Het leek Olver geen zegen. Het was hier verschrikkelijk, en hij wilde weg. De Woestenij zou toch niet zo erg zijn als dit? De mannen en vrouwen van Cha Faile gedroegen zich als Aiel. Een beetje zoals de Aiel. Misschien hadden ze gedaan wat Olver wilde doen, waren ze opgeleid in de Woestenij. Hij zou het ze eens moeten vragen.
Hij reed nog ongeveer een half uur door. Uiteindelijk wist hij Bela naar de voorkant van de rij te krijgen. Vrouwe Failes glanzend zwarte merrie zag er snel uit. Waarom had Olver niet zo’n paard gekregen?
Faile had Marts kist op de rug van haar paard gebonden. Eerst was Olver daar blij om geweest, omdat hij aannam dat Mart die tobak heel graag zou willen hebben. Mart klaagde altijd dat hij geen goede tobak had. Maar toen had Olver Faile aan iemand anders horen uitleggen dat die kist gewoon een handige plek was geweest om een paar van haar eigen dingen in te vervoeren. Had ze de tobak weggegooid? Daar zou Mart niet blij mee zijn.
Faile keek naar hem, en Olver grijnsde met zo veel mogelijk zelfvertrouwen. Hij mocht haar niet laten zien hoe bang hij was.
De meeste vrouwen vonden zijn grijns leuk. Hij had erop geoefend, hoewel hij hem niet op Marts grijns stoelde. Marts grijns gaf hem altijd een schuldig aanzien. Je leerde grijnzen als je gedwongen was om op jezelf te passen, en Olver had een grijns nodig waardoor hij er onschuldig uitzag. En hij was ook onschuldig. Grotendeels.
Faile glimlachte niet terug. Olver vond haar vrij aardig om te zien, ondanks die neus. Maar ze was niet erg zacht. Bloed en as, maar ze had een kwade blik waarvan goed ijzer zou gaan roesten.
Faile reed tussen Aravine en Vanin. Hoewel ze op gedempte toon spraken, hoorde Olver wat ze zeiden. Hij keek opzettelijk de andere kant op, zodat ze niet zouden denken dat hij hen afluisterde. En dat deed hij ook niet. Hij wilde alleen uit het stof van de andere paarden zijn.
‘Ja,’ fluisterde Vanin. ‘Het lijkt er misschien nog niet op, maar we zijn dicht bij de Verwoeste Landen. Mijn eigen moeder mag branden, maar ik kan nog steeds niet geloven dat we daarheen gaan. Voel je die lucht? Het wordt kouder. We hebben al niks écht akeligs meer gezien sinds die wezens met drie ogen van gisterochtend.’
‘We zijn dichtbij,’ beaamde Aravine. ‘Straks zijn we op het eigen terrein van de Duistere. Landen waar niets groeit, besmet of niet, en waar geen leven is, zelfs niet de akeliger wezens van de Verwording.’
‘Dat moet zeker een troost zijn.’
‘Niet echt,’ zei Vanin, vegend over zijn voorhoofd. ‘Want het Schaduwgebroed hier is nog gevaarlijker. Als we dit overleven, dan is het omdat er een oorlog aan de gang is. Het Schaduwgebroed is allemaal in gevecht. Als we geluk hebben, zijn de Verwoeste Landen, behalve pal rondom Shayol Ghul, net zo leeg als de buidel van een man na een overeenkomst met het verrekte Zeevolk. Verontschuldig mijn taalgebruik, vrouwe.’
Olver tuurde naar de bergtop waar ze naartoe reden.
Daar woont die verrekte Duistere, dacht Olver. En daar is Mart waarschijnlijk ook, en niet in Merrilor. Mart had het altijd over wegblijven bij het gevaar, en toch vond hij er altijd zijn weg naartoe. Olver dacht dat Mart gewoon probeerde nederig te zijn, maar dat hij daar niet zo goed in was. Waarom zou je anders zeggen dat je geen held wilt zijn, om vervolgens verdomme rechtstreeks op het gevaar af te stormen?
‘En dit pad?’ vroeg Faile aan Vanin. ‘Je zei dat hier misschien onlangs nog verkeer langs is geweest. Zou dat er niet op wijzen dat de Verwording lang niet zo leeg is als jij zo kleurrijk hebt beschreven?’
Vanin gromde. ‘Het ziet er bereden uit.’
‘Dus iemand heeft wagens door het gebied verplaatst,’ zei Aravine. ‘Ik weet niet of dat een goed of een slecht teken is.’
‘Volgens mij zijn hier geen goede tekens,’ antwoordde Vanin. ‘Misschien moeten we gewoon een plek hier in de buurt uitkiezen, ons kamp opslaan en afwachten.’ Hij zuchtte en veegde weer over zijn voorhoofd, hoewel Olver niet inzag waarom. Het begon behoorlijk koud te worden. En er leken ook minder planten te zijn. Dat vond hij helemaal niet erg.
