Выбрать главу

‘Mart?’ vroeg Egwene vanuit het midden van de groep vrouwen. ‘Gaat het wel goed met je?’

‘Ze zitten achter me aan, verdomme,’ zei hij, om de zijkant van de tent glurend.

‘Wie zit er achter je aan?’ vroeg Egwene.

‘Doodswachtgardisten,’ antwoordde Mart. ‘Ik moest nu eigenlijk in Tuons tent zijn.’

Egwene bewoog een paar vingers en stuurde de andere vrouwen weg, en alleen haar twee schaduwen – Gawein en die Seanchaanse vrouw – bleven bij haar. ‘Mart,’ zei Egwene lijdzaam, ‘ik ben blij dat je eindelijk bij zinnen bent gekomen en het Seanchaanse kamp hebt verlaten, maar had je niet tot na de slag kunnen wachten voordat je overliep?’

‘Niet om je in de rede te vallen,’ zei hij, slechts half luisterend, ‘maar kunnen we doorlopen naar het Aes Sedai-gedeelte van het kamp? Daar zullen ze me niet volgen.’ Misschien. Als alle doodswachtgardisten net zo waren als Karede, dan misschien toch wel. Karede zou nog achter een man die in een afgrond sprong aan duiken om hem te pakken te krijgen.

Egwene liep terug, en ze leek niet ingenomen met Mart. Hoe was het toch mogelijk dat Aes Sedai zo volkomen beheerst konden zijn, en dat je als man desondanks aanvoelde dat ze ontevreden over je waren? Eigenlijk zou een Aes Sedai een man waarschijnlijk ook achterna duiken in een afgrond, al was het maar om hem – tot in de bijzonderheden – te vertellen wat hij allemaal verkeerd deed bij zijn gekozen zelfmoordmethode.

Mart wenste dat hij de laatste tijd niet zo vaak de indruk had dat hij degene was die in een afgrond sprong.

‘We zullen iets moeten bedenken om aan Fortuona uit te leggen waarom je ervandoor bent gegaan,’ zei Egwene terwijl ze het kamp-gedeelte van de Aes Sedai naderden. Mart had hen zo ver als redelijkerwijs mogelijk was bij de Seanchanen vandaan geplaatst. ‘Dat huwelijk zal een probleem vormen. Ik stel voor dat je...’

‘Wacht, Egwene,’ viel Mart haar in de rede. ‘Waar heb je het over?’ ‘Je vlucht voor de Seanchaanse wachters,’ zei Egwene. ‘Heb je dan niet geluisterd... Nee, natuurlijk niet. Het is fijn te weten dat terwijl de hele wereld instort, een paar dingen volkomen onveranderd blijven. Cuendillar en Mart Cauton.’

‘Ik vlucht voor ze,’ zei Mart, die over zijn schouder keek, ‘omdat Tuon wil dat ik mijn oordeel vel. Elke keer als een soldaat de Keizerin wil smeken om genade voor een overtreding, ben ik degene die verdomme zijn verhaal moet aanhoren!’

‘Jij,’ zei Egwene, ‘en oordelen vellen?’

‘Ik weet het,’ zei Mart. ‘Te veel werk, verdomme, als je het mij vraagt. Ik ontloop de hele dag al gardisten en probeer wat tijd voor mezelf te stelen.’

‘Van een beetje eerlijk werk ga je niet dood, Mart.’

‘Je weet wel beter. Soldaat zijn is ook eerlijk werk, en daar gaan om de haverklap mannen aan dood.’

Gawein Trakand oefende er kennelijk in om op een dag Aes Sedai te worden, want hij bleef Mart maar kwade blikken toewerpen waar Moiraine trots op zou zijn geweest. Nou, hij ging zijn gang maar. Gawein was een prins. Hij was onderwezen in dingen als oordelen vellen. Hij stuurde waarschijnlijk elke dag tijdens het middagmaal wel een paar mannen naar de galg, gewoon om zijn vaardigheden bij te houden.

Maar Mart... Mart zou geen bevel geven om mannen te laten terechtstellen, en dat was dat. Ze kwamen langs een groep Aiel die oefengevechten hielden. Was dit de groep waar Urien naar onderweg was geweest? Zodra ze er voorbij waren – Mart probeerde de anderen sneller te laten lopen zodat de Seanchanen hem niet zouden inhalen -ging hij dichter naar Egwene toe.

‘Heb je hem al gevonden?’ vroeg hij zachtjes.

‘Nee,’ antwoordde Egwene, die recht voor zich uit bleef kijken. Hij hoefde niet te zeggen waar hij het over had. ‘Hoe kan je dat ding nou zijn kwijtgeraakt? Na al het werk dat het ons verdomme heeft gekost om hem te vinden?’

‘We? Voor zover ik heb gehoord, hadden Rhand, Loial en de Grenslanders veel meer te maken met de vondst ervan dan jij.’

