Выбрать главу

‘We moeten de dans van de speren zo eenvoudig mogelijk houden,’ zei Aviendha. ‘Ga naar Rhuarc, verzamel uw leiders. Bereid voor hoe jullie het samen tegen de Schaduw zullen opnemen, laat niet één man de strijd bepalen en leg jullie strategieën onveranderlijk vast.’

‘Dat zou een ramp kunnen worden,’ zei Darlin. ‘Als we niet flexibel zijn...’

‘Wat valt er te veranderen?’ vroeg Aviendha grimmig. ‘We houden stand. Met alles wat we hebben, houden we stand. We trekken ons niet terug. We proberen geen slimme trucs. We houden gewoon stand.’

Darlin knikte. ‘Ik zal Poorten regelen om Speervrouwen boven op die hellingen te zetten. Zij kunnen de Trolloks uitschakelen die pijlen op onze jongens afschieten. Kun jij je om de vijandelijke geleiders bekommeren?’

‘Ja.’

Aviendha keerde terug naar haar groep en begon te putten uit hun kracht. Hoe meer van de Ene Kracht je vasthield, hoe moeilijker het voor een ander was om je af te snijden van de Ware Bron. Ze nam zich voor om zoveel Kracht vast te houden dat geen man haar ervan zou kunnen scheiden.

Machteloosheid. Ze haatte het om zich machteloos te voelen. Ze liet de woede over wat haar was aangedaan door haar heen razen en leidde haar groep naar de dichtstbijzijnde bron van mannelijk geleiden die Flin kon aanwijzen.

34

Zweven

Rhand stond op een plek die niet was.

Een plek buiten de tijd, buiten het Patroon zelf.

Overal rondom spreidde zich een uitgestrekt niets uit. Vraatzuchtig en hongerig verlangde het ernaar te vreten. Hij zag het Patroon daadwerkelijk. Het leken wel duizenden en nog eens duizenden kronkelende linten van licht. Ze draaiden om hem heen, boven hem, golvend en fonkelend, in elkaar vervlochten. Althans, zo besloot zijn geest het te interpreteren.

Alles wat ooit was geweest, alles wat ooit kon zijn, alles wat had kunnen zijn... het lag allemaal hier voor hem.

Rhand kon het niet bevatten. Het zwart eromheen zoog aan hem, trok hem naar zich toe. Hij reikte naar het Patroon en wist zich eraan te verankeren om niet te worden opgeslokt.

Dat veranderde zijn gezichtspunt. Het vergrendelde hem, enigszins, in een bepaalde tijd. Het Patroon rimpelde, en Rhand keek toe terwijl het werd geweven. Het was niet echt een Patroon, wist hij, maar zo zag zijn geest het. Vertrouwd, zoals het was beschreven, met draden van leven die zich door elkaar heen weefden.

Rand verankerde zich weer in de werkelijkheid en bewoog erin mee. De tijd had weer betekenis, en hij kon niet voor of achter zich kijken. Hij zag nog steeds wel alle plekken alsof hij van bovenaf op een draaiende wereldbol neerkeek.

Rhand keek in de leegte. ‘Zo,’ zei hij. ‘Dus dit is waar het feitelijk gaat gebeuren. Mondin wilde me laten geloven dat een eenvoudig zwaardgevecht dit allemaal zou beslissen.’

HIJ IS VAN MIJ. MAAR ZIJN OGEN ZIJN KLEIN.

‘Ja,’ zei Rhand. ‘Dat had ik ook al opgemerkt.’

KLEIN GEREEDSCHAP KAN OOK NUTTIG ZIJN. HET DUNSTE MES KAN EEN HART LATEN STILSTAAN. HIJ HEEFT JE HIER GEBRACHT, TEGENSTANDER.

Dit was allemaal de vorige keer niet gebeurd, toen Rhand de naam Lews Therin had gedragen. Hij kon dat alleen maar opvatten als een goed teken.

Nu begon de strijd pas echt. Hij keek in het niets en voelde het opwellen. Toen, als een plotselinge storm, zette de Duistere al zijn kracht tegen Rhand in.

Perijn viel achterover tegen een boom en hijgde van pijn. Slachters pijl had zijn schouder doorboord, en de pijlpunt stak uit zijn rug. Hij durfde hem er niet uit te trekken, niet met...

Hij aarzelde. Zijn gedachten waren traag. Waar was hij? Hij had zich zo ver mogelijk bij Slachter weg verplaatst, maar... hij herkende deze plek niet. De bomen hadden een vreemde vorm en te veel bladeren, en ze waren van een soort die hij nog nooit had gezien. De storm was hier ook, maar een stuk zwakker.

