Haar raadgevers liepen naar hun dekenrollen en Mandevwin ging kijken bij de mannen die op wacht stonden. Faile bleef naar de sintels van het vuur zitten staren, met een misselijk gevoel.
Iemand heeft Berisha vermoord, dacht ze. Ik ben ervan overtuigd. De plek waar de Poort uitkwam had echt een ongeluk kunnen zijn. Ongelukken gebeurden nu eenmaal, zelfs bij Aes Sedai, ongeacht wat Setalle dacht. Maar als er een Duistervriend bij de karavaan was, iemand die door de opening was gedoken en had gezien dat die naar de Verwording leidde, dan kon diegene hebben besloten om Berisha te vermoorden, zodat de Hoorn en de karavaan hier vastzaten. ‘Setalle,’ zei Faile toen de vrouw langskwam, ‘een woordje.’ Setalle kwam met een uitgestreken gezicht naast Faile zitten. ‘Ik weet wat je gaat vragen.’
‘Hoe lang is het geleden,’ vroeg Faile, ‘dat je in de Witte Toren was?’
‘Tientallen jaren alweer.’
‘Kun je een Poort maken?’
Setalle lachte. ‘Kind, ik kan nog geen kaars aansteken. Ik ben opgebrand tijdens een ongeluk. Ik heb de Ene Kracht al meer dan vijfentwintig jaar niet meer vastgehouden.’
‘Ik begrijp het,’ zei Faile. ‘Dank je.’
Setalle liep weg, en Faile dacht na. Hoe waar was dat verhaal? Setalle was heel hulpvaardig geweest in hun tijd samen, en Faile kon die vrouw niet kwalijk nemen dat ze haar banden met de Witte Toren geheim had gehouden. In alle andere omstandigheden zou Faile geen ogenblik aan haar verhaal hebben getwijfeld.
Maar hier had ze geen enkele mogelijkheid om dat verhaal te bevestigen. Als Setalle lid was van de Zwarte Ajah, dan kon haar verhaal dat ze opgebrand was niet meer zijn dan dat: een verhaaltje. Misschien kon ze nog steeds geleiden. Of misschien ook niet, omdat ze voor straf was gesust. Kon deze vrouw een ontsnapte gevangene van de gevaarlijkste soort zijn, een agent die tientallen jaren had gewacht op het juiste ogenblik om toe te slaan?
Setalle was degene die had voorgesteld om naar Shayol Ghul te gaan. Wilde ze de Hoorn naar haar meester brengen?
Met een kil gevoel stapte Faile haar tent binnen, waar enkele leden van Cha Faile de wacht hielden. Faile wikkelde zichzelf in haar deken. Ze wist dat ze overdreven argwanend was. Maar wat moest ze anders, onder deze omstandigheden?
Licht, dacht ze. De Hoorn van Valere, verloren in de Verwording. Een nachtmerrie.
Met haar angreaal in de hand, de schildpadspeld die Elayne haar had gegeven, zakte Aviendha op haar knie naast het smeulende lijk. Ze ademde door haar mond terwijl ze het gezicht van de man bekeek.
Er was een verrassend aantal van die roodsluiers. Waar ze ook vandaan kwamen, het waren géén Aiel. Ze volgden ji’e’toh niet. Tijdens de gevechten van die nacht had ze twee Speervrouwen gezien die een man gevangennamen. Hij had zich aanvankelijk gedragen als een gai’shain, maar toen had hij een van hen in de rug gestoken met een verborgen mes.
‘Nou?’ vroeg Sarene ademloos. Terwijl de mensen op de Akker van Merrilor uitrustten en zich voorbereidden op de komende beproeving, ging de strijd bij Shayol Ghul door. De aanval van de roodsluiers had de hele nacht, de volgende dag, en nu weer tot in de nacht geduurd.
‘Ik geloof dat ik hem heb gekend,’ zei Aviendha verontrust. ‘Hij geleidde voor het eerst toen ik nog een kind was, liet algode groeien waar dat eigenlijk niet kon.’ Ze liet de sluier voor zijn gezicht vallen. ‘Hij heette Soro. Hij was aardig tegen me. Ik heb hem zelf bij zonsondergang over de droge grond zien wegrennen nadat hij had gezworen Zichtzieder in zijn oog te spugen.’
‘Het spijt me,’ zei Sarene, hoewel er geen medeleven in haar stem doorklonk. Aviendha begon daaraan gewend te raken. Sarene was niet onverschillig, ze liet zich alleen niet door haar gevoelens afleiden. De Aes Sedai zou een uitstekende Speervrouwe zijn geweest.
‘Kom,’ zei Aviendha, die doorliep met haar groep geleiders. Tijdens de dagen en nachten van strijden had Aviendha’s groep zich opgesplitst en waren er een aantal leden gewisseld, zodat de vrouwen konden rusten. Aviendha zelf had overdag een tijdje geslapen.
