Выбрать главу

‘Als jij een Verzaker was, eenvoudig te herkennen door beschrijvingen in verhalen, zou jij je uiterlijk dan niet veranderen om niet herkend te worden?’

‘Misschien,’ antwoordde Sorilea. ‘Maar dan zou ik die... Ware Kracht niet gebruiken. Dan zou mijn vermomming immers geen zin meer hebben.’

‘Door wat Aviendha ons heeft verteld,’ merkte Cadsuane op, ‘lijkt het erop dat die vrouw niet veel keus had. Ze moest snel ontsnappen.’

Cadsuane en Sorilea keken elkaar in de ogen en knikten allebei instemmend. Ze zouden op die Verzaker gaan jagen, samen.

Ik wil niet dat je nu sterft, jongen, dacht Cadsuane, die over haar schouder in de richting van Altor, Nynaeve en Moiraine keek. Elke geleider in het kamp voelde de pulserende kracht in die grot. Hij moest in ieder geval in leven blijven tot hij had gedaan wat hij moest doen. Cadsuane had verwacht dat de Verzakers hier zouden zijn. Daarom was ze naar dit front gekomen.

De wind liet de tent schudden en verkilde Cadsuane tot op het bot. Het was hier vreselijk, zelfs als de strijd wat luwde. De angst die hier hing, voelde net als de begrafenis van een kind. Het smoorde gelach, vermoordde de glimlach. De Duistere keek toe. Licht, maar het zou fijn zijn om hier weg te kunnen.

Aviendha dronk haar thee. De vrouw oogde nog steeds geplaagd, hoewel ze overduidelijk al eerder bondgenoten had verloren in de strijd.

‘Ik heb ze laten sterven,’ fluisterde ze.

‘Poeh,’ zei Cadsuane. ‘Jij moet niet de schuld op je nemen voor de daden van een Verzaker, kind.’

‘Je begrijpt het niet,’ zei Aviendha. ‘We bevonden ons in een cirkel, en ze probeerden zich te bevrijden – dat voelde ik – maar ik wist niet wat er aan de hand was. Ik hield hun Kracht vast, en dus konden ze niets tegen haar uitrichten. Door mij waren ze machteloos.’

‘Nou, laat in het vervolg je cirkel niet meer achter,’ zei Cadsuane op ferme toon. ‘Je kon niet weten wat er zou gebeuren.’

‘Als je vermoedt dat die Verzaker in de buurt is, Aviendha,’ zei Sorilea, ‘laat het Cadsuane, mij of Amys dan weten. Het is geen schande om toe te geven dat iemand te sterk is om het in je eentje tegen op te nemen. We zullen die vrouw samen verslaan en de Car’a’carn beschermen.’

‘Goed dan,’ zei Aviendha. ‘Maar jullie doen hetzelfde bij mij. Jullie allemaal.’

Ze wachtte. Cadsuane ging schoorvoetend akkoord, net als Sorilea.

Faile zat ineengedoken in een donkere tent. Het was nog kouder geworden nu ze in de buurt van Thakan’dar waren. Ze streek met haar duim over het heft van haar mes en ademde rustig en langzaam in, en toen rustig weer uit. Ze staarde zonder met haar ogen te knipperen naar de tentflappen.

Ze had de kist met de Hoorn daar neergezet, met één hoek naar buiten. Hier aan de grens van de Verwoeste Landen – omringd door zogenaamde bondgenoten – voelde ze zich eenzamer dan in het Shai-dokamp.

Twee nachten geleden was ze uit haar tent geroepen om enkele vreemde sporen te bekijken waar de mannen zich zorgen om maakten. Ze hadden niemand meer verloren sinds ze zo dicht bij de Verwoeste Landen waren gekomen – dat was een meevaller – maar toch was de spanning nog groot. Ze was slechts een paar minuten weggeweest, maar toen ze in haar tent terugkeerde was de kist met de Hoorn een heel klein stukje verplaatst.

Iemand had geprobeerd hem te openen. Licht. Gelukkig had diegene niet op tijd het slot open kunnen krijgen, en de Hoorn zat er nog in.

De verrader kon iedereen zijn. Een van de Roodarmen, een wagenmenner, een lid van Cha Faile. Faile was de afgelopen twee nachten extra – en zelfs overduidelijk – waakzaam gebleven om de dief dwars te zitten. Vanavond had ze gezegd dat ze hoofdpijn had en had ze Setalle thee voor haar laten zetten om beter te kunnen slapen. Ze had de thee meegenomen naar haar tent maar had er geen slok van genomen, en zat nu ineengedoken te wachten.

De hoek van de kist zou duidelijk te zien zijn, zoals hij uit haar tent stak. Zou de dief het nog eens proberen? Als voorzorgsmaatregel had ze de Hoorn uit de kist gehaald en meegenomen toen ze een roep van de natuur ging beantwoorden. Ze had hem verstopt in een holte tussen de rotsen en bij haar terugkeer de leden van Cha Faile de opdracht gegeven nachtelijke rondes te lopen. Ze hadden het niet prettig gevonden om haar tent onbewaakt achter te laten, maar Faile had gezegd dat ze zich ongerust maakte over spanningen tussen de mannen.

Dat zou voldoende zijn. Licht, ze hoopte dat het voldoende was.

Er verstreken uren terwijl Faile in diezelfde houding bleef zitten, klaar om op te springen en alarm te slaan zodra iemand probeerde haar tent binnen te komen. Ze zouden het vast vannacht nog een keer proberen, nu zij zogenaamd ziek was.

Niets. Haar spieren verkrampten, maar ze bewoog zich niet. De dief kon wel daarbuiten in het donker zitten wachten, zich afvragend of dit het juiste ogenblik was om toe te slaan, de Hoorn te grijpen en ermee naar zijn of haar meesters te rennen. Het...

Een schreeuw schalde door de nacht.

Faile aarzelde. Een afleiding?

Die schreeuw, dacht ze, terwijl ze inschatte waar het geluid vandaan was gekomen. Hij kwam van... een stukje ten westen van hier.

Vlak bij de plek waar ze de Hoorn had verstopt. Faile vloekte en nam een snel besluit. De kist was leeg. Als ze in het aas hapte en het echt maar een afleiding was, dan zou ze niets verliezen. Als de dief haar zet echter had voorzien... Ze schoot haar tent uit terwijl anderen zich losmaakten uit hun dekenrollen. Leden van Cha Faile renden door het kamp. De schreeuw klonk opnieuw.

Hij ging vergezeld van een spookachtig gekrijs, hetzelfde geluid dat hen in de verte had achtervolgd.

Faile werkte zich door wat dun, door de Verwording gevlekt onkruid. Het was dom om daar doorheen te rennen op een plek waar een takje je kon doden, maar ze dacht niet helder na.

Zij was als eerste ter plaatse en bereikte de rotsen waar ze de Hoorn had verstopt. Daar stond niet alleen Vanin, maar ook Harnan. Vanin had de Hoorn van Valere in zijn dikke armen, terwijl Harnan vocht met een of ander beest met een donkere vacht, schreeuwend en zwaaiend met zijn zwaard.

Vanin keek naar Faile en werd zo bleek als het hemd van een Witmantel.

‘Dief!’ riep Faile. ‘Hou hem tegen! Hij heeft de Hoorn van Valere gestolen!’

Vanin slaakte een kreet, smeet de Hoorn van zich af alsof het ding hem had gebeten en ging ervandoor. Licht, maar hij kon wel hard lopen voor iemand van zijn grootte! Hij greep Harnan bij de schouder en trok hem opzij, terwijl het beest die spookachtige kreet slaakte.

Er klonk nog meer gebrul in de verte. Faile dook op de grond, greep de Hoorn en klemde hem tegen zich aan. Die mannen waren geen gewone dieven. Ze hadden niet alleen haar strategie doorzien, maar ook nog eens ontdekt waar ze de Hoorn had verstopt. Faile voelde zich net een boerenmeisje dat in de drie-beker-truc van een stedeling was getrapt.

De anderen die met haar mee waren gerend, stonden er stomverbaasd bij, ofwel door het zien van de Hoorn, of door het monster. Het schepsel krijste. Het leek wel een soort beer met te veel armen, hoewel het groter was dan alle beren die Faile ooit had gezien. Ze krabbelde overeind. Er was geen tijd om de dieven te zoeken, want het beest beukte tegen Failes wachters aan. Het rukte krijsend het hoofd van een lid van Cha Faile van zijn schouders.

Faile schreeuwde en smeet een mes op het wezen af, terwijl Arrela op zijn schouder inhakte met haar zwaard. Op dat ogenblik kwam er een twééde beest over de rotsen naast Faile heen.

Ze vloekte, sprong weg en gooide een mes. Ze raakte het, of althans, het wezen slaakte een kreet die klonk als een schreeuw van woede en pijn. Toen Mandevwin op zijn paard kwam aanrijden met een fakkel, onthulde het licht dat die verschrikkelijke wezens gezichten hadden als van insecten, en een heleboel vlijmscherpe tanden. Failes mes stak uit een bolvormig oog.

‘Bescherm de vrouwe!’ riep Mandevwin. Hij gooide speren naar de Roodarmen, waarmee ze het eerste monster bestookten en wegduwden bij Arrela, die bloedend opzij schuifelde. Maar de vrouw was haar zwaard niet verloren.