Выбрать главу

Aviendha stond bij de twee lijken. Ze besloot er niet al te nauwgezet naar te kijken. Dat ze één man had gezien die ze kende was al erg genoeg. Deze...

Er voer een schokgolf door haar heen en een van haar krachtbronnen verdween. Aviendha slaakte een kreet en draaide zich om. Een tweede verdween.

Ze liet meteen de cirkel los en rende terug naar de plek waar ze de vrouwen had achtergelaten, struikelend te midden van de flitsen en ontploffingen. Aviendha hield vast aan de Ene Kracht, hoewel haar eigen kracht nu deerniswekkend klein leek vergeleken met wat ze net nog tot haar beschikking had gehad.

Ze kwam schuivend tot stilstand voor de smeulende lijken van Kiruna en Faeldrin. De lelijke vrouw die ze eerder had gezien – de vrouw van wie Aviendha er steeds meer van overtuigd raakte dat ze een Verzaker moest zijn – stond daar naar haar te glimlachen. Die verschrikkelijke vrouw had haar hand op Sarenes schouder liggen. De slanke Witte stond met haar gezicht naar de Verzaker gewend en staarde haar met lege, bewonderende ogen aan.

Ze verdwenen allebei plotsklaps, Reizend zonder gebruik te maken van een Poort. Aviendha liet zich op haar knieën bij de doden vallen. Verderop kreunde Damer Flin en hij probeerde zich los te maken uit de omgewoelde aarde. Zijn linkerarm was helemaal verdwenen, weggebrand bij de schouder.

Aviendha vloekte en deed wat ze kon om hem te Helen, hoewel hij wel bewusteloos raakte. Ineens voelde ze zich doodmoe en heel, heel alleen.

35

Een geoefende grijns

Olver miste Wind. Bela – de stevige, ruige merrie waar hij nu op reed – was echt niet slecht. Ze was alleen traag. Olver wist dat omdat hij haar steeds aanspoorde, maar zij gewoon achter de andere paarden aan bleef sjokken. Niets kon haar sneller doen gaan. Olver wilde rijden als een storm. In plaats daarvan reed hij als een stevig houtblok op een kalme rivier.

Hij veegde zijn voorhoofd af. De Verwording was best eng, en de anderen – de meesten zonder paarden – liepen alsof er met elke stap duizend Trolloks boven op hen konden duiken. De overige leden van de karavaan spraken op gedempte toon en keken steeds argwanend naar de heuvels.

Ze kwamen langs een bosje van verweerde bomen met open wonden in de bast, waar hars uit liep. Die hars zag er angstaanjagend rood uit. Het leek wel bloed. Een van de menners van de karavaan liep ernaartoe om het te bekijken.

Lianen schoten vanuit de takken boven hem, lianen die er bruin en dood uitzagen, maar die bewogen als slangen. Voordat Olver een gil kon geven, hing de menner al dood aan de hoogste takken van de boom te bungelen.

De hele rij mensen bleef verstijfd van afgrijzen staan. Boven hen trok de boom de dode man naar binnen door een spleet in de bast. Om hem te verteren. Misschien was die hars wel bloed.

Olver keek geschokt toe.

‘Rustig,’ zei vrouwe Faile, hoewel haar stem een beetje trilde. ‘Ik zei toch dat jullie niet te dicht bij de planten moesten komen! Raak niets aan.’

Ze liepen door in een sombere stoet. Sandip, die verderop reed, mompelde in zichzelf. ‘Dat is de vijftiende. Vijftien doden binnen een paar dagen. Licht! We overleven dit nooit!’

Waren het maar Trolloks! Olver kon niet tegen bomen en insecten vechten. Wie wel? Maar Trolloks, die zou hij kunnen verslaan. Olver had zijn mes, en hij had van Harnan en Silvic het een en ander geleerd over het gebruik ervan. Olver was niet zo groot, maar hij nam aan dat Trolloks hem daardoor zouden onderschatten. Hij kon laag aanvallen en belangrijke delen raken voordat ze wisten wat ze óverkwam.

Hij hield zich dat allemaal voor om te voorkomen dat zijn handen zouden trillen terwijl hij Bela aanspoorde, in de hoop naast vrouwe Faile te kunnen rijden. In de verte hoorde hij een gekrijs alsof er een schepsel aan een vreselijk einde kwam. Olver huiverde. Datzelfde geluid had hij eerder op de dag ook gehoord. Klonk het nu dichterbij?