Ze hadden afgesproken dat degene die de cirkel leidde niet haar eigen kracht zou aanspreken, en daardoor was Aviendha nog vrij sterk, ondanks zoveel uren van vechten. Zo kon ze waakzaam blijven, op jacht. De andere vrouwen werden bronnen van kracht waaruit ze kon putten.
Ze moest wel oppassen dat ze hen niet te veel uitputte. Als je een vrouw vermoeide, kon ze een paar uur slapen en dan weer opstaan om verder te strijden. Maar als je haar volledig uitputte, had je dagenlang niets meer aan haar. Op he|: ogenblik had Aviendha Flin en drie Aes Sedai bij zich. Ze had de weving geleerd waarmee ze het kon voelen als er in de buurt een man geleidde, maar het was nog veel nuttiger om een mannelijke geleider bij zich te hebben.
Flin wees naar enkele uitbarstingen van vuur aan de zijkant van de vallei. Ze renden in die richting, langs lijken en plekken waar de grond smeulde. Dankzij het toenemende licht van de dageraad zag Aviendha door de kille mist dat Darlins troepen de ingang van de vallei nog altijd in handen hadden.
De Trolloks waren opgerukt naar de lage aarden wallen die Ituralde had laten bouwen. Er waren daar aan beide kanten slachtoffers gevallen. De Trolloks hadden veel meer verliezen opgelopen, maar zij waren ook veel talrijker. Een korte blik onthulde dat ze een van de aarden wallen over waren gekomen, maar Domaanse ruiters waren vanuit de reserves aan komen rijden en dreven ze weer achteruit.
Groepen Aiel vochten bij de ingang van de vallei, sommige met rode sluiers, andere met zwarte. Te veel, dacht Aviendha, die haar hand hief om haar groep halt te laten houden. Ze liep vervolgens alleen door, heel stilletjes. Zelfs op een paar honderd pas afstand van de andere vrouwen hml ze nog toegang tot hun kracht.
Ze zocht zich een weg over de kale, rotsachtige bodem van de vallei. Er lagen drie doden rechts van haar, twee ervan met zwarte sluiers. Ze Schouwde ze snel. Ze zou zich niet laten bedotten door een vijand die zich tussen lijken verstopte; een oude truc. Een truc die ze zelf ook had toegepast.
Deze drie waren echt dood, dus liep ze ineengedoken door. Naast de plek waar de Tyreners en Domani de Trolloks tegenhielden, hadden ze nog een tweede groep die hun kamp en het pad naar de grot waar Rhand vocht bewaakte. In de ruimte ertussen liepen groepen Aiel en roodsluiers rond, elk proberend de ander te verslaan. Alleen konden sommige van die roodsluiers geleiden.
De grond verderop bonkte en beefde. Een golf aarde viel uit de lucht. Aviendha dook dieper ineen, maar ze versnelde haar pas.
Een stukje verder renden meer dan tien siswai’aman naar de plek toe waar zich twee roodsluiers bevonden, allebei geleiders. De roodsluiers lieten de aarde onder hun aanvallers omhoogkomen en slingerden ze de lucht in.
Aviendha begreep waarom de Aiel zich niet lieten afschrikken. Die roodsluiers waren een belediging, een misdaad. Zelfs de Seanchanen, die het waagden om Wijzen gevangen te nemen, waren nog niet zo walgelijk als deze mannen. Hoe hij het ook gedaan had, de Schaduw had de moedigste Aiel veranderd in die... die wézens.
Aviendha sloeg snel toe, trok kracht naar binnen door haar angreaal en haar cirkel en weefde twee strepen vuur, die ze op de roodsluiers af smeet. Ze begon meteen met nieuwe wevingen, wierp de grond onder de twee geleiders omhoog en begon met een derde stel wevingen. Ze gooide Vuur naar de roodsluiers toen ze struikelden. Een van hen sprong weg, terwijl de ander werd meegesleept in de uitbarstingen van aarde.
Ze raakte de man die was gevlucht met speren van vuur. Toen gooide ze nog een extra golf kracht over de twee lijken heen, gewoon voor de zekerheid. Die mannen hielden zich niet langer aan ji’e’toh. Het waren geen mensen meer. Het was gewoon onkruid dat uit de grond moest worden getrokken.
Ze sloop verder om te kijken hoe het met de siswai’aman ging. Acht van hen leefden nog, drie van hen waren gewond. Aviendha was niet bijzonder goed met Heling, maar ze kon wel het leven redden van één man, door een wond in zijn keel te sluiten voordat hij doodbloedde. De andere overlevenden verzamelden de gewonden en gingen terug naar het kamp.