Hij keek over zijn schouder naar het boomgroepje dat die arme man het leven had gekost. Er leken geen andere bomen van die soort in de buurt, vooral niet verderop langs het pad.
‘We kunnen niet wachten, Vanin,’ zei Faile. ‘Ik wil terug naar Merrilor, hoe dan ook. De Herrezen Draak zal aan het vechten zijn in Thakan’dar. Daar moeten we naartoe om van deze verdomde plek weg te komen.’
Vanin kreunde, maar Olver glimlachte. Hij zóu Mart vinden en laten zien hoe gevaarlijk hij kon zijn in de strijd. En dan...
Nou, misschien zou Mart hem dan niet in de steek laten zoals de anderen hadden gedaan. Dat zou mooi zijn, want Olver had Marts hulp nodig bij het opsporen van die Shaido. Met alles wat hij bij de Bond had geleerd, wist hij zeker dat niemand meer over hem heen zou lopen. En niemand zou hem ooit weer de mensen afnemen van wie hij hield.
‘Er zijn verslagen in de boeken te vinden die verklaren wat we hebben gezien.’ Cadsuane pakte haar kom thee om haar handen eraan te warmen.
Het Aiel-meisje, Aviendha, zat op de vloer van de tent. Wat ik er niet voor over zou hebben om haar naar de Toren te krijgen, dacht Cadsuane. Die Wijzen... die hadden pit. Echt durf, zoals de beste vrouwen in de Witte Toren.
Cadsuane was er steeds meer van overtuigd dat de Schaduw al jaren een ingewikkelde strategie toepaste om de Witte Toren te ondermijnen. Die ging dieper dan Siuan Sanches onfortuinlijke afzetting en Elaida’s bewind. Het duurde misschien nog wel tientallen jaren, eeuwen, voordat ze de reikwijdte van het gekonkel van de Schaduw zouden kunnen overzien. Alleen al het aantal Zwarte zusters – honderden, en niet de tientallen die Cadsuane had vermoed – was daar een duidelijk bewijs van.
Voorlopig moest Cadsuane het doen met wat ze had. Daartoe behoorden ook deze Wijzen, met weinig kennis van wevingen, maar nooit zonder durf. Nuttig. Net als Sorilea, ondanks haar zwakte in de Ene Kracht, die verder naar achteren in de tent zat toe te kijken.
Zij... hoe oud moest een vrouwelijke geleider wel niet zijn om er zo stokoud te gaan uitzien, met van die knokige armen en zoveel groeven in haar gelaat? Vijfhonderd jaar? Meer? Cadsuane had besloten zo lang te leven als nodig was om de Draak de Laatste Slag te zien voltooien. Ze was een van de oudste Aes Sedai die nog leefden, maar vergeleken met vrouwen als Sorilea leek Cadsuane wel een kleuter.
Nou, dan zal ik maar gewoon moeten uitzoeken hoe ik kan blijven doorgaan, dacht Cadsuane. Als die vrouw het kan, dan kan ik het ook. De Kinne komen hier misschien van pas. Als ze langer wilde leven, betekende dat waarschijnlijk dat ze de Drie Geloften zou moeten loslaten, maar daar viel wel overheen te komen.
‘Ik heb wat rondgevraagd, kind,’ zei Cadsuane tegen Aviendha. ‘Wat die vrouw doet is inderdaad Reizen. Maar de weinige gegevens cl ie ernaar verwijzen, dateren uit de Oorlog van Kracht.’
Aviendha fronste. ‘Ik heb geen wevingen gezien, Cadsuane Sedai.’
Cadsuane verborg een glimlach om haar eerbiedige toon. Die knul van Altor had dit meisje het bevel gegeven en, dat moest gezegd worden, zij was beter dan sommige anderen. Maar hij had Cadsuane moeten kiezen, en dat wist Aviendha waarschijnlijk ook.
‘Dat komt doordat die vrouw niet weefde met de Ene Kracht,’ antwoordde Cadsuane.
‘Waar dan mee?’
‘Weet je hoe de Duistere oorspronkelijk werd bevrijd?’
Aviendha keek alsof ze zich iets herinnerde. ‘Ach... ja. Dus ze geleiden de macht van de Duistere?’
‘Ze noemen die de Ware Kracht,’ vertelde Cadsuane. ‘Volgens de verslagen werkt Reizen met de Ware Kracht zoals je die vrouw hebt zien doen. Nog maar weinig mensen hebben dat gezien. De Duistere werd vrekkig tijdens de Oorlog van Kracht, en alleen zijn meest begunstigde onderdanen kregen toegang tot zijn wezen. Dat geeft me de stellige indruk dat we hier met een Verzaker te maken hadden. En door je beschrijving van wat ze die arme Sarene heeft aangedaan, vermoed ik dat het Graendal was.’
‘In de verhalen werd nooit gezegd dat Graendal zo lelijk was,’ zei Sorilea zachtjes.