‘Ik was erbij,’ zei Mart. ‘Ik heb toch dat hele verdomde continent door gereden? Ik mag branden, eerst Rhand, en nu jij. Blijft iederéén me dan lastigvallen over die tijd? Gawein, wil jij ook even zeuren?’ ‘Nou, graag!’ Hij klonk gretig.

‘Hou je kop,’ zei Mart. ‘Het lijkt erop dat niemand het zich goed kan herinneren, behalve ik. Ik heb als een waanzinnige achter die stomme Hoorn aan gezeten. En, zal ik je vertellen, ik was degene die op dat ding blies om jullie allemaal uit Falme te laten ontsnappen.’ ‘Is dat hoe jij het je herinnert?’ vroeg Egwene.

‘Zeker weten,’ zei Mart. ‘Ik bedoel, ik ben een paar dingen kwijt, maar het meeste heb ik uitgevogeld.’

‘En de dolk?’

‘Dat prulletje? Amper de moeite waard.’ Hij merkte dat hij naar zijn zij reikte, naar de plek waar hij de dolk vroeger droeg. Egwene trok haar wenkbrauw naar hem op. ‘Maar goed, daar gaat het niet om. We moeten die verrekte toeter hebben, Egwene. We hebben hem nódig.’

‘Er zijn mensen naar op zoek,’ zei ze. ‘We weten niet helemaal wat er is gebeurd. Er was een residu van het Reizen, maar het is al een tijdje geleden en... Licht, Mart. We doen ons best, ik beloof het je. Het is niet het enige wat de Schaduw de laatste tijd van ons heeft gestolen...’

Hij keek haar zijdelings aan, maar meer vertelde ze hem niet. Verrekte Aes Sedai. ‘Heeft iemand Perijn al gezien?’ vroeg hij. ‘Ik wil niet degene zijn die hem moet vertellen dat zijn vrouw vermist wordt.’ ‘Niemand heeft hem gezien,’ antwoordde Egwene. ‘Ik neem aan dat hij Rhand aan het helpen is.’

‘Bah,’ zei Mart. ‘Kun je me met een Poort naar de top van de Knobbel krijgen?’

‘Ik dacht dat je naar mijn kamp wilde.’

‘Daar komen we langs,’ zei Mart. Nou ja, min of meer. ‘En die doodswachtgardisten zullen het niet verwachten. Ik mag branden, Egwene, maar ik denk dat ze hebben geraden waar we heen gingen.’ Egwene opende – na even nadenken – een Poort voor hen naar het Reisterrein boven op de Knobbel. Ze stapten erdoor.

De Dasharknobbel, hoger dan een heuvel en lager dan een berg, rees zeker honderd voet omhoog nabij het midden van het slagveld. De rotsformatie was niet te beklimmen, dus je kon er alleen met Poorten bovenop komen. Van hieraf zouden Mart en zijn bevelvoerders de hele slag kunnen overzien.

‘Ik heb nog nooit iemand gekend,’ zei Egwene tegen hem, ‘die bereid is zo hard te werken om werk te ontlopen, Martrim Cauton.’ ‘Dan ben je niet vaak genoeg met soldaten omgegaan.’ Mart zwaaide naar de mannen die hem een saluut brachten toen hij het Reisterrein af liep.

Hij keek noordwaarts naar de Mora en eroverheen naar Arafel. Toen naar het noordoosten, naar de ruïnes van wat ooit een fort of uitkijktoren was geweest. Toen naar het oosten, naar de palissade en het bos. Hij bleef om zijn as draaien en keek zuidwaarts naar de Erinin in de verte en het vreemde groepje hoge bomen waar Loial zo van onder de indruk was. Ze zeiden dat Rhand die had laten groeien tijdens de bijeenkomst waarbij het verdrag was ondertekend. Mart keek naar het zuidwesten, naar de enige goede voorde door de Mora, de Hawalvoorde genoemd door de boeren die hier hadden gewoond. Voorbij de voorde aan de Arafelse kant lagen uitgestrekte moerassen.

Westwaarts, aan de overkant van de Mora, lag de Hoogvlakte van Polov, een vlakte van veertig voet hoog met een steile helling aan de oostkant en glooiender hellingen aan de andere kanten. Tussen de voet van de zuidwestelijke helling en de moerassen lag een gang van ongeveer honderd meter breed, veel gebruikt door reizigers die de voorde tussen Arafel en Shienar overstaken.

Mart kon die delen van het landschap in zijn voordeel gebruiken. Hij kon ze allemaal gebruiken. Zou het genoeg zijn? Hij voelde iets aan hem trekken vanuit het noorden. Rhand zou hem binnenkort nodig hebben.

Hij draaide zich om, klaar om ervandoor te gaan, toen er iemand naderde over de top van de Knobbel, maar het waren niet de doodswachtgardisten. Het was alleen maar de gelooide Jur Gradi.