Perijn gleed uit en belandde met een grom op de grond. Er trok een pijnscheut door zijn schouder. Hij rolde om en staarde op naar de lucht. Bij de val had hij de pijl gebroken.

Dit is... dit is de wolfsdroom. Ik kan die pijl gewoon laten verdwijnen.

Hij probeerde de kracht te verzamelen om dat te doen, maar hij was te zwak. Toen hij merkte dat hij zweefde, tastte hij met zijn gedachten om zich heen op zoek naar wolven. Hij vond er een paar, die schrik en verbazing terugstuurden.

Een tweepoter die kan praten? Wat is dit? Wat ben jij?

Zijn aard leek de dieren angst aan te jagen, en ze duwden hem uit hun geest. Hoe konden ze nou niet weten wat hij was? Wolven hadden lange, lange geheugens. Ze moesten toch vast... toch vast...

Faile, dacht hij. Zo mooi, zo slim. Ik zou naar haar toe moeten gaan. Ik moet alleen maar... moet alleen maar die saidinpoort sluiten... en dan kan ik terug naar Tweewater, naar haar...

Perijn rolde om en werkte zich op zijn knieën. Was dat zijn bloed op de grond? Zoveel rood. Hij keek er met dikke ogen naar.

‘Daar ben je,’ zei een stem.

Lanfir. Hij keek haar met wazige ogen aan.

‘Dus hij heeft je verslagen,’ zei ze, en ze sloeg haar armen over elkaar. ‘Teleurstellend. Ik wilde hem niet kiezen. Ik vind jou veel aantrekkelijker, wolf.’

‘Alsjeblieft,’ kraste hij.

‘Ik kom in de verleiding, al zou ik dat niet moeten doen,’ zei ze. ‘Je hebt bewezen dat je zwak bent.’

‘Ik... Ik kan hem verslaan.’ Ineens werd Perijn verpletterd door de schande dat hij in haar ogen had gefaald. Sinds wanneer maakte hij zich er druk om wat Lanfir van hem vond? Hij zou het niet weten.

Ze tikte met haar vinger op haar arm.

‘Alsjeblieft...’ zei Perijn, die zijn hand hief. ‘Alsjeblieft.’

‘Nee,’ antwoordde ze, en ze wendde zich af. ‘Ik heb geleerd dat het dom is om mijn hart in te zetten op iemand die het niet verdient. Vaarwel, wolfsjong.’

Ze verdween, en Perijn bleef op handen en knieën op deze vreemde plek achter.

Faile, zei een deel van zijn geest. Maak je geen zorgen om Lanfir. Je moet naar Faile.

Ja... Ja, hij kon toch wel naar haar toe? Waar was ze? De Akker van Merrilor. Daar had hij haar achtergelaten. Daar zou ze zijn. Hij verplaatste zich daarheen zodra hij zich voldoende had hersteld. Maar natuurlijk was ze daar niet. Hij was immers in de wolfsdroom.

De Poort die Rhand zou laten openen. Die zou hier zijn. Hij moest er alleen naartoe komen. Hij moest... Hij moest...

Hij viel weer op de grond en rolde zich op zijn rug, zwevend in het niets. Zijn zicht werd duister terwijl hij opstaarde naar de kolkende hemel. In ieder geval... in ieder geval ben ik er voor Rhand geweest, dacht Perijn.

De wolven konden Shayol Ghul nu toch wel aan deze kant verdedigen? Zij konden Rhand bewaken... Het zou wel moeten.

Faile porde met een tak in hun karige kookvuurtje. Het was donker geworden en het vuur gloeide met een zwak rood licht. Ze hadden het niet groter durven maken. Er slopen dodelijke wezens rond in de Verwording. Trolloks waren nog maar de minste van de gevaren hier.

Het stonk hier verschrikkelijk, en Faile vermoedde achter elk zwartgestippeld struikje een lijk te kunnen aantreffen. De grond barstte als ze een stap zette en de droge aarde brak op onder haar laarzen alsof het hier al eeuwen niet meer had geregend. Terwijl ze in het kamp zat, zag ze boven de omtrek van een boomgroepje een verzameling zickolijk groene lichtjes – als een zwerm gloeiende insecten – voorbij komen. Ze had voldoende over de Verwording gehoord om haar adem in te houden tot ze weer weg waren. Ze wist niet wat dat voor dingen waren, en dat wilde ze ook niet weten.

Zij en haar groep hadden een kort stukje gelopen en toen deze plek voor hun kamp gevonden. Onderweg was één karavaanarbeider omgekomen door een tak, en een andere doordat hij in een modderpoel was gaan staan. Zijn hele been was erin opgelost, hij had spetters in zijn gezicht gekregen en was schreeuwend en stuiptrekkend gestorven.