Wat moest ze doen? Als deze vrouw stierf, zou Rhand doorslaan. Dat zou waarschijnlijk zijn einde betekenen... en het einde van de Laatste Slag.
Mart hakte met zijn bijl in op het hout om er een punt aan te maken. ‘Kijk,’ zei hij, ‘het hoeft niet mooi te zijn. Bewaar je mooie timmermanswerk maar om indruk te maken op de burgemeestersdochter.’
De toekijkende mannen en vrouwen knikten met grimmige vastberadenheid. Het waren boeren, dorpelingen en ambachtslieden, net zulke mensen als die hij in Tweewater had gekend. Mart had er duizenden onder zijn bevel. Hij had nooit verwacht dat het er zoveel zouden zijn. De goede mensen van het land waren hierheen gekomen om te vechten.
In Marts ogen waren ze allemaal gek. Als hij had kunnen ontsnappen, zou hij zich nu ergens in een kelder verstoppen. Hij mocht branden, maar hij zou het hebben geprobeerd.
De dobbelstenen ratelden in zijn hoofd, maar dat deden ze al sinds Egwene hem de leiding had gegeven over alle legers van het Licht. Je had er echt helemaal niks aan om zo’n verrekte ta’veren te zijn.
Hij ging door, scherpte de punt aan de paal voor de palissade. Eén kerel keek met bijzonder veel aandacht toe, een oude boer met een zo leerachtige huid dat Trollok-zwaarden er waarschijnlijk op zouden afketsen. Hij kwam Mart om de een of andere reden bekend voor.
Het Licht verzenge die herinneringen, dacht Mart. Ongetwijfeld leek die kerel op iemand uit een van de oude herinneringen die Mart had gekregen. Ja, dat kon kloppen. Hij kon het zich niet helemaal herinneren. Een... kar? Een Schim?
‘Kom op, Renald,’ zei de kerel tegen een van zijn metgezellen, ook weer een boer, zo te zien afkomstig uit de Grenslanden. ‘Laten we langs de rij lopen, kijken of we de andere jongens kunnen laten ópschieten.’
De twee liepen weg terwijl Mart de paal afmaakte en zijn voorhoofd afveegde. Hij pakte een volgende paal – hij kon het die schaapherders beter nog een keer voordoen – toen een gedaante gehuld in een cadin’sor langs de grotendeels voltooide palissademuur aan kwam rennen.
Urien had helrood haar, dat hij kort droeg, op een paardenstaart aan de achterkant na. Hij stak zijn hand naar Mart op terwijl hij langs rende. ‘Ze zijn opgewonden, Martrim Cauton,’ zei Urien zonder zijn pas in te houden. ‘Ik denk dat ze deze kant op komen.’
‘Bedankt,’ riep Mart. ‘Je hebt er eentje van me te goed.’
De Aiel draaide zich tijdens het rennen om en draafde een stukje achteruit verder. ‘Win die strijd maar gewoon! Ik heb een fles oosquai op onze overwinning gewed.’
Mart snoof. Het enige wat verontrustender was dan een onverstoorbare Aiel was een grijnzende. Wedden? Op de uitkomst van deze slag? Wat voor weddenschap was dat nou? Als ze verloren, zou niemand lang genoeg leven om de winst...
Mart kreeg een frons op zijn voorhoofd. Eigenlijk was dat best een heel goede weddenschap. ‘Met wie heb je die weddenschap gesloten?’ riep Mart hem na. ‘Urien?’ Maar de man was al te ver weg om hem te horen.
Mart mopperde wat, maar hij gaf zijn bijl aan een van de mensen om hem heen, een slanke Tyreense vrouw. ‘Hou ze in het gareel, Cynd.’
‘Ja, heer Cauton.’
‘Ik ben verdomme geen heer,’ zei Mart gewoontegetrouw terwijl hij zijn ashandarei pakte. Hij liep weg, bekeek de palissade in aanbouw en zag een handjevol doodswachtgardisten langs de rijen werkende mensen lopen. Net wolven te midden van de schapen. Mart haastte zich verder.
Zijn leger had niet veel tijd meer om zich voor te bereiden. Dankzij hun Poorten hadden ze een voorsprong op de Trolloks, maar ze waren nog niet ontkomen. Licht, er vfél niet te ontkomen. Mart had echter zelf het slagveld mogen kiezen, en dit Merrilor leek hem het beste.
Net of je de plek uitkiest voor je eigen graf, dacht Mart. Iets wat ik liever helemaal niet had willen kiezen.