Setalle wierp een ongeruste blik op hem toen hij bijna vooraan was. De anderen deden hun uiterste best om hem buiten gevaar te houden. Hij vermande zich en negeerde dat afgrijselijke gekrijs in de verte. Iedereen dacht dat Olver breekbaar was, maar dat was hij niet. Ze hadden niet gezien wat hij allemaal had gezien toen hij opgroeide. Eigenlijk dacht hij liever niet aan die tijd. Het leek wel alsof hij drie levens had geleid. Een voordat zijn ouders overleden, een toen hij alleen was, en nu dit leven.

Hoe dan ook, hij was het gewend om te vechten tegen mensen die groter waren dan hij. Dit was de Laatste Slag. Ze bleven maar zeggen dat iedereen daarbij nodig zou zijn. Nou, waarom hij dan niet? Als de Trolloks kwamen, zou hij als eerste van dit slome paard stappen. Hij kon sneller wandelen dan dit dier kon galopperen! En bovendien, de Aiel hadden ook geen paarden nodig. Olver was nog niet met hen samen gaan oefenen, maar dat zou hij nog doen. Hij had het allemaal uitgedacht. Hij haatte alle Aiel, maar voornamelijk de Shaido, maar hij zou hun geheimen moeten leren als hij ze wilde doden.

Hij zou naar hen toe gaan en eisen dat ze hem opleidden. Ze zouden hem toelaten en slecht behandelen, maar uiteindelijk zouden ze hem gaan eerbiedigen en laten oefenen met hun strijders. Daar waren verhalen over. Zo gingen die dingen.

Als hij hun geheimen kende, zou hij naar de Slangen en Vossen gaan om antwoorden te krijgen, om te vragen waar hij de Shaido kon vinden die zijn vader hadden vermoord. Van daaruit zou het opsporen en vermoorden van die mannen een tocht worden die een eigen verhaal waard was.

Ik neem Noal mee, dacht hij. Hij is al overal geweest. Hij kan me gidsen. Hij...

Noal was dood.

Het zweet kroop omlaag langs Olvers gezicht terwijl hij naar het rotsige pad verderop staarde. Ze kwamen langs nog meer van die verschrikkelijke bomen, maar nu bleef iedereen er ver uit de buurt. Naast het pad wees een van de mannen echter op een grote plas van die dodelijke modder. Het oogde bruin en dik, en Olver zag er enkele botten uitsteken.

Wat een vreselijke plek was dit!

Hij wenste dat Noal hier was. Noal was overal geweest, had alles gezien. Hij zou wel weten hoe hij hen hier weg kon krijgen. Maar Noal was er niet meer. Olver had het nieuws pas onlangs gehoord, of eigenlijk afgeleid uit de dingen die vrouwe Moiraine had verteld over wat er bij de Toren van Ghenjei was gebeurd.

Iedereen gaat dood, dacht Olver, die zijn blik naar voren gericht hield. Iedereen...

Mart was weggelopen naar de Seanchanen, Talmanes vocht samen met koningin Elayne. Een voor een werd iedereen in Olvers groep opgevreten door bomen, modder of monsters.

Waarom lieten ze hem allemaal in de steek?

Hij wreef over zijn armband. Noal had hem die gegeven, kort voordat hij vertrok. De armband was gevlochten van ruwe vezels en werd gedragen door strijders in een ver land, had Noal hem verteld. Het was het teken van een man die strijd had meegemaakt.

Noal... dood. Zou Mart ook sterven?

Olver had het warm, hij was moe en heel erg bang. Hij spoorde Bela aan, die gelukkig gehoorzaamde en iets sneller tegen de helling op draafde, zodat Olver verder naar voren kwam in de rij. Ze hadden de wagens achtergelaten en waren nu op weg naar een plek die de Verwoeste Landen heette, waarvoor ze tegen de uitlopers van bergen omhoog moesten. Vanochtend waren ze een pas door de bergen in gegaan. Hoewel hij het warm had, werd het er wel koeler naarmate ze hoger kwamen. Dat vond hij helemaal niet erg. Maar het stonk hier nog steeds verschrikkelijk. Naar rottende lijken.

Ze waren begonnen met vijftig soldaten en bijna half zoveel wagenmenners en arbeiders. Er waren ook nog een paar anderen bij zoals Olver, Setalle en de zes leden van vrouwe Failes lijfwacht.

Tot nu toe hadden ze vijftien mensen verloren aan de gevaren van de Verwording, onder wie vijf die waren gedood door vreselijke wezens met drie ogen, die gisterochtend hun kamp hadden aangevallen. Hij had vrouwe Faile horen zeggen dat ze slechts vijftien doden tot nu toe als een zegen beschouwde, dat het nog veel erger had gekund.