Haar vijand dook op uit de schaduwen – de weving die ze had gebruikt om zich te verstoppen was verdwenen – en onthulde de vrouw tegen wie Aviendha al eerder had gestreden. Die met het gezicht dat bijna even lelijk was als dat van een Trollok.
De vrouw dook achter een groep tenten, vlak voordat de grond achter haar omhoogbarstte. Die weving was niet van Aviendha gekomen. Een tel later leek de vrouw zich weer in zichzelf op te vouwen, zoals de vorige keer. Ze verdween.
Aviendha stond behoedzaam op. Ze draaide zich om naar Cadsuane, die naar haar toe kwam lopen. ‘Dank je,’ zei de vrouw met tegenzin. ‘Dat je die weving hebt verstoord.’
‘Dan neem ik aan dat we nu gelijk staan,’ zei Aviendha.
‘Gelijk? Nee, dat scheelt nog een paar honderd jaar, kind. Maar ik geef toe dat ik dankbaar ben voor je tussenkomst.’ Ze fronste. ‘Ze is verdwenen.’
‘Dat heeft ze al eerder gedaan.’
‘Een wijze van Reizen die wij niet kennen,’ zei Cadsuane verontrust. ‘Ik heb er geen stromingen van gezien. Misschien een ter’angreaal? Het...’
Een rood licht rees op van het front van hun leger. De Trolloks vielen aan. Tegelijkertijd voelde Aviendha mensen geleiden op verschillende plekken in het kamp. Eén, twee, drie... Ze draaide zich om en probeerde die plekken te bepalen. Ze telde er vijf.
‘Geleiders,’ zei Cadsuane scherp. ‘Het zijn er tientallen.’
‘Tientallen? Ik voel er maar vijf.’
‘De meesten zijn mannen, dom kind,’ zei Cadsuane, wuivend met haar hand. ‘Ga de anderen roepen!’
Aviendha rende weg en sloeg alarm. Ze zou later nog wel woorden hebben met Cadsuane over die bazigheid. Misschien. Als je ‘woorden had’ met Cadsuane, bleef je vaak met het gevoel zitten dat je een volslagen stommeling was. Toen ze het Aielgedeelte van het kamp bereikte, zag ze dat Amys en Sorilea hun stola’s omdeden en naar de lucht keken.
Flin kwam net een tent uit strompelen en knipperde met slaperige ogen. ‘Mannelijke geleiders?’ vroeg hij. ‘Zijn er nog meer Asha’man aangekomen?’
‘Onwaarschijnlijk,’ antwoordde Aviendha. ‘Amys, Sorilea, ik heb een cirkel nodig.’
Ze trokken hun wenkbrauwen naar haar op. Aviendha was dan misschien nu een van hen, en ze mocht dan de zegen van de Car’a’carn hebben om hen te leiden, maar als ze Sorilea daaraan herinnerde, zou Aviendha tot haar nek in het zand begraven eindigen. ‘Alsjeblieft,’ voegde ze er snel aan toe.
‘Zeg het maar, Aviendha,’ zei Sorilea. ‘Ik zal met de anderen gaan praten en ze naar je toe sturen, zodat je je cirkel kunt maken. We moeten er twee maken, denk ik, zoals je al eerder hebt voorgesteld. Dat lijkt me het beste.’
Ze is al net zo koppig als Cadsuane, dacht Aviendha. Samen konden die twee vrouwen bomen nog iets over geduld leren. Toch was Sorilea niet sterk in de Kracht – in feite kon ze amper geleiden – dus zou het inderdaad verstandiger zijn om andere vrouwen voor de cirkel in te zetten.
Sorilea begon de andere Wijzen en Aes Sedai te roepen. Aviendha wachtte ongerust af. Nu al hoorde ze geschreeuw en ontploffingen in de vallei. Strepen van vuur schoten door de lucht en bogen omlaag.
‘Sorilea,’ zei Aviendha zacht. Ze stapte achter de oudere Wijze terwijl de vrouwen de cirkels begonnen te vormen. ‘Ik ben net in het kamp aangevallen door drie Aielmannen. De strijd die nu uitbreekt, daar zullen waarschijnlijk nog meer Aiel bij zijn die voor de Schaduw vechten.’
Sorilea draaide zich scherp om en keek Aviendha in de ogen. ‘Leg uit.’
‘Ik denk dat het de mannen zijn die we hebben weggestuurd om Zichtzieder te doden,’ verklaarde Aviendha.
Sorilea siste zachtjes. ‘Als dat waar is, kind, dan zal deze nacht ons allemaal veel toh opleveren. Toh jegens de Car’a’carn, toh jegens het land zelf.’
‘Ik weet het.’
‘Hou me op de hoogte,’ zei Sorilea. ‘Ik zal een derde cirkel regelen, misschien met een paar windvindsters erbij.’
Aviendha knikte en nam de leiding over de cirkel toen die haar werd aangeboden. Ze had drie Aes Sedai die trouw hadden gezworen aan Rhand en twee Wijzen. Op haar bevel sloot Flin zich niet bij de cirkel aan. Ze wilde dat hij bleef uitkijken naar mannen die geleidden, zodat hij hen in de juiste richting kon wijzen. Als hij deel uitmaakte van een cirkel kon hij daarvan worden afgeleid.
Ze kwamen in beweging als een groep speerzusters. Ze liepen langs groepen Tyreense Verdedigers die gepoetste borstplaten over uniformen met wijde, gestreepte mouwen aantrokken. Bij een van de groepen stond koning Darlin bevelen te brullen.
‘Ogenblikje,’ zei Aviendha tegen de anderen, en ze haastte zich naar de Tyrener toe.
‘... ze allemaal!’ zei Darlin tegen zijn bevelvoerders. ‘Laat de voorhoede niét verzwakken! We mogen die monsters niet de vallei in laten komen!’ Het leek erop dat hij uit zijn slaap was gewekt door de aanval, want hij droeg alleen een broek en een wit onderhemd. Een verfomfaaide dienaar hield Darlins jas voor hem omhoog, maar de koning, afgeleid door een boodschapper, draaide zich om.
Toen Darlin Aviendha zag, wenkte hij haar dringend dichterbij. De bediende slaakte een zucht en liet de jas zakken.
‘Ik dacht dat ze vannacht niet meer zouden aanvallen,’ zei Darlin niet een blik op de hemel. ‘Of eigenlijk vanochtend. De verkenners-verslagen zijn zo verwarrend, ik heb het gevoel dat ik in een hok vol kippen ben gegooid en die ene met één zwarte veer moet vangen.’
‘Die verslagen,’ zei Aviendha, ‘werd daarin iets genoemd over Aielmannen, vechtend voor de Schaduw? Die mogelijk zelfs geleidden?’
Darlin draaide zich met een ruk om. ‘Is het waar?’
‘Ja.’
‘En de Trolloks werpen alles in de strijd om zich een weg de vallei in te banen,’ zei Darlin. ‘Als die Aielse Gruwheren onze troepen gaan aanvallen, maken we geen schijn van kans zonder dat jullie ze op afstand houden.’
‘We komen al,’ zei Aviendha. ‘Laat Amys en Cadsuane Poorten maken. Maar ik moet u waarschuwen. Ik heb een Gruwheer om uw tent heen zien sluipen...’
Darlin verbleekte. ‘Net als Ituralde... Licht, ze hebben me niet aangeraakt. Ik zweer het. Ik...’ Hij drukte zijn hand tegen zijn hoofd. ‘Wie kunnen we nog vertrouwen als we onze eigen geest niet eens meer kunnen vertrouwen?’