De palissade rees op voor de bossen ten oosten van de akker. Hij had geen tijd om het hele gebied met een palissade af te sluiten, en dat zou trouwens ook geen zin hebben. Met die Sharaanse geleiders kon de Schaduw door muren heen komen als een zwaard door zijde. Maar een paar palissades, met looppaden bovenlangs, zouden zijn boogschutters de benodigde hoogte geven om op Trolloks te schieten.
Mart had hier twee rivieren om mee te werken. De Mora stroomde in zuidwestelijke richting, tussen de Hoogvlakte en de Dasharknobbel. De zuidelijke oever lag in Shienar, de noordelijke oever in Arafel. De Mora kwam samen met de Erinin, die pal westwaarts langs de zuidelijke rand van de akker liep.
Die rivieren zouden meer uithalen dan muren, vooral nu hij de middelen had om ze fatsoenlijk te verdedigen. Als je het althans middelen kon noemen. De helft van zijn soldaten was zo groen als lentegras en de andere helft had zich de week ervoor al bijna doodgevochten. De Grenslanders hadden twee van elke drie man verloren; Licht, twee van de drié. Een minder leger zou allang zijn ontbonden.
Als hij iedereen meetelde die hij had, zou Mart met vier tegen één in de minderheid zijn wanneer die Trolloks aankwamen, althans volgens verslagen van de Hemelvuisten. Het zou bloederig worden.
Mart trok zijn hoed verder omlaag en krabde langs het nieuwe ooglapje dat Tuon hem had gegeven. Rood leer. Hij vond het mooi.
Hij kwam langs een aantal nieuwe rekruten van de Torenwacht. Ze hielden oefengevechten met stokken; de speerpunten die erop moesten komen, werden nog gesmeed. De mannen zouden zo te zien eerder zichzelf verwonden dan de vijand.
Mart ging bij hen staan, gaf zijn ashandarei aan een van de mannen en pakte een vechtstok van een andere aan terwijl de eerste haastig salueerde. De meeste van die mannen waren niet oud genoeg om zich vaker dan eens per maand te hoeven scheren. Als de jongen wiens staf hij had overgenomen een dag ouder was dan vijftien, zou Mart zijn laarzen opeten. Hij zou ze niet eens eerst koken!
‘Je moet niet ineenkrimpen elke keer als je stok iets raakt!’ zei Mart. ‘Als je je ogen dichtdoet op het slagveld, ben je dood. Hebben jullie de vorige keer niet opgelet?’
Mart hield de vechtstok omhoog, liet zien waar ze hem moesten vasthouden en deed hun de blokkeeroefeningen voor die zijn vader hem had geleerd, toen hij nog jong genoeg was om te denken dat vechten met een vechtstok leuk zou zijn. Hij begon te zweten terwijl hij elk van de nieuwe rekruten om beurten aanviel en dwong zijn slagen af te weren.
‘Jullie móéten dit beter doen,’ riep Mart tegen hen allemaal. ‘Het zou mij niet zoveel uitmaken, aangezien jullie kennelijk zo stom zijn als boomstronken, maar als jullie omkomen, moet ik jullie moeders een brief schrijven. Dat doe ik niet, hoor, maar misschien voel ik me dan een beetje schuldig tussen het dobbelen door, en ik heb de pest aan schuldgevoel, dus let op!’
‘Heer Cauton?’ vroeg de jongen die hem de vechtstok had gegeven. ‘Ik ben geen...’ Hij brak zijn zin af. ‘Ja, wat is er?’
‘Kunnen we niet gewoon oefenen met het zwaard?’
‘Licht!’ zei Mart. ‘Hoe heet je?’
‘Sigmont, meneer.’
‘Nou, Sigmont, hoeveel tijd denk je dat we hebben? Misschien kun je even naar buiten lopen, met die Gruwheren en dat Schaduwgebroed praten en vragen of we nog een paar maanden de tijd kunnen krijgen, zodat ik jullie allemaal fatsoenlijk kan opleiden.’
Sigmont bloosde, en Mart gaf hem zijn vechtstok terug. Stadsjongens. Hij zuchtte. ‘Luister, het enige wat ik wil is dat jullie je kunnen verdedigen. Ik heb geen tijd om grote strijders van jullie te maken, maar ik kan jullie wél leren samen te werken, in formatie te blijven en niet ineen te krimpen als de Trolloks komen. Daar heb je meer aan dan aan fraaie zwaardbewegingen, geloof me.’
De jongemannen knikten met tegenzin.
‘Ga verder met oefenen,’ zei Mart, die zijn voorhoofd afveegde en over zijn schouder keek. Bloed en as! De doodswachtgardisten kwamen zijn kant op.
Hij greep zijn ashandarei, draafde weg en dook om een tent heen, alleen om daar op een groep Aes Sedai te stuiten die over het pad aan kwamen